Steven Verseput

Berichten door Steven Verseput


Europa kent 27 navels. Ze zijn gefotografeerd

Het project ‘Overal thuis’ brengt alle middelpunten van de EU-landen in kaart, met het daarbij gelegen huis

Door Esther Kokmeijer
Esther Kokmeijer en Henrik Jan Haarink reizen naar de 27 landen van de Europese Unie. Zij leggen een maand lang het zwaartepunt, het hart van ieder land op foto vast.

Wanneer ik naar een landkaart kijk, zie ik landschappen. Bladerend door een atlas begeef ik me in gedachten tussen de gearceerde vlakken en fascinerende namen. Alle lijnen en kleuren symboliseren een eigen werkelijkheid. De vlakken vertegenwoordigen verschillende eigenschappen die weer gerelateerd zijn aan bepaalde landschappen en gevoelens. Het laat me dromen en wakkert mijn nieuwsgierigheid aan. Wat is daar en hoe zou het zijn om daar te verblijven? Een ondefinieerbare plek op een kaart kan zich ontvouwen als een paradijs. Het landschap zelf verbergt grenzen, coördinaten en meridianen. Deze orde van onzichtbare aanwezigheid intrigeert mij.

Een aantal jaar geleden heb ik een reis gemaakt naar het zwaartepunt van elk continent. Het was een reis van 15 maanden over 120.000 kilometer, door 46 landen en over 6 continenten. Het zwaartepunt, ook wel het geografisch middelpunt genoemd, is een feitelijk te benoemen en te berekenen plek. Het is het hart, de navel en de kern: de gemiddelde xy-coördinaat van een continent of land. Wanneer je een continent of land zou uitknippen en op een speld zou laten balanceren, heb je het zwaartepunt te pakken. Begin vorig jaar is over deze zwaartepunten en mijn reis ernaartoe het boek A Summary of the World verschenen.

De afgelopen 14 maanden heb ik samen met Henrik Jan Haarink een nieuwe reis gemaakt. In een Fiat 238 uit 1975 zijn we naar het zwaartepunt van de 27 landen van de Europese Unie gereden. Dit keer ging het niet alleen om de reis en het zwaartepunt. We zijn ook op bezoek geweest bij de mensen die het dichtst bij het exacte geografische midden wonen.

Het te bezoeken huis dat het dichtst bij het zwaartepunt ligt, stond vooraf vast; we maakten hierin zelf geen keuze. Het overzicht van alle 27 huizen met hun bewoner(s) vormt een doorsnede van de Europese Unie. In onze visie biedt dit inzicht in wat nu eigenlijk ‘thuis’ is in de verschillende culturen in Europa.

Omdat de door ons bezochte huizen in het exacte midden van hun land liggen – en dus gemiddeld het verst verwijderd van alle landsgrenzen – zou je kunnen stellen dat dit huis het minst wordt beïnvloed door andere culturen. Een huis dus dat het meest puur het land in kwestie vertegenwoordigt.

Met deze dwarsdoorsnede is elk land van de Europese Unie belicht. Maar dat bleek niet een beeld op te leveren dat ‘gemiddeld’ of ‘typisch’ was voor het land in kwestie. Keer op keer heeft het me verbaasd hoe trots mensen waren, toen ze van ons hoorden dat ze precies in het midden van hun land wonen. De glinstering in hun ogen zal ik nooit vergeten.

Met behulp van een GPS is het mogelijk het zwaartepunt tot op de meter nauwkeurig te bereiken. Juist het fysiek bereiken en ervaren van deze plekken, die alleen aan te duiden zijn met coördinaten, vind ik interessant. Het is een avontuur, een moderne ontdekkingsreis. Je weet van tevoren niet precies waar je terecht zult komen, of het haalbaar is de exacte plek te bereiken en wat er zich juist op die vierkante meter zal bevinden. Is het een keurig en zojuist gezaaid stukje landbouwgrond, een met bladeren bedekte vierkante meter bosgrond of zijn het rotsblokken die zich de plek hebben toegeëigend?

Na het bereiken van een zwaartepunt heb ik elke keer op de exacte vierkante meter een markering gemaakt met materialen die de natuur rond die plek voorhanden had. Een vierkante meter voelt aan als een menselijke maat; je kunt het vastpakken, eroverheen springen en er binnenin staan. Het omringt je zonder dat het verstikkend is. Bovendien is een meter het tienmiljoenste deel van de lengte van de meridiaan die van pool tot evenaar loopt.

Voor mij is het belangrijk dat de markering tijdelijk en vergankelijk is. Ik wilde niet ingrijpen in die plek, hem niet in bezit nemen maar alleen benoemen. Ik wilde de plek uitkaderen en isoleren van de omgeving, totdat regen, wind en zon er na enige tijd weer voor zorgen dat het zwaartepunt onzichtbaar in de natuur wordt opgenomen. Een niet zichtbaar middelpunt voor een moment belangrijk maken, daar ging het ons om.

Het formaat, de materialen, de tijd, de berekening en de omgeving gaan een relatie aan op deze specifieke plek. De plek ontvouwt zich niet, maar is altijd al daar. Het gaat in dit project over tijd en tegelijk over tijdelijkheid. Van het zwaartepunt zelf en de markering heb ik elke keer polaroids gemaakt. Een foto biedt de mogelijkheid van eindeloze reproductie. Een polaroid niet.

De foto’s, waarvan u in de rubriek Overal thuis op de pagina hiernaast de eerste ziet, zijn eenmalige momentopnamen.

Tot 27 september is een selectie van foto’s te zien van bewoners nabij de zwaartepunten op de expositie Boer zoekt stijl in het Designhuis in Eindhoven. In december 2009 verschijnt een boek over de reis en de zwaartepunten. www.overalthuis.eu www.estherkokmeijer.nl

    Als oma thuis is, rest alleen het sekshotel

    Door onze correspondent
    Marloes de Koning
    TIRANA, 15 juni.
    Ongetrouwd een relatie hebben moet in Albanië stiekem, want de eer van de familie is snel geschaad. In de steden floreren bijgevolg de sekshotels.

    De eerste twee maanden hield de vriendin van Julian, een ober van 23 uit Tirana, nog stand. Ze had liever geen seks, dan dat ze zich liet meetronen naar een van de talrijke sekshotelletjes in de stad. „Bang om andere stellen tegen te komen. Of dat haar familie erachter zou komen.” Daarna werd de nood te hoog, vertelt Julian met een serieus gezicht achterin een bar in de uitgaanswijk van de Albanese hoofdstad.

    Julian woont, zoals de meeste ongetrouwde Albanezen, bij zijn ouders. Het is er klein en zijn moeder is altijd thuis. De gedachte zijn vriendin mee naar huis te nemen en aan zijn ouders voor te stellen is onbestaanbaar, zolang ze nog geen trouwplannen hebben. Hij hoort het zijn moeder al zeggen: ‘mijn huis is geen hotel’. Het bleef twee jaar aan en kostte fortuinen. Altijd café of hotel in, nooit eens samen thuis voor de buis. Voor twee uur in een kamer betaal je tien euro. Een hele nacht kost twintig. De tengere Albanees somt op wat hij ervoor heeft laten staan: sigaretten, koffie, drank, benzine. „Als je relatie heel serieus wordt, kan het zijn dat je je auto moet verkopen.”

    In de hoofdstad hangt een bronstige sfeer. De bevolking is jong. Tirana groeit en moderniseert in hoog tempo. Geëmigreerde jongens cirkelen in grote auto’s met Italiaans kentekens in de zomerhitte rond de kroegen. De meerderheid van de bevolking is moslim, maar naar hoofddoeken moet je zoeken. Jonge vrouwen lopen op hakken en in uitdagende jurkjes of hotpants. In het openbaar gezoend wordt er vrijwel niet, want de sociale controle is groot en het gerucht dat een meisje geen maagd meer is schaadt de familie-eer. Uit de cocktail van maagdelijkheidscultus en geilheid is een bloeiende industrie ontstaan. Binnen iedere vriendenkring circuleren namen en recensies van goedkope hotels waar geen vragen worden gesteld. Stelletjes maken er massaal gebruik van.

    Hotel Agron ligt tegenover een park, langs de weg die de stad uit de bergen in voert. De muren zijn groengeel gestuct en de ramen geblindeerd. De parkeerplaats is ommuurd, waardoor de kentekens vanaf de weg slecht zichtbaar zijn. Een jong stel glipt gehaast de trap op zonder oogcontact te maken. De receptie is zonder opsmuk, twee jonge mannen geven zonder naar identificatie te vragen de sleutel van een kamer waar een schoonmaakster nog snel de lakens van het vorige liefdeskoppel weghaalt. Het matras lijkt van plastic, alsof hier vooral mensen logeren die nog niet zindelijk zijn. In de douche ligt een paarse plastic kam. Het zeepbakje heeft afdrukken van sigarettenpeuken. Op de gang klinkt het theatrale gesteun van een vrouw. Een ontbijtzaal is er niet. Wie wil blijven slapen wordt vreemd aangekeken en moet vooraf afrekenen.

    „Het is genant voor een meisje,” zegt Ana (21), een studente Duits in een korte broek en een open shirtje. „Er staat een vrouw achter de balie, die staart je aan. Je weet dat ze weet wat je komt doen.” Ze is ontmaagd in een motel, maar heeft sinds acht maanden een relatie met een jongen met eigen appartement. „Luxe.” Ze gokt dat zeker de helft van haar vriendinnen op motels is aangewezen. Het alternatief is de auto, het trappenhuis, of hun werkplek.

    „Onze traditie is aseksueel. Seks is een taboe onderwerp”, doceert Ilira Gjika, een oudere kinderarts die is uitgegroeid tot seksvraagbaak. „Dit is een patriarchale samenleving, waarin intimiteit alleen werd getoond in de beslotenheid van de echtelijke slaapkamer.” Het taboe gaat er volgens haar in hoog tempo af, maar bij gebrek aan goede voorbeelden vooralsnog op een heel ‘banale’ manier. Meisjes uit arme gezinnen gebruiken seks als ruilmiddel, maar om toch ‘maagd’ te blijven doen ze het anaal of laten zich weer dichtnaaien voor hun huwelijk. De gang naar seksmotels is voor sommigen weliswaar pure noodzaak, maar volgens Gjika ook meer dan in West-Europese landen gebaseerd op ongelijkheid. „Seksuele honger, met een dominante man waaraan een vrouw zich overgeeft.”

    De traditionele verhoudingen nopen tot creativiteit en geduld. „Het wachten is steeds op dat ene fantastische telefoontje: oma is de stad uit!”, vertelt journalist Ervin Quafmolla. „Mijn moeder weet dat ik vriendinnen heb. We hebben erover gepraat, maar ze zegt dat ze me niet kan toestaan iemand mee te nemen.” Hij steekt nog een sigaret op. „We houden het met z’n allen in stand. De enige die ervan profiteren zijn de hoteleigenaren.” Bevorderlijk voor een leuke relatie is het niet, verzucht hij. „Je kunt nooit eens ontspannen met elkaar uitslapen.”

      Citroen en zure augurken bij de koffie

      Carola Houtekamer
      Hester van Santen

      Suikerspinnen, slagroom, karamelijs. Er zijn zo veel lekkere zoete dingen dat je dat niet zonder enig schuldgevoel naar binnen kan werken.

      Er is hoop voor zoetekauwen. Zoete zilveruitjes, zoete karnemelk, zoete limoenen. En dat alles zonder gevaar voor afbrokkelend tandglazuur en uitdijende vetweefsel. Dat alles biedt de mirakelbes, in pilvorm op internet te koop. Wie één pilletje op zijn tong laat smelten, neemt daarna vrolijk een citroen bij de koffie.

      De mirakelbes (richadella dulcifica) groeit in West-Afrika. De wonderlijke werking van de op zichzelf smaakloze vrucht werd in de jaren zestig door de Westerse wetenschap ontdekt. Voor wie de vrucht eet, smaakt alles wat zuur is urenlang zoet. Destijds zagen voedingsonderzoekers hoe de lokale bevolking met smaak verzuurd maïsbrood at, met hulp van deze grote, rode bes. Er zijn op de wereld maar twee planten met dit effect – de andere groeit in Maleisië. Inmiddels zijn extracten van de mirakelbes lifestyleproducten geworden. Het schijnt dat er in – natuurlijk – New York Flavor Tripping Parties worden gehouden waar zure cocktails als chocolademelk naar binnen gaan.

      Onze mirakelbespillen arriveren per post. Op een dinsdagavond zetten we ons aan het diner om hun werking tot het uiterste te verkennen. Op het menu: appelkappertjes op een piramide van zure augurkjes; limoen op een bedje van citroen; en zuurkool, niet afgespoeld. Karnemelk, bloedsinaasappelsap en wijnazijn erbij.

      Als alles op tafel staat, laten we een pilletje smelten op onze tong. Vervolgens pakken we elk een kwart citroen, zetten onze tanden erin en eten hem in één hap op. Niet alleen blijven onze gezichten in de plooi, het is zelfs lekker.

      Citroen, limoen, en ook grapefruit worden van de mirakelbes precies zoetzuur genoeg. We happen ze weg alsof het mandarijnen zijn.

      Verder is het resultaat vrij afschuwelijk. De augurken krijgen een goedkope, weeïge bijsmaak. Het bloedsinaasappelsap wordt zoet als aanmaaklimonade. De wijnazijn en de karnemelk verliezen elk karakter. Na tien minuten beginnen we ons af te vragen of het effect nog zal verdwijnen.

      Moet dit de oplossing zijn voor vetzucht en tandbederf? Wetenschappers denken van wel. Er wordt al geëxperimenteerd met het inbouwen van mirakelbesgenen in sla, tomaten en aardbeien.

      Nog licht misselijk van de weeïge smaak vragen we ons af of dit een goed idee is. Waarom zou je zure dingen zoet maken? Naar koekjes en bonbons smaken de augurken niet, en zoete taartjes worden niet nóg zoeter.

      En bovendien: zure smaak is er niet voor niets. Als de werking van de bessen na een half uurtje eindelijk is verdwenen, schrijnt ons gehemelte. En trouwens: hele citroenen liggen niet goed op de maag.

      Bijzondere eigenschap
      Miraculine is een eiwit dat de mirakelbes zijn bijzondere eigenschap geeft. Het eiwet fopt de suikersmaakpapillen. Eet je iets zuurs (een pH-waarde van 3), dan nemen de smaakpapillen suiker waar. Zuur van citroenen, azijn of accuzuur, smaakt zoet. Het is zo krachtig, dat een gram citroenzuur, er drieduizend keer zo zoet door smaakt als een gram suiker.

        Dit is geen tijd voor twijfelaars

        Wie ‘zichzelf’ is, verkoopt zich het beste

        Door Rob Wijnberg
        Filosofen Stine Jensen en Rob Wijnberg onderzoeken in de serie ‘Dus ik ben’ de vraag: ‘Hoe definiëren wij onszelf’.
        Aflevering 1: De mens als zijn morele principes.

        „U draait.” CDA-lijsttrekker Jan Peter Balkenende had tijdens de verkiezingen in 2006 maar twee woorden nodig om zijn opponent Wouter Bos een verkiezingsnederlaag te bezorgen. Maandenlang lag de PvdA-leider riant voor op zijn tegenstanders – in mei stond hij virtueel zelfs op vijftig zetels. De beschuldiging van Balkenende dat Bos van mening was veranderd aangaande de versoepeling van het ontslagrecht, werd hem echter fataal. De week erop kelderde de PvdA in de peilingen liefst tien zetels. Niet Bos’ standpunt op zich bleek onacceptabel, wel dát hij van standpunt was veranderd: hij kwam te boek te staan als ‘zwak’ en ‘onbetrouwbaar’.

        Die stempels lijken in eerste instantie nogal rigoureus. Een politicus die van mening verandert is toch niet meteen slap of leugenachtig? Toch heeft deze reactie wel een logische verklaring. Die verklaring heeft alles te maken met de manier waarop mensen zichzelf – en anderen – definiëren. Of anders gezegd: heeft alles te maken met wat wij verstaan onder identiteit. Nu betekent identiteit in de meest strikte zin van het woord: ‘gelijk zijn aan’ of ‘samenvallen met’. Daarom noemen we twee dezelfde dingen ook identiek. De vraag naar de menselijke identiteit betekent dus in feite: waar valt een mens mee samen?

        Een van de meest wijdverspreide antwoorden op die vraag luidt: met zijn morele principes. Of simpeler geformuleerd: wat ik vind, is wie ik ben. Deze definitie van identiteit maakt dat wij iemand met sterke, consistente morele opvattingen beschouwen als een sterke en betrouwbare persoonlijkheid. Zo iemand laat zijn oordelen niet afhangen van de situatie of van anderen. Hij is, zegt men dan, altijd zichzelf. Het woord ‘zichzelf’ betekent hier dus eigenlijk principieel – iemand die volledig samenvalt met zijn morele wereldbeeld.

        Andersom geldt dat iemand die gemakkelijker van opvatting verandert, gezien wordt als een zwakke en onbetrouwbare persoonlijkheid. Men weet niet wie hij is, omdat men niet aan kan op wat hij vindt. Dat gebrek aan duidelijkheid kostte Wouter Bos in 2006 de verkiezingen en bezorgde de PvdA afgelopen maand wederom een fikse nederlaag tijdens de stemming over Europa.

        De PvdA-leider had dit kunnen voorzien. De mens als zijn principes is een definitie van identiteit die immers met name geldt voor politici. Zij definiëren zichzelf (en wij hen) expliciet in termen van hun denkwijze – liberaal, democraat of socialist. Hoe genuanceerder en twijfelachtiger een politicus zijn opvattingen uitdraagt, des te zwakker hij dus overkomt.

        Talkshows en actualiteitenrubrieken lijken tegenwoordig helemaal op deze definitie van identiteit geënt. Ze nodigen vooral mensen uit die het ‘goed doen op tv’, wat een andere manier is om te zeggen dat iemand eenduidige oneliners moet kunnen formuleren en situaties snel kan kenschetsen als ‘goed’ of ‘fout’. Wie hapert, twijfelt of genuanceerd en langdradig is, is geen geschikte ‘tv-persoonlijkheid’, heet het dan.

        Maar deze vorm van identiteit beperkt zich niet tot de politiek en media: veel mensen vereenzelvigen zichzelf met wat ze vinden. De extremere gevallen veruitwendigen die opvattingen ook: bij hen kun je aan het uiterlijk zien of iemand links (hippie), rechts (kakker) of juist anti-establishment (kraker) is. Hetzelfde gaat vaak op voor aanhangers van een godsdienst. Een moslim, christen of boeddhist definieert zichzelf bovenal als de verzameling opvattingen die zijn geloof omvat – en draagt dat ook duidelijk uit in zijn voorkomen.

        Hier geldt dan ook: hoe sterker het geloof, des te directer de relatie met iemands identiteit. Dat verklaart waarom orthodoxe godsdienstigen zich vaak snel gekwetst voelen door kritiek op hun geloof. Een aanval op hun opvattingen wordt ervaren als een aanval op hun persoon. Die relatie tussen persoon en geloof geldt voor mensen met zwakkere overtuigingen veel minder. Er zijn bijvoorbeeld weinigen die zichzelf expliciet definiëren als agnost of pragmatist en dat ook actief uitdragen. Kritiek op die denkwijzen zal daardoor minder snel persoonlijk worden opgevat.

        Nu lijkt deze definitie van identiteit zo vanzelfsprekend dat je zou denken dat ze altijd al gemeengoed is. Dat is echter niet het geval. Lange tijd werd, zoals bij de Oude Grieken, een persoon eerder gedefinieerd in termen van deugden. Iemand had een ‘sterk karakter’ als hij moedig, wijs en onbaatzuchtig was. Zijn morele principes speelden daarbij een rol, maar waren niet allesbepalend.

        De vraag was in ieder geval niet, zoals nu, of iemand qua morele opvattingen consistent was. Een mens werd namelijk niet uitsluitend als rationeel wezen gezien, maar eerder als een ‘bezield lichaam’, dat bestond uit twee even belangrijke delen: een rationele kant (het denken) en een irrationele kant (de verlangens). Beide kanten strijden voortdurend om voorrang en veroorzaken dus inconsistente wensen en opvattingen, zo luidde lange tijd de communis opinio.
        Pas vanaf de zeventiende eeuw kwam daar, met name in het Westen, verandering in. De Brit John Locke (1632-1704) was de eerste die expliciet een relatie legde tussen de menselijke identiteit en een ‘moreel agentschap’. Een persoon is, anders dan dieren en dingen, „eigenaar van zijn morele handelen”, stelde hij.

        Rond dezelfde tijd bracht de Franse filosoof René Descartes (1596-1650) een definitieve omslag teweeg in het denken over identiteit, door de mens volledig te ‘reduceren’ tot zijn redelijke vermogen. Middels een gedachte-experiment was Descartes tot de conclusie gekomen dat niets wat hij dacht onbetwijfelbaar was, behalve dan het denken zélf. Dit bracht hem tot zijn stelling: ik denk, dus ik ben. Hiermee vereenzelvigde Descartes de mens volledig met zijn ratio. Of anders gezegd: mens zijn werd gelijkgesteld aan rationeel zijn.

        Immanuel Kant (1724-1804) ten slotte bracht de theorieën van Locke en Descartes samen. Hij stelde, net als Locke, dat onze identiteit bestaat uit ons ‘vermogen tot moreel handelen’, maar voegde eraan toe dat een handeling alleen moreel is voor zover zij rationeel is. Dat wil zeggen: voor Kant is een moreel principe ‘waar’ als dat principe universeel is toe te passen: hij moet voor ieder redelijk wezen, in iedere omstandigheid, evenzeer opgaan.

        Daarom is moorden, stelen of liegen volgens Kant ook nooit te billijken. Getoetst aan de eis van universaliteit zou dat namelijk leiden tot rationele tegenspraak: als iederéén zou moorden, stelen of liegen, zou er geen leven, privébezit of waarheid meer zijn, en moorden, stelen of liegen dus logisch onmogelijk worden.

        Zo raakte identiteit verbonden met een universele moraal. Kant definieerde het begrip autonomie dan ook als het „rationele vermogen om jezelf te onderwerpen aan een universele wet”. Ergo: wie niet principieel handelt maar zijn beslissingen laat afhangen van toevallige omstandigheden of mogelijke gevolgen, is in Kantiaanse zin niet autonoom – of, vrij vertaald, niet altijd ‘zichzelf’.

        Deze ‘rationele ik’ is later hevig bekritiseerd maar niettemin nog altijd diepgeworteld in onze cultuur. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat politici die in universele waarden denken ‘daadkrachtiger’ worden gevonden dan hun pragmatische tegenhangers. Het is ook te zien aan ons onderwijs. In bijna de hele Westerse wereld kent het onderwijssysteem namelijk een horizontale structuur naar analogie van het rationalisme: hoe hoger het onderwijs wordt genoemd, des te meer het gericht is op het bovenste deel van ons lichaam – ons hoofd.

        Zo bevinden scholen die gericht zijn op het aanleren van praktische of lichamelijke vaardigheden (vmbo, kunstacademie, toneelschool) zich onderaan de pikorde (‘lager onderwijs’), terwijl academische instellingen die zich richten op het intellect (gymnasium, universiteit) het hoogst in aanzien staan (‘hoger onderwijs’). Hoezeer dat samenhangt met onze kijk op identiteit, blijkt hieruit: wanneer we spreken van zelfontplooiing doelen we meestal op de ontwikkeling van ons denkvermogen, niet op het leren dansen of timmeren.

        De frase ‘ik denk, dus ik ben’ heeft kortom grote invloed gehad op onze samenleving, politiek en zelfbeeld. In de huidige politiek is die invloed trouwens zichtbaarder dan ooit: principiële politici hebben duidelijk de electorale wind mee.

        Dat is niet verwonderlijk. In onzekere tijden, met moeilijk te beheersen ontwikkelingen als terrorisme, globalisering, klimaatverandering en de economische crisis, hebben veel burgers logischerwijs meer behoefte aan zekerheid, en dus aan stellige politici, met wie ze zich kunnen identificeren. Net als Descartes vragen kiezers nu ook weer om onweerlegbare (morele) grondslagen waarop zij hun identiteit kunnen baseren. Op die vraag zal vooral het politieke establishment dringend een antwoord moeten vinden. Het liefst een principiële.

        Plassen op het treinbalkon is ‘idioot’

        Alleen straf voor Oranjesupporter die conducteur mishandelde, niet voor wildplasser

        Door onze redacteur
        Pieter Kottman
        Amsterdam, 1 juli.
        Vrijspraak voor de treinplasser, straf voor zijn vriend die een conducteur sloeg. De beroepstermijn verliep gisteren. Maar NS komt nog met een civiele claim.
        De wc was op slot en hij wilde de trein niet missen. En er lag toch al rommel in de hoek, op ‘het balkon’. En toen had hij daar geplast. Nee, dat hoort niet, dat besefte hij.

        Veel woorden werden er niet aan vuil gemaakt, op 2 juni, aan het plassen in de trein, door politierechter Q.R.M Falger. Hoewel wat erna gebeurde misschien wel wegens dat plassen alle voorpagina’s haalde.
        Een hoofdconducteur in burger zag de man na de voetbalwedstrijd Nederland-Schotland, op 28 maart, in de trein plassen, zei daar wat van en werd toen door de plasser en een vriend het ziekenhuis in geslagen. Hij liep een gebroken sleutelbeen op, een tand door de lip, kneuzingen, een hersenschudding.

        De conducteur zou tot twee keer toe bewusteloos zijn geslagen, eerst op het perron van Amsterdam CS, om vervolgens de trein ingetrapt te worden, waar hij, opnieuw buiten westen was blijven liggen. Ter hoogte van Weesp had een onbekende aan de noodrem getrokken. Waarna de daders waren ingerekend.

        NS liet direct weten de daders financieel zo hard mogelijk te zullen aanpakken. „Alles wat maximaal haalbaar is”, zei een woordvoerder, doelend op de kosten van het ziekenhuis, van het ziekteverzuim, de reïntegratie, de inzet van ander personeel, van psychologische begeleiding en op smartengeld. Minister Camiel Eurlings (Verkeer, CDA) zei het incident „schandalig” te vinden en juichte het van harte toe dat de spoorwegen de schade „snoeihard” gingen verhalen.

        Maar twee weken geleden volgde vrijspraak, althans voor de 34-jarige plasser. Plassen in de trein stond niet in de dagvaarding. Zijn 35-jarige vriend werd wel veroordeeld, tot 120 uur taakstraf, of 60 uur cel met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaar. Ook werd hij veroordeeld tot betaling van een kleine 2.000 euro.

        Gisteren liep de beroepstermijn af. Justitie legt zich neer bij het vonnis.

        Frank van Seventer, de verdediger van de plasser, heeft daarmee gelijk gekregen. Hij betoogde op 2 juni dat zijn cliënt al was veroordeeld door de Volkskrant, Het Parool en deze krant, die berichtten dat de NS, naar aanleiding van het incident, had laten weten de schade van geweldpleging op de daders te verhalen. Van Seventer betoogde ook dat zijn cliënt hard gestraft was, doordat hij op staande voet ontslagen werd en in zijn woonplaats Delfzijl met de nek wordt aangekeken. En dat, hoewel hij zich niet aan de ten laste gelegde mishandeling had schuldig gemaakt. Want „duwen veronderstelt geen opzet”. Daar moest de officier „Knigge, de Hoge Raad, uit 2007” maar eens op naslaan.

        De zaak diende ‘slechts’ voor de politierechter, omdat het slachtoffer in burger was, en verdachten niet konden weten dat hij conducteur was. Molest van een conducteur geldt als verzwarende omstandigheid en valt onder de meervoudige kamer.

        Er was, zo bleek op de zitting, sprake geweest van twee incidenten. Stukje bij beetje werd er gereconstrueerd, met behoud van onduidelijkheden. De treinplasser werd als eerste ondervraagd. Hij had, net als de andere betrokkenen, „gedronken”. Tijdens het plassen was hij niet alleen aangesproken, maar ook vastgepakt, door „een kleine” (de conducteur, in oranje gekleed) en diens vriend, „de grote”. De laatste „had mij beet”, de eerste daarna ook, hij was bang geweest het perron opgeduwd te worden. Hij rukte zich los, volgens het dossier.

        „Hoe?”, vraagt de officier. Kan verdachte voordoen welke draai hij maakte? „Ik heb niet geduwd”, zegt deze. Integendeel, hij kreeg zelf een zet na, en liep vervolgens op het perron naar de wagon waar zijn vriend zat. Bij het raam maakte hij een gebaar, nee, niet om versterking te vragen, maar „om duidelijk te maken dat we de volgende trein moesten nemen”. Verder had hij niets gedaan.

        Dat was het eerste incident, daarna volgde het tweede.

        De vriend is aan de beurt om vragen te beantwoorden. Hij kwam naar buiten, zegt hij, en is vervolgens niet op „de kleine en die grote” afgestormd, zoals die beweerd hebben. Het was precies andersom. Uit noodweer heeft hij de kleine een duw gegeven (waardoor deze vanaf het perron tegen de paal in het midden van het beplaste balkon vloog, letsel opliep en buiten westen raakte) en, misschien, een stomp. Meer is het niet geweest.

        Aan het begin van de zitting vertelde hij een strafblad te hebben, wegens „rottigheid tussen 1997 en 2002”. Daarna had hij besloten „huisje, boompje, beestje” te willen.

        Aan de vervulling van die wens kwam een einde, op 28 maart, even voor middernacht. Het verweer van zijn verdediging – geen opzet, noodweer – wordt twee weken na de zitting verworpen. Slaan en stompen wordt niet bewezen geacht, maar op grond van het zwaar lichamelijk letsel van de conducteur moet er sprake zijn geweest van een „heel harde duw”.

        Dat de plasser geslagen heeft, acht de rechter niet bewezen. Het slachtoffer kan zich het ook niet herinneren. Dus wordt de verdachte vrijgesproken. „Maar”, zo voegt de rechter toe: „plassen in de trein is volledig idioot en het is volkomen terecht dat hij daarop is aangesproken.”

        Daarmee is de kous niet af. „Grote winst”, laat NS weten, „ is dat we in elk geval één veroordeelde hebben, op wie we de schade kunnen verhalen. Stel dat de conducteur nooit meer aan de slag kan, dan wordt het een enorme claim.” Of en hoe de vrijgesproken plasser kan worden aangesproken, bekijken de NS-juristen nog.