Het wordt strakjes dringen op de vierkante meter

Het Nederlandse overbevolkingsdenken na de Tweede Wereldoorlog: op naar de 21 miljoen mensen in het jaar 2000

„Waarom emigreren de Limburgers niet?” kopte het groengele kwartaalblaadje Tal en Last in december 1973. Limburg moest leeglopen, zeker „het stampvolle Zuid-Limburg”, zo schreef R. van Hasselt, de gedreven secretaris van de stichting Welzijn en Bevolkingsgroei in Zeist. De provincie telde dat jaar ruim een miljoen inwoners, grotendeels „geconcentreerd in het kleine deel ten zuiden van de flessenhals bij Sittard”.

„Het is toch op zijn minst vreemd te noemen dat in een overbevolkte streek die met werkloosheid te kampen heeft, het vuile werk aan buitenstaanders wordt overgelaten”, zo verwijst Van Hasselt naar de ‘gastarbeiders’. (…) „Krijgen wij ‘Herrenvolk’-allures?” Waarom stimuleert de overheid niet de emigratie naar België of Duitsland van „duizenden pendelaars” met hun „hinderlijk lange” woon-werkverkeer?

De Tal en Last-schrijvers, die jarenlang ijverden voor ‘meer Nederland met minder mensen’, zouden vandaag de dag opgetogen zijn. Limburg lóópt langzaam leeg. Net als Zeeuws-Vlaanderen en Oost-Groningen, en in het jaar 2025 circa 60 procent van de Nederlandse gemeenten – zo is de verwachting. Vrouwen krijgen minder kinderen, jongeren trekken weg uit de regio’s en ouderen blijven achter. Daling van de gemeentelijke inkomsten, leegstand en verpaupering van huizen zijn het gevolg. Om oplossingen te vinden, vond gisteren in Rotterdam voor bestuurders een heuse ‘krimptop’ plaats.

Krímp, dat was na de naoorlogse babyboom wel het laatste waar men aan dacht. Nederland had het hoogste geboortecijfer van Noordwest-Europa. In 1946 werden er op iedere duizend personen 30,2 baby’s geboren. Ter vergelijking: in 2008 was het geboortecijfer 10,5.

In 1950 telde Nederland ruim tien miljoen inwoners. „De snelle bevolkingsgroei en de beperkte oppervlakte beschikbare grond vereisen een krachtdadige bevordering van de emigratie”, zei Koningin Juliana in haar Troonrede van dat jaar. Ieder jaar weken tienduizenden Nederlanders, al dan niet gesubsidieerd, uit naar emigratielanden als Canada, Nieuw-Zeeland, Australië en de Verenigde Staten.

In 1965 telde Nederland 12,2 miljoen inwoners. Wetenschappers bleven zorgelijk. Het is „niet te gewaagd” om in het jaar 2000 op 20 miljoen Nederlanders te rekenen, stelde drs. P. van Daalen in de bundel Dringen in Nederland (1965). „Hoe zal de twintigmiljoenste Nederlander worden ontvangen? Zal het Nederlandse volk er een feestdag bij krijgen, zullen de gebouwen vlaggen en het Nederlandse volk daarmee blijk geven verheugd te zijn over zijn forse groei? Het hangt er maar van af in welke omstandigheid die twintigmiljoenste Nederlander geboren is.”

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kwam datzelfde jaar met een nog hogere prognose: 21 miljoen Nederlanders in 2000. In een verklaring noemde de regering ‘het bevolkingsvraagstuk’ in combinatie met de gestegen welvaart en consumptie „zeer urgent”. Pers en publiek reageerden lauwtjes op de CBS-telling. Maar door een reeks publicaties en congressen – wat somber van toon – was de ‘dreigende’ overbevolking geen onbekend thema meer.

De PvdA kwam in 1955 al, als eerste politieke partij, met een dik wetenschappelijk rapport over bevolkingspolitiek: Bevolkingsgroei en Maatschappelijke Verantwoordelijkheid . De middelen waren beperkt, was de conclusie. „Het ingrijpen van de overheid op dit terrein – men denke bijvoorbeeld aan gedwongen sterilisatie – vindt zijn grenzen in ethische normen en bovendien in de stand der eugenetische wetenschap.”

