Berichten in de categorie ‘Economie’

‘We gebruiken ons geld niet zoals God het wil’

Kredietcrisis Topman zakenbank Lazard International over christelijk geloof, hebzucht en bankiers
Door Herman Amelink
Gaan God en Mammon samen? Zijn christelijk geloof en kapitalisme met elkaar te verenigen? Bankier Ken Costa vindt van wel. Hij schreef er een boek over. „Er is wanhopig behoefte aan wijze raad.”

Op tafel in de Industrieele Groote Club in Amsterdam liggen ze naast elkaar, zijn mobieltje en zijn – intensief gebruikte – bijbel. Ken Costa is bestuursvoorzitter van zakenbank Lazard International én voorzitter van Alpha International, een stichting die wereldwijd cursussen organiseert over het christelijk geloof. Hij vraagt even geduld, hij moet nog een paar telefoontjes plegen. „Dit zijn hectische dagen”, zegt hij, terwijl hij op verbinding wacht.
Ken Costa (58) is op terugreis uit Dubai, waar hij oliesjeiks advies gaf. Hij doet een dagje Nederland om de vertaling van zijn God at Work te promoten. Het boek gaat in op de dilemma’s waarmee een christelijke bankier wordt geconfronteerd. Hij noemt het ‘democratisch kapitalisme’ het systeem dat het best het algemeen belang dient én aansluit bij bijbelse noties over recht en vrijheid. Vindt hij dat na de huidige financiële crisis nog?
Costa: „In mijn boek laat ik ook merken dat ik ongelukkig ben met de excessen van het systeem. Bankiers en overheden zullen moeten evalueren wat er de afgelopen periode gebeurd is. Maar we moeten oppassen dat we hun alleen de schuld geven. Er waren veel mensen die geld leenden tot 120 procent van de waarde van hun huis. Zoiets is gewoon niet verstandig. We zagen de waarschuwingssignalen niet, die we wel hadden moeten zien. Ik geloof niet dat de markteconomie nu dood is. Ik denk wel dat ze een ernstige filosofische correctie heeft gekregen.”
Botst dit kapitalisme niet ten diepste met zijn christelijke overtuiging? Het Oude Testament kende het jubeljaar: alle grondbezit ging na 50 jaar terug naar de eerste eigenaars. De leden van de eerste christelijke gemeente hadden alles gemeenschappelijk.
Costa: „Dat jubeljaar heeft in de praktijk nooit gewerkt en het zou ook nu niet werken. Als je een eindpunt hebt waarop alles weer bij het oude wordt, dan investeer je niet meer. Dat betekent het einde van de economische groei. Als je een winkel huurt en je huurcontract loopt af, doe je geen nieuwe investeringen meer. Inderdaad, de eerste christenen gaven alles weg, maar dat kreeg geen vervolg. Het Nieuwe Testament legt ook nadruk op het gebruik van je talenten. In het bijbelboek Handelingen wordt ook verteld hoe vrouwen geld verdienden om daarmee het zendingswerk van Paulus te steunen. Bovendien, de Tien Geboden zeggen dat je niet mag stelen. Dat veronderstelt toch de waarde van bezit.”
Het christelijk ideaal is toch eigenlijk anders?
„Nee, dat vind ik niet. Het ideaal is de echte vreugde over wat God je geeft. Wat wij fout hebben gedaan is dat we ons bezit niet hebben gebruikt waarvoor God het ons gaf. Als het omgaan met je bezit helemaal zelfzuchtig wordt, dán mis je Gods bedoeling. Het moet ten dienste van de ander zijn. We zullen lessen moeten trekken uit deze periode. De heersende idee was dat de ongereguleerde krachten van de markt vanzelf het antwoord zouden geven op wat mensen verlangen in dit leven. En dat kan de markt niet. De markteconomie is een goede dienaar, maar een slechte meester. Je hebt een waardenstelsel nodig waarvan de markt de dienaar is, een stelsel dat belang hecht aan individuen en de voordelen benadrukt van de gemeenschap, een verantwoordelijk kapitalisme.”
Een bron van maatschappelijke ergernis zijn de excessieve bonussen die bankiers opstrijken.
„Een bonus mag nooit automatisch zijn en moet ook niet uitsluitend een monetaire basis hebben. Bij de toekenning van bonussen moet je een bredere context verdisconteren, zoals de kwaliteit van de dienstverlening aan de klanten, de manier waarop iemand met zijn collega’s omgaat en op de werkplek functioneert. In meer verlichte bedrijven wordt dat soort zaken meegenomen in de beoordeling van mensen. Grote opbrengsten die geen toegevoegde waarde betekenen rechtvaardigen geen bonussen.”
De bijbel noemt geldzucht de wortel van alle kwaad. Zijn er momenten dat u als christen-bankier denkt: geld stinkt, ik moet hiermee stoppen?
„Nee, nooit. God is, in de persoon van Jezus, de menselijke vuilheid op aarde komen delen om die weg te doen. Daar gaat het in het christelijk geloof om. Ik wil mensen zo goed mogelijk helpen, ik wil hun de beste adviezen geven en de beste oplossingen aanreiken. Wij zitten vol kennis, maar we komen wijsheid tekort. Er is echt wanhopige behoefte aan wijze raad.”
Geeft u als christen-bankier andere adviezen dan een niet-christen?
„Ik denk niet dat er christelijke en niet-christelijke adviezen bestaan. Er is een goed professioneel advies en dat ervaar ik als iets van God. God schiep mensen met verschillende deskundigheden en oordelen. Het is van belang geldkwesties niet als technische kwesties te zien, maar juist vanuit een breder perspectief.”
Maar hoe voorkom je dan dat je vuile handen maakt?
„Als je voor een bepaalde instelling gaat werken, dan moet je zeker weten dat de waarden van de instelling overeenkomen met die van jou. Ik ben blij te werken bij een zakenbank waarvan ik de waarden deel. Dat is het eerste. Maar daar komt nog iets bij: ethisch dubieuze adviezen hebben meestal ongunstige financiële consequenties.”
Dat maakt het wel makkelijk!
„Soms niet. De maffia verdient ook goed. Maar als je zorgvuldig opereert volgens een degelijke gedragscode, dan ben je beter beschermd tegen wat ethisch niet in de haak is.”
Het zijn hectische tijden. Geniet u er ook van?
„Het is intellectueel buitengewoon stimulerend. Nederland gaf ons de tulp, maar in de zeventiende eeuw ook de tulpenmanie. De gekte van toen is wel het meest verwante paradigma voor wat er nu speelt. Mensen speculeerden toen op winst die ze verwachtten van de toekomstige verkoop van tulpenbollen. Toen iedereen zijn aandelen dumpte stortte de markt in. Het is interessant te zien hoe de autoriteiten toen een markt stabiliseerden die oververhit was geraakt. Ze zorgden voor een vloer op basis waarvan weer een gedisciplineerde handel kon plaatshebben. Dezelfde kwestie speelt nu weer: wat is de intrinsieke waarde van iets wat is opgeblazen door ongecontroleerde en irrationele vraag?”
Vindt u dit een financiële crisis of moeten we inmiddels spreken van een systeemcrisis?
„Het is een financiële crisis, en ik hoop dat we een systeemcrisis hebben weten te vermijden. De snelle acties van de verschillende centrale banken en regeringen, inclusief de vroegtijdige en ingrijpende acties van de Nederlandse regering, hebben hopelijk een systeemcrisis voorkomen. Maar het is vooral een morele crisis, die te maken heeft met ondermijnd vertrouwen in een systeem dat in laatste instantie steunt op vertrouwen.”
Vorige week is de Nobelprijs voor economie toegekend. Is economie eigenlijk wel een wetenschap?
„Dat debat is al een eeuw oud. Eén ding is duidelijk: we kunnen de toekomst niet kennen. De econoom die beweert de toekomst te kennen verkoopt een nepprospectus. Het blijft giswerk, maar wel op basis van feitelijke analyse en aannames. Ik denk dat we van onze fouten leren, van de tulpencrisis en van de krach van 1929. Maar het moet duidelijk zijn: economie is geen profetie. Op basis van die economische geschiedenis hebben sommige economen waarschuwingssignalen gegeven. Misschien moet de volgende Nobelprijs maar worden toegekend aan degene die deze crisis het meest precies heeft voorspeld.”
Ken Costa, Carrière met God, uitgave Alpha Cursus Nederland en CMBC-Nederland, 160 blz., €16,95
Bankier Ken Costa: „Dit zijn intellectueel buitengewoon stimulerende tijden.”
Marxistische apartheidsbestrijder werd christen-bankier
Ken Costa werd in 1950 in Zuid-Afrika geboren. Hij studeerde van 1968 tot 1972 rechten en filosofie aan de Witwatersrand Universiteit in Johannesburg. Als voorzitter van de studentenbond voerde hij actie tegen de apartheid en koesterde enige jaren marxistische sympathieën. Van 1974 tot 1976 studeerde hij in het Verenigd Koninkrijki rechten en theologie aan Queen’s College, in Cambridge. Daarna trad hij in dienst van de bank SG Warburg, die in 1997 werd overgenomen door de zakenbanktak van de Zwitserse bank UBS. Vorig jaar werd Costa bestuursvoorzitter van Lazard International, de Britse tak van de Amerikaanse zakenbank Lazard, waarvan hij tevens vice-voorzitter werd. Costa is een geziene gast bij de Zweedse familie Wallenstein en de Zuid-Afrikaanse Oppenheimers. Hij is bestuurslid van Holy Trinity Brompton, een anglicaanse parochie in Londen. In 1987 deed hij voor de Conservatieven vergeefs een gooi naar een Lagerhuiszetel.

Rechter veroordeelt verkoop PCM aan Apax

Volgens de rechter hebben bestuurders en commissarissen van PCM wanbeleid gepleegd door   opkoopfonds Apax binnen te halen .

Door Jan Benjamin

Amsterdam.  Dertien maanden heeft de Ondernemingskamer nodig gehad om te komen tot een oordeel in de zogenoemde wanbeleidzaak bij PCM Uitgevers. Er was inderdaad sprake van een „gebrek aan behoorlijk ondernemingsbestuur” in de periode Apax, aldus plaatsvervangend raadsheer Huub Willems van de Ondernemingskamer. Het Britse opkoopfonds Apax, dat van 2004 tot zomer 2007 meerderheidsaandeelhouder was van PCM, heeft het kranten- en boekenbedrijf weinig gebracht.

Het oordeel van  de Ondernemingskamer, komt  laat. In dertien maanden is veel veranderd. PCM is PCM niet meer. Het bedrijf verkocht zijn educatieve boeken, werd overgenomen door het  BelgiDe Persgroep, nam zelf het AD over en stootte NRC Handelsblad en de algemene boeken af.

De uitspraak  is desalniettemin van belang. In de eerste plaats voor de medewerkers van het voormalige PCM. Zij zien bevestigd wat zij al dachten en wat de onderzoekers van de Ondernemingskamer in januari 2008 al schreven. De entree, het beleid en de exit van Apax verdienen op zijn zachtst gezegd geen schoonheidsprijs. De strategie van basisverbreding – PCM moest uitbreiden in aanpalende sectoren om minder afhankelijk te zijn van advertenties – mislukte.  De financieringsconstructie waarmee Apax aantrad bij PCM, verzwakte het bedrijf dusdanig dat van overnames en verbreding niets terecht kwam. Educatieve uitgeverij Malmberg en boekenuitgever VBK gingen aan de neus van PCM voorbij. Daarna voerde PCM volgens Willems „een zigzagbeleid”.

De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), die samen met FNV Kiem de procedure bij de Ondernemingskamer aanspande, is opgetogen.  „De Ondernemingskamer bevestigt ondubbelzinnig het oordeel van de onderzoekers dat sprake was van wanbeleid”, aldus Bianca Rootsaert, secretaris dagbladen bij de NVJ.
Nu Willems het verlenen van decharge aan raad van bestuur en raad van commissarissen in de jaren 2004 tot en met 2007 heeft vernietigd kunnen besluiten van de aandeelhoudersvergaderingen worden heroverwogen. Zo zou De Persgroep Nederland,  rechtsopvolger van PCM, kunnen besluiten om te proberen geld terug te krijgen van een aantal directieleden die vertrokken in de Apaxperiode. Bestuurders als Aan de Stegge en Alberdingk Thijm profiteerden van een aantrekkelijke managementparticipatieregeling. Aan de Stegge kreeg bij zijn vertrek 1,9 miljoen euro mee, Alberdingk Thijm bijna 1 miljoen euro. Advocaat Sprengers van NVJ en FNV Kiem zei vanochtend dat degenen die hebben geprofiteerd van de participatieregeling misschien niet in de eerste plaats juridisch maar zeker wel moreel verplicht zijn om na te denken of zij hun geld aan PCM moeten teruggeven.

In de derde plaats is de uitspraak in de PCM-zaak van belang voor nieuwe investeerders in met name bedrijven met een publiek profiel als dagbladondernemingen. Zij moeten niet alleen kijken naar hun eigen belang maar het belang van de vennootschap minstens even zwaar laten wegen.

Volgens Willems hadden de aandeelhoudende stichtingen van PCM, waaronder Stichting Democratie en Media, maar ook investeringsmaatschappij Apax moeten beseffen dat een managementparticipatieregeling veel kritiek zou geven binnen PCM. Willems noemt het verkeerd dat de regeling gekoppeld was aan de exitpremie van Apax in plaats van de resultaten van de onderneming. Zo was het belang van de directie niet direct het belang van het bedrijf. Dat Stichting Democratie en Media (SDM) Apax medio 2007 uitkocht voor een zeer hoge prijs (100 miljoen euro) en daardoor de premie voor participerende managers fors opjoeg, noemde Willems op zich geen reden voor wanbeleid.

De Persgroep laat weten dat het de uitspraak van de Ondernemingskamer de komende dagen gaat bestuderen.  Ook Stichting Democratie en Media (SDM) geeft  nog geen inhoudelijke reactie. Secretaris Aad Stoop stelt wel dat de Ondernemingskamer de verantwoordelijkheid voor het beleid „terecht legt bij directie en raad van commissarissen en niet bij de stichtingen”.

Bank gaat vooraf sparen voor faillissement

Het stelsel dat spaarders beschermt gaat veranderen. Banken gaan sparen voor een garantiefonds. De Consumentenbond vreest dat de klant moet betalen.

Door Heleen de Graaf
Amsterdam. Het voorkwam grote paniek tijdens de bankencrisis, maar het voldoet niet meer. Het depositogarantiestelsel (DGS), het stelsel dat de spaarder beschermt, gaat op de schop.

Nog voor het einde van het jaar komt het ministerie van Financiën met een voorstel voor een ander soort stelsel. De verandering zit in de wijze waarop het stelsel wordt gefinancierd. Banken krijgen nu de rekening in één keer achteraf als een rivaal failliet gaat, het ex-post systeem. In de toekomst gaan banken vooraf via jaarlijkse premiebetalingen ‘sparen’ om de kosten van een faillissement op te vangen, het zogeheten ex-ante systeem. Een aantal banken hoopt dat er ook een systeem komt waarbij er meer moet worden bijgedragen aan het fonds naarmate een bank meer risico neemt.

Het is de bedoeling dat de consument hiervan weinig merkt. Nog steeds krijgt hij 100.000 euro aan spaargeld terug mocht zijn bank failliet gaan. Maar de Consumentenbond vreest dat de klant indirect toch gaat betalen. „Wij willen dat het systeem blijft zoals het is”, zegt Carel van Vredenburch, beleidsadviseur financiën bij de Consumentenbond. „Het is de vraag of en hoe de consument beter af is in een nieuw systeem. Wij vrezen dat banken de premie die zij gaan betalen doorberekenen via lagere spaartarieven.”

Het ex-post DGS bestond lang zonder problemen. Er waren weinig banken die omvielen en als er een ging (Van der Hoop in 2005) functioneerde het DGS zoals het moest: de garantie dat het spaargeld tot een maximum bedrag werd terugbetaald voorkwam een bankrun. Met de financiële crisis veranderde alles. Het verdwijnen van Icesave en DSB kostte de Nederlandse banken miljoenen, zonder dat de omgevallen bank zelf een cent daaraan meebetaalde.

In het nieuwe systeem gaan alle banken jaarlijks een bijdrage storten in een fonds, al naar gelang hun marktaandeel op de spaarmarkt. Dit fonds moet in 10 tot 15 jaar een omvang hebben van circa 3,65 miljard euro, zo’n 1 procent van de nu uitstaande spaargelden. Het bedrag lijkt weinig, maar moet voldoende zijn om het faillissement van een kleinere bank op te vangen. Als één van de grote banken omvalt voldoet het DGS sowieso niet omdat de kosten dan zo hoog zijn dat alle banken in problemen komen. Als een grotere bank failliet gaat moet of het oude systeem de schade opvangen of de overheid moet inspringen zoals eerder bij de reddingsacties van ABN Amro, ING of SNS Reaal.

Het spaarfonds wordt beheerd door De Nederlandsche Bank die het zal beleggen in staatsobligaties die veilig worden geacht (Nederland en Duitsland) en die snel in contanten zijn om te zetten.

Dat er een ander systeem moet komen, daar zijn de partijen het wel over eens. „De kredietcrisis heeft de risico’s van het huidige systeem laten zien”, zegt Bouke de Vries, hoofd financiële sector onderzoek bij Rabobank. „Ex-post heeft jarenlang goed gefunctioneerd, maar er zit een moral hazardrisico in.” Daarmee doelt hij op risicovol gedrag van banken die hoge rentes aanbieden omdat ze weten dat er – mocht het fout gaan – een stelsel is dat het spaargeld ophoest. Hetzelfde gedrag kan spaarders worden aangerekend. Zij hoeven zich tot een bedrag van 100.000 geen zorgen te maken en kunnen, zonder te kijken naar het risicoprofiel, hun geld bij de hoogste bieder wegzetten.
Bij Rabobank, marktleider op de spaarmarkt, hopen ze dat de hoogte van de premie mede afhankelijk wordt van hoe risicovol een bank opereert en dat er wordt gekeken naar bijvoorbeeld de kapitaalspositie en kwaliteit van bezittingen.

Het is de vraag of en hoe dit gaat gebeuren. „Ik ben zelf ook wel voor een spaarfonds”, zegt universitair docent economie Tsjalle van der Burg van de Universiteit Twente. „En als de risico’s van een bank op een redelijke wijze kunnen worden ingeschat – wat voor mij bepaald niet zeker is, want het inschatten van die risico’s is zeer moeilijk – dan mag de premie voor het spaarfonds van mij ook risico-afhankelijk zijn.”  Ook Van Vredenburch van de Consumentenbond ziet een probleem. „Is een bank die nu 5 procent rente biedt risicovoller dan de bank met 2 procent? En wat als de rente stijgt naar 8 of 9 procent. Is een bank die dan 10 procent biedt een risico? Het is lastig om zo onderscheid te maken.” De Consumentenbond ziet nadelen voor de consument. „Als een bank in problemen komt gaat de premie omhoog waardoor ze een minder hoge rente kunnen aanbieden. Hierdoor trekken ze weer minder geld aan. Het kan een sneeuwbaleffect veroorzaken.”

Ondanks deze bezwaren komt het ex-ante DGS er. Het ministerie kijkt naar geen ander systeem, ook al omdat veel Europese landen eenzelfde soort DGS hebben. Binnen de Europese Unie wordt er gesproken over het opzetten van één DGS voor de hele EU, maar het is onduidelijk wanneer dit er komt. Brussel stelde deze week voor om tot die tijd nationale bankenfondsen in te stellen waarin via een bankheffing een potje wordt gemaakt om faillissementen ordentelijk af te handelen.

Dat potje is niet bedoelt om de spaarders te vergoeden. Dat blijft voorlopig nationaal geregeld en blijft, omdat het Europees is afgesproken, ook staan op de som van 100.000 euro. De kans is klein dat dit de komende jaren wordt verlaagd omdat het onrust met zich mee zou brengen. Een verlaging van het bedrag – dat in Nederland voor de crisis op een kleine 40.000 euro stond – zou volgens De Vries van Rabo op den duur wel kunnen. Hij denkt aan 50.000 euro.

Het plan van universitair docent Van der Burg gaat verder. Volgens hem zou er alleen volledige garantie moeten komen voor de eerste 10.000 euro. Voor het spaargeld tussen 10.000 en 100.000 euro zou een percentage gegarandeerd zijn van zeg 10 procent, zo nodig met garantie de overheid. Diezelfde overheid krijgt het recht om in een vroeg stadium bij een probleembank een ‘crisisregime’ instellen waardoor de bank een spaarder niet meer geld mag teruggeven  dan het gegarandeerde bedrag. Het crisisregime wordt opgeheven als de problemen zijn opgelost waarna de spaarder zijn hele inleg terugkrijgt.

Van der Burg ziet een voordeel in dit  plan omdat de spaarder bij een faillissement het niet gegarandeerde deel van zijn inleg niet terugkrijgt. „Het  risico voor de spaarder is dan een stimulans om bij een betrouwbare bank te gaan sparen. Daardoor gaat er minder geld naar minder betrouwbare banken”, zegt hij.

Pas op: Spanje valt bijna om

De werkloosheid blijft dalen, prijzen en lonen zijn te hard gestegen

Spanje kan de volgende dominosteen zijn die – na Griekenland – omvalt.
Inmiddels heeft een op de vijf Spanjaarden geen werk. En dat wordt niet snel beter.

Door Merijn de Waal

Barcelona. Bijna elke werkdag gaat Beatriz Mera naar het filiaal van haar bank in het centrum van Barcelona. Met een map vol documenten meldt de Spaanse zich aan de balie. „Dan ga ik uitleg vragen, zeuren, klagen. Totdat ze me wegsturen”, zo vertelt Mera (30) in een bar om de hoek. „Ik heb nu eenmaal niet veel andere opties meer dan een lastpak te zijn.”

Mera pakt haar map en spreidt de documenten en formulieren voor zich uit. Ze tonen hoe zij en haar partner zich tijdens de economische boom diep in de schulden staken. Naast twee hypotheken sloten ze ook een ‘verzekering’ af, die een risicovol financieel product bleek te zijn: de reden dat ze nu ruzie heeft met de bank. „Sinds anderhalf jaar moeten we maandelijks 2.000 euro aflossen. Dat geld hebben we gewoonweg niet. En de komende jaren ook niet.”

Beatriz Mera’s zorgen zijn exemplarisch voor de hele Spaanse economie. De hoge particuliere schuldenlast – in totaal staan Spaanse consumenten voor 1.000 miljard euro rood – en de slechte arbeidsmarkt houden de terugkeer van de groei al twee jaar tegen. Deze week kwam de vierde economie van de eurozone hierdoor in beeld als de volgende dominosteen die – na Griekenland en eventueel Portugal – zou kunnen omvallen. Of de ongerustheid van de markten nu terecht is, of het gevolg van speculatie tegen de euro: ze dwingen het land economisch nog verder in het defensief.

Vorige week kwam er meer slecht nieuws uit Madrid: de werkloosheid is opgelopen tot 20 procent. Spanje telt nu 4,6 miljoen werklozen (voor de crisis ruim 2 miljoen). De kansen om snel weer werk te vinden zijn beperkt. Zelfs volgens de meest optimistische prognoses daalt de werkloosheid de komende jaren hooguit een paar procentpunt.

Diepere oorzaak is een structureel verlies aan concurrentiekracht sinds invoering van de euro. Prijzen en lonen zijn te hard gestegen, terwijl de productiviteit niet evenredig toenam. Economen als Paul Krugman hebben het land daarom geadviseerd de lonen met 10 procent te laten dalen en zo snel weer concurrerend te worden.

Maar al komt Spanje door de Griekse schuldencrisis nu steeds verder in de problemen, het maatschappelijke draagvlak of de politieke ruimte voor zo’n forse ingreep is er nog lang niet.

„De suggestie van Krugman had kunnen worden opgevolgd, als we in de negentiende eeuw hadden geleefd of als Spanje een Aziatisch land was geweest”, zegt Angel Laborda, analist van de vooraanstaande denktank Funcas en economisch columnist van de krant El País. „Maar ons systeem heeft die flexibiliteit nu eenmaal niet.”

Wel heeft de crisis bij de regering het inzicht doen ontstaan dat een hervorming van de arbeidsmarkt hard nodig is. Maatregelen zijn nodig om een eventueel herstel aan te moedigen, maar vooral om een soortgelijk massaal banenverlies bij een volgende crisis te voorkomen. Economen zijn redelijk eensgezind dat hiertoe vooral het uitzonderlijk hoge aantal tijdelijke contracten moet worden aangepakt.

Vooral jongeren kwamen de afgelopen jaren moeilijk aan een vaste baan. Zij zijn dan ook massaal op straat komen te staan: van de Spanjaarden tot 25 jaar is ruim 43 procent werkloos.

Een van de hervormingsvoorstellen die nu circuleren is om een contractvorm te stimuleren met een soberdere ontslagregeling. Vooralsnog stuit dit op verzet van de vakbonden. De ‘sociale dialoog’ die zij voeren met regering en werkgevers had eigenlijk eind deze maand een pact moet opleveren, maar dat doel zal niet gehaald worden. Dat is een tegenslag voor de regering van premier Zapatero. Hij zou een akkoord zeer goed kunnen gebruiken als bewijs voor de nerveuze internationale geldmarkten dat Spanje de crisis voortvarend aanpakt.

De druk van buiten op Spanje lijkt daarmee groter dan die van de door de crisis getroffen jongeren zelf. Zo zijn er genoeg te vinden die een paar maanden in de WW verwelkomen als een fijne afwisseling. „Ik vind het niet zo erg, die tijdelijk contracten. Ze leveren je nog eens lange vakantie op”, grapt de 25-jarige Lena, die ’s middags met wat vrienden op straat een biertje drinkt in de oude visserswijk van Barcelona.
„En als je werkelijk werk nodig hebt, is er echt wel wat te vinden”, vindt haar vriend Israel, die uit Colombia komt. „Het probleem is alleen dat veel Spanjaarden hun neus ervoor ophalen. Niemand hoeft hier om te komen van de honger.”

Bovendien kunnen veel werklozen terugvallen op het zogenoemde ‘familiematras’. Deze steun van ouders en andere familieleden haalt vooral voor veel jonge Spanjaarden de scherpste randjes van de crisis. Zo weet Beatriz Mera met steun van haar ouders en schoonouders alle bankschulden vooralsnog af te betalen. „Ze schoten al voor dertigduizend euro bij.”

In deze tijden van crisis kan solidariteit dan ook beter binnen de familie worden geregeld dan binnen de maatschappij, zegt Mera. Zij ziet het nut niet in van een goedkoper ontslag voor vaste werknemers ten gunste van jonge werknemers. „Dan verliezen alleen maar meer mensen hun baan. En mensen van vijftig, zestig komen nooit meer aan het werk. Terwijl zij misschien wel een gezin moeten onderhouden.”
Veel werklozen kunnen terugvallen op het zogenoemde ‘familiematras’

Je wilt een vast contract

  • Economen zijn redelijk eensgezind dat het uitzonderlijk hoge aantal tijdelijke contracten moet worden aangepakt in Spanje.
  • Met 30 procent van de bevolking zonder vast dienstverband is het land de Europees kampioen in tijdelijk werk.
  • Dit is mede het gevolg van de angst die veel Spaanse werkgevers hebben om contracten voor onbetaalde tijd af te sluiten.
  • Die angst heeft te maken met het feit dat vaste werknemers zo goed beschermd zijn, dat ze alleen na een lange rechtszaak en met hoge kosten ontslagen kunnen worden.
  • Spanje telt momenteel 4,6 miljoen werklozen. En van de mensen tot 25 jaar is nu ruim 43 procent werkloos.

De werkwijze van horecabaas Sjoerd Kooistra is en blijft simpel

Hij maakt een concept, verpacht het, draait zich om en bemoeit zich er niet meer mee. Zegt hij.

Brouwerijen en andere toeleveranciers zeggen nog geld van hem te krijgen.
Volgens hen goochelt Sjoerd Kooistra met vennootschappen.

Door Tom Kreling

Amsterdam. Brouwerij Heineken eiste geld van hem en heeft onlangs een paar zaken in Amsterdam ontruimd. Brouwerij InBev meent nog geld tegoed te hebben en heeft een dagvaarding gestuurd. En koffieleverancier Smit & Dorlas vroeg zijn faillissement aan omdat hij zijn rekeningen niet zou hebben betaald.

„Ik heb het maar even over me heen laten komen de afgelopen weken. Maar nu is het mijn beurt”, zegt horecaondernemer Sjoerd Kooistra.

Leuk? Nee, zo wil hij juridische procedures niet noemen.

Maar een hekel heeft Kooistra er ook niet aan. Dus heeft hij naar eigen zeggen „alle laden losgetrokken” om te kijken wat voor contracten er allemaal nog lagen met Heineken. „En toen heb ik gekeken wat ik allemaal nog van Heineken te vorderen heb. Ik krijg meer van hen dan andersom.” Gisteren zijn de dagvaardingen naar brouwerij Heineken opgestuurd.

En het conflict met InBev? „Dat is gewoon allemaal keurig betaald.” Net als de koffieleverancier? „Dat is ook geregeld. Allemaal misverstanden.”

De afgelopen jaren was het stil rond Sjoerd Kooistra. Soms was hij even in het nieuws. Hij kocht in de ene plaats kroegen. Verkocht er wat in een andere plaats. Stapte van de ene brouwerij over naar de andere brouwerij omdat hij er goedkoper uit was.
In 2004 raakte de ondernemer in opspraak nadat veel van zijn zaken in Amsterdam, zoals het bekende restaurant de Oesterbar, failliet waren gegaan.

De gemeente Amsterdam stelde een onderzoek in. Aan de onderzoekers legde de Groningse ondernemer toen in één zin zijn werkwijze uit. „Ik maak een concept, dat verpacht ik, ik draai me om en bemoei me er niet meer mee.”

De gemeente concludeerde na onderzoek dat er een vast patroon was bij de faillissementen van Kooistra’s zaken. Feitelijk voerde hij de regie over de zaken die hij verpachtte en die failliet gingen, stond in het rapport. Volgens de gemeente waren alle kenmerken van faillissementsfraude aanwezig. De pachters betaalden wel altijd de hoge pachtsom aan Kooistra, maar anderen, zoals leveranciers, UWV en de fiscus, kregen hun geld niet.

Kooistra hield vol dat hij nergens van wist. Ja, pachters van hem gingen failliet. Dat kon gebeuren, maar daar had hij toch niets mee te maken? Ja, hij vangt van bijna alle pachters 30 procent van de omzet. En ja, sommige pachters pachtten direct na een faillissement met een nieuwe vennootschap opnieuw een horecazaak bij hem. Mocht hij mensen geen tweede kans geven? Het Openbaar Ministerie stelde vervolgens ook een onderzoek in naar de werkwijze van Kooistra. Ze keken of er sprake was van faillissementsfraude. Uiteindelijk werd Kooistra niet vervolgd wegens gebrek aan bewijs.

Nog steeds zegt Kooistra dat zijn werkwijze heel eenvoudig en ongewijzigd is, al meer dan 25 jaar. Hij richt een zaak en verpacht die. Klinkt simpel, maar volgens schuldeisers zoals Heineken goochelt Kooistra met allerlei vennootschappen waardoor niet meer duidelijk is wie waar voor verantwoordelijk is. De brouwerij huurt panden van Kooistra en verhuurt die vervolgens weer door aan de pachters van Kooistra. Heineken zegt nog miljoenen aan achterstallige huur tegoed te hebben. Kooistra zegt dat hij daar niets mee te maken heeft. Ze moeten bij de pachters zijn.

Bij Heineken geloven ze het inmiddels wel. De woordvoerder heeft geen zin om op alle vorderingen in te gaan die Kooistra zelf meent te hebben. De vennootschappen van de pachters waarvan Kooistra zegt dat hij er juridisch niets mee te maken heeft, behoren voor Heineken gewoon tot het „netwerk-Kooistra”. Vaak gaat het om pachters met wie Kooistra al jaren werkt. Van sommige vennootschappen is zijn nichtje directeur. En soms is Kooistra zelf in het verleden directeur geweest van een van de vennootschappen.

De woordvoerder van Heineken zegt dat „Kooistra met zijn netwerk gewoon de huur moet betalen”. Volgens Heineken is Kooistra bezig met het „opwerpen van mist, aanhalen van irrelevante zaken en het initiëren van een onoverzichtelijke hoeveelheid vennootschappen”. Maar één ding is volgens de woordvoerder duidelijk: „Er moet gewoon worden betaald. Wij gaan door tot we de centen hebben waar we, ook volgens de rechter, recht op hebben.” Brouwerij Heineken heeft vorige week maar vast beslag gelegd op de inventaris van drie huizen van Kooistra.

Maar nu heeft Kooistra, zoals hij het zelf zegt, nog wat „oude vorderingen” opgediept. „Huur die ik nog krijg en een bonuskorting voor de afgenomen hoeveelheid bier. Dat komt wel een keer, dacht ik altijd, maar nu zij met juridische procedures beginnen, is het tijd om af te rekenen.” In totaal meent Kooistra nog meer dan 8 miljoen euro van Heineken te krijgen.

Of de brouwer en Kooistra na al deze juridische gevechten nog verder zaken zullen doen? Geen probleem, zegt Kooistra. „En we moeten wel. We zijn tot elkaar veroordeeld. En ik ben ook helemaal niet boos op ze, hoor.” De woordvoerder van Heineken wil er weinig over zeggen. „Als ze een bestelling betalen, leveren we.”

Hysterische film, zonder blanken, over kindsoldaten

Coen van Zwol
dvd
Johnny Mad Dog
Regie Jean-Stéphane Sauvaire ****
Draait het om Afrikaanse kindsoldaten, dan is een blanke hoofdrolspeler kennelijk noodzaak: Marco Borsato in Wit Licht, Leonardo DiCaprio in Blood Diamond. Maar blanken ontbreken volledig in de voortreffelijke Franse film Johnny Mad Dog, waarin een peloton kindsoldaten een bloedig spoor trekt door een West-Afrikaans land in burgeroorlog. Zeg maar Liberia, waar de film werd opgenomen. Al in de eerste scène wordt een verse rekruut, net als in Wit Licht, terloops gedwongen zijn vader dood te schieten. „Dat moest ik ook doen”, schreeuwt een kindsoldaatje: iets anders dan schreeuwen, dreigen of snauwen doen ze niet. Een jochie past intussen een trouwjurk, zijn uniform voor de rest van de oorlog. Het valt nauwelijks op tussen de pruiken, bromfietshelmen en engelenvleugeltjes. Volwassenen om de soldaatjes in toom te houden zijn er niet: ‘generaal’ Never Die maakt hen met kippenbloed onkwetsbaar voor kogels en blaft zijn orders verder door een walkietalkie. Het peloton onder Johnny Mad Dog, misschien ooit een aardige jongen, moordt, verkracht en plundert helemaal vanuit zichzelf. Vooral ouderen lijden in deze kinderkruistocht. Zoals de bejaarde intellectuelen die in het openbaar seks moeten hebben. „Jullie met je boeken, je tijd is voorbij.” Soms is er even een glimp van kinderlijk sentiment, maar steevast misplaatst: zo vat de kleine psychopaat No Good Advice liefde op voor een varkentje. Johnny Mad Dog is een harde, epische film. De zinloze cyclus van een Afrikaanse burgeroorlog: generaal Never Die schopt het tot korporaal in het nieuwe regeringsleger en de kinderen moeten dan opdonderen. Weg wapen, weg macht. Met pulserende montage en een soundtrack van rap, noise en tribale muziek dendert de film tot dat punt van chaos via paniek naar pandemonium. Een hysterische film, beter heb ik kindsoldaatjes nog niet in beeld gezien.

Dadelijk kun je weer wapperen met polaroidfoto’s

Door Annette Toonen

Enschede. Het bedrijf Impossible brengt een nieuwe directklaarfilm op de markt. Een geliefd product bij onder meer kunstenaars en reclamemakers.

Opgeteld hebben ze meer dan driehonderd jaar bij het vorig jaar gesloten Polaroid in Enschede gewerkt. Het gaat om de tien oud-werknemers die met een nieuw bedrijf, Impossible genaamd, de schouders zetten onder de ontwikkeling van instantfilms die kunnen worden gebruikt voor de directklaarcamera’s van Polaroid.

Neem Nico Dikken, oud-secretaris van de ondernemingsraad. Hij werkte 35 jaar bij Polaroid in Enschede. Of chemicus Martin Steinmeijer. Hij werkte er 23 jaar. Of operationeel manager Dick Koopmans. Hij stond 30 jaar op de loonlijst. Alle personeelsleden die bij Impossible aan de slag zijn gegaan, zijn ouder dan vijftig jaar. Maar de uitdaging waar ze voor staan, maakt van hen weer „jonge honden”, zeggen ze zelf. „De laatste periode bij Polaroid was er een van afbouw en ontmanteling, nu bouwen we weer iets op. Dat is leuk.”

Impossible heeft een deel van de machines van Polaroid overgenomen en huurt een van de voormalige fabrieksgebouwen in Enschede. Hier werden tot juni 2008 films (packs genoemd) geproduceerd voor de directklaarcamera’s van Polaroid, waarvan er wereldwijd miljoenen zijn verkocht. In de foto zelf voltrok zich het chemische ontwikkelproces. In de hoogtijdagen, begin jaren 90 van de vorige eeuw, werkten bij Polaroid in Enschede meer dan 1200 mensen. Tussen 1965 en 2008 zijn er anderhalf miljard packs uit de machines gerold.

Onder invloed van de opkomst van de digitale fotografie nam de behoefte aan de films wereldwijd af. De productie werd afgebouwd. Reorganisatie op reorganisatie volgde. Al jaren werd „een zachte landing” voorbereid, beschrijven oud-werknemers. Fabrieken in de Verenigde Staten en Mexico moesten sluiten, in juni 2008 ging ook het bedrijf in Nederland dicht. Het fabrieksterrein oogt nog steeds verlaten. Er staan slechts enkele auto’s, er is geen portier, geen secretaresse.

Maar in een van de gebouwen proberen elf mannen mogelijk te maken wat door Polaroid als onmogelijk wordt beschouwd. Vandaar de naam Impossible. „Grappig detail” is dat oprichter Edwin Land van Polaroid ook altijd uitdaging zag in het bijna onmogelijke, volgens Koopmans. Oud-werknemer van Polaroid, André Bosman, de huidige algemeen directeur, en ondernemer Florian Kaps, directeur marketing van Impossible, geloven heilig in de levensvatbaarheid van de directklaarfilm. Productie op kleine schaal moet haalbaar zijn, is hun visie.

De directklaarfilm is een geliefd product bij kunstenaars, reclamemakers en andere „creatievelingen”. Kaps, die via zijn website packs te koop aanbiedt, merkt hoe groot de vraag nog altijd is. „Het is een magisch product. De foto komt meteen op. Hij wordt ontwikkeld terwijl je hem vasthoudt. En terwijl het beeld opkomt, kun je het nog manipuleren, door er bijvoorbeeld in te krassen. Dat maakt het product voor kunstenaars aantrekkelijk. Bovendien is elke foto uniek. Je kunt niet nog een afdruk maken”, vertelt Koopmans.

Een van die kunstenaars is Polaroid-fotograaf en -docent David van ’t Veen uit Enschede. Hij noemt het „super” dat de productie wordt hervat, hoewel hij zelf meer behoefte heeft aan grotere directklaarfilms. „Die kleintjes zijn wel leuk, maar te klein om aan de muur te hangen.” Zijn werk ligt min of meer stil sinds de films niet meer worden gemaakt. „Ik heb geen zin in digitale fