Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.
Vandaag: waar komt die keuzestress toch vandaan?
De een noemt het een quarterlifecrisis, de ander een dertigersdilemma, een derde vindt het niet meer dan een luxeprobleem. Maar aanstellerij of niet, veel mensen ervaren ‘keuzestress’ tegenwoordig als een reëel ongemak in hun dagelijkse leven. Vooral jongeren hebben soms grote moeite met kiezen: welke studie wil ik volgen, welke baan ga ik nemen, welke carrière streef ik na? Koop ik direct een huis, of ga ik eerst op wereldreis? Wil ik nu een vaste partner, of blijf ik liever nog vrijgezel? Neem ik vroeg kinderen, of juist later? De vrijheid om te doen wat we willen is enorm, en het aantal mogelijkheden vaak nog groter. Zo groot, dat velen zich er niet vrijer, maar juist onvrijer door voelen. De keuzes worden niet als een verrijking ervaren, maar eerder als een last.
De vraag is: hoe kan dat? Hoe kan de gevoelde keuzevrijheid afnemen naarmate het aantal keuzemogelijkheden juist groter wordt? Ondanks de vele boeken die inmiddels zijn verschenen over dit paradoxale fenomeen, wordt die vraag zelden gesteld. De meeste auteurs constateren weliswaar dat twintigers en dertigers lijden onder een „teveel aan keuzes”, maar verklaren meestal niet hoe zo’n ‘teveel’ eigenlijk ontstaat. Dat is jammer, want er bestaat een goede filosofische verklaring voor, waar pathologische twijfelaars wellicht nog een geruststelling uit kunnen destilleren. Voor die verklaring moeten we eerst te rade gaan bij de Britse filosoof Isaiah Berlin (1907-1997), die in zijn beroemde essay Two Concepts of Liberty (1958) – ontleend aan de filosofie van Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) – een verhelderend onderscheid maakt tussen twee ‘concepten’ van vrijheid: positieve en negatieve vrijheid.
Negatieve vrijheid, stelt Berlin, is het „ontbreken van externe belemmeringen of obstakels”. ‘Negatief’ betekent hier dus niet ‘slecht’ of ‘verkeerd’, maar ‘afwezig’: hoe minder belemmeringen, des te groter de vrijheid. Dit is een gangbare manier waarop keuzevrijheid vaak wordt begrepen: hoe groter het aantal keuzes – bijvoorbeeld het aantal beschikbare plaatsen in een vliegtuig – des te meer keuzevrijheid men geniet. Groeit het aantal obstakels – steeds meer plaatsen zijn bezet – dan neemt ook de keuzevrijheid evenredig af. In de ‘negatieve’ zin van het woord correleren vrijheid en het aantal opties dus lineair met elkaar: hoe meer onbezette stoelen, des te vrijer de keuze.
Definieert men keuzevrijheid daarentegen als een ‘positieve vrijheid’, dan gaat dit verband niet langer op. Met positieve vrijheid doelt Berlin op de vrijheid „om autonoom te handelen”. Anders dan bij de vorige definitie, wordt de mate van vrijheid hier niet ‘negatief’ bepaald, door te kijken naar het ontbreken van externe obstakels, maar positief – door te kijken naar de aanwezigheid van interne motieven. Want, zo luidt een aloud Kantiaans inzicht, de mens is vrij „voor zover hij zichzelf zijn eigen wil op kan leggen”. Dat betekent: om autonoom te kunnen handelen, heeft een mens beweegredenen nodig. Wat een handeling namelijk autonoom maakt – en geen impuls of reflex – is dat zij bewust is: ze wordt voorafgegaan door een reden. En hier geldt: hoe sterker iemands reden om iets te doen (of te laten), des te autonomer en dus des te vrijer hij is.
Dit ‘positieve’ vrijheidsconcept maakt duidelijk waarom mensen zich onvrijer kunnen voelen naarmate het aantal keuzes steeds meer toeneemt. Want, hoe groter het aantal keuzes, des te kleiner het verschil tussen die keuzes. En hoe kleiner het verschil tussen de keuzes, des te minder redenen er overblijven om het ene boven het andere te verkiezen. Hoe dat komt, is misschien het beste te illustreren aan de hand van de (denkbeeldige) situatie waarin iemand een oneindig aantal keuzes heeft.
Stel, je staat in de supermarkt voor een schap met een oneindig aantal soorten jam. Het verschil tussen al die soorten jam is dan niet langer waarneembaar. Tussen alle potjes staan immers ook nog alle andere jamsoorten die je maar kunt bedenken – ad infinitum. De potjes zijn daardoor niet van elkaar te onderscheiden. En omdat het verschil tussen de jampotjes niet te zien is, is ertussen kiezen ook onmogelijk geworden. Natuurlijk heb je nog wel de vrijheid om een willekeurige greep uit het schap doen, maar van keuzevrijheid is dan geen sprake. Een willekeurige greep is immers geen keuze – er gaat geen reden aan vooraf. Doordat het aantal keuzes oneindig groot is geworden, is de keuzevrijheid gereduceerd tot nul: iedere reden om de ene jam boven de andere te verkiezen is immers verdwenen.
De grafiek van ‘positieve’ keuzevrijheid verloopt dus niet lineair, maar parabolisch: op het moment dat het aantal keuzes te groot wordt, en de verschillen tussen de keuzes te klein, neemt het aantal beweegredenen af – en daarmee iemands autonomie. Daardoor vermindert ook de gevoelde vrijheid: je kan moeilijker tot een keuze komen. En dat heeft – als je veel keuzes moet maken – ‘stress’ tot gevolg. Keuzestress wordt dus niet alleen (of niet zozeer) veroorzaakt door een overvloed aan keuzes, maar vooral door een gebrek aan voorkeuren die het hebben van veel opties veroorzaakt. Daarom beschouwen sommige mensen het vooral als een luxeprobleem, of zelfs als aanstellerij: het verschil tussen nergens ‘zin’ in hebben en nergens ‘redenen’ voor hebben is vaak moeilijk te zien.
Overigens hoeft een groot aantal keuzes niet automatisch te leiden tot minder beweegredenen. Wie een enorme passie voor geschiedenis of natuurkunde heeft, zal weinig moeite hebben met zijn studiekeuze – ongeacht de talloze studies waaruit hij kiezen kan. En andersom geldt ook: het hebben van weinig beweegredenen hoeft niet per se het gevolg te zijn van het hebben van veel opties. Een gebrek aan beweegredenen kan ook voortkomen uit een zwakke identiteit. Een persoon met een zwakke identiteit heeft namelijk van zichzelf weinig voorkeuren en zal dus – ongeacht het aantal keuzes – moeilijker kunnen kiezen. Nu is de ontwikkeling van zo’n zwakke ‘persoonlijkheid’ per individu verschillend, en vooral afhankelijk van capaciteit, erkenning en zelfvertrouwen. Maar er hebben zich de afgelopen zestig jaar ook enkele maatschappelijke processen voltrokken die bijgedragen kunnen hebben aan een minder sterke identiteit bij jonge mensen.
Het eerste proces is de ontkerkelijking en de daarmee samenhangende ontzuiling. Het geloof werd steeds minder (streng) beleden – en de overtuigingen van mensen dus zwakker. Tegelijkertijd werd ook de opvoeding langzaam maar zeker vrijer. Het was niet langer vanzelfsprekend om het eigen wereldbeeld over te dragen of op te leggen aan je kinderen; zij kregen de vrijheid zelf hun opvattingen te kiezen. Het gevolg: een fragmentarischer, minder eenduidig en dus ‘grijzer’ wereldbeeld. Dat werd nog eens versterkt door de opkomst van de massamedia, waardoor duizend-en-één ‘waarheden’ elkaar doorlopend om voorrang gingen beconcurreren. Ons wereldbeeld werd daardoor steeds grijzer. Dat grijze wereldbeeld kreeg in de jaren ’90 ook zijn weerslag in een ideologieloze politiek, toen het Paarse kabinet onder aanvoering van het PvdA van Wim Kok idealisme en principes verruilde voor pragmatisme en polderen. En net als veel adolescenten van nu, hadden ook de politici van toen al moeite met kiezen: ‘gedogen’ werd niet voor niets een toverwoord.
Keuzestress is dus niet alleen een kwestie van luxe of overvloed, maar ook van opvoeding, technologie en tijdgeest. De jonge adolescenten van nu zijn opgegroeid in een tijd waarin iedereen het wel zo’n beetje eens was met hun ouders, met de politiek en met elkaar. Daardoor hebben we minder sterke voorkeuren – en dus een minder sterke identiteit – ontwikkeld dan soms handig is in een samenleving waarin er ieder uur van de dag wel weer een nieuwe keuze moet worden gemaakt. Maar eerlijk gezegd ben ik wel blij dat ik nu leef, en niet zestig jaar geleden. Want als ik zou moeten kiezen tussen keuzestress of helemáál geen keuzes, zou ik geen moment hoeven twijfelen.