In 1963, het jaar waarin de anticonceptiepil voor vrouwen op de Nederlandse markt kwam, werd in Tal en Last voorzichtig „de ‘PIL’ voor mannen” aangekondigd. Aanleiding waren „recente onderzoekingen” met „dinitropyrolen”, beschreven in News for Population and Birthcontrol. „Als deze preparaten bij mensen even effectief zijn als bij dieren en geen onplezierige bijverschijnselen geven, zal het mogelijk zijn dat wij over een methode gaan beschikken, waardoor een enkele pil, eens in de maand ingenomen, de mannelijke vruchtbaarheid voor elke gewenste periode kan onderdrukken.”

De „zelfregulatie van populaties” kwam in 1966 aan bod op het tweedaagse symposium De Mens in dichte pakking in Amsterdam. Dr. A. Voûte trok een parallel met de leeuwen in het Krugerpark in Zuid-Afrika. „Al maken roofdieren nog weleens een mens tot slachtoffer, als regulatoren spelen zij geen rol meer. Kannibalisme is nog niet geheel verdwenen. In Afrika schijnen nog steeds mensen te worden geconsumeerd, zoals ons uit de berichten van de strijd in Kongo duidelijk is geworden.” Maar „regulerend” is ook kannibalisme niet, constateerde Voûte.
De grenzen van ons kleine land dwongen tot nadenken, bepleitte dr. D. de Jonge in Dringen in Nederland. „Dit vooruitzicht moge vooralsnog absurd schijnen”, schreef hij. „Gaat de bevolkingsgroei echter in dit tempo door, dan zal ons land over honderd jaar een bevolking van 34 à 38 miljoen zielen herbergen. Zouden wij dan nog in een villaparkbebouwing willen wonen, dan is ons land geheel vol en is er ook geen ruimte meer voor landbouw, veeteelt of vakantie buiten de woonplaats.”

Uiteindelijk liep het allemaal zo’n vaart niet. De demografen hadden zich met name verkeken op het geboortecijfer. Na 1965 halvéérde in nauwelijks vijftien jaar het aantal kinderen van gehuwde vrouwen. Het was het einde van het tijdperk van de grote gezinnen.

„Een jonge getrouwde vrouw” met een „interessante baan” vertelde me onlangs dat zij en haar man „heel gelukkig” zijn, schreef Louise Roos in december 1967 in het Algemeen Handelsblad. „Het enige wat haar geluk bedierf waren de onophoudelijke toespelingen van wederzijdse familieleden op een toekomstig gezin.” Het is „beslist verkeerd” deze vrouwen de „formule huwelijk-gezin op te dringen”, aldus Roos. „Als we oprecht en zonder bijbedoeling van kinderen houden zullen we hun aantal moeten beperken, zodat ze kunnen opgroeien in een land, waar speel- en leefruimte voor hen is.”

Het laatste nummer van Tal en Last verscheen in december 1976. „Niet zonder weemoed” hield de stichting er na vijftien jaar mee op, schreef F. Kool. Het moest wel; de kas was leeg. „De dóórzettende daling van het geboortecijfer bracht met zich mee dat voorheen trouwe contribuanten van onze stichting het – reeds in 1969 – lieten afweten.”

Nu: 16,5 mln inwoners

Nederland telt momenteel circa 16,5 miljoen inwoners, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per dag worden gemiddeld 500 kinderen geboren. Daar staat tegenover dat op jaarbasis elke dag 365 mensen overlijden. Verder vestigen zich gemiddeld 385 immigranten per dag in Nederland, terwijl er 330 emigranten vertrekken. Op jaarbasis groeit de bevolking met gemiddeld 210 personen per dag.
In 2025 telt Nederland bijna 16,9 miljoen inwoners, volgens het CBS. Volgens een prognose uit 2008 groeit de bevolking nog tot 17,5 miljoen in 2038, om daarna te krimpen. In 2050 telt Nederland volgens de prognose 17,3 miljoen inwoners. De netto bevolkingsgroei door migranten tot 2050 is 60.000 personen.

Laat zelf een reactie achter

Reacties die voor andere bezoekers informatief of vermakelijk zijn, maken het nextblog interessanter en levendiger. Schroom dus niet om jouw goed onderbouwde mening te delen of aanvullende informatie te geven. Als je reageert, vragen we je naam en e-mailadres op te geven. Je eerste reactie wordt vooraf gemodereerd op basis van de spelregels. Als die is goedgekeurd, kun je voortaan direct reageren. Je reactie kan in de krant gebruikt worden.

Ook een avatar bij je reactie? Upload je foto op gravatar.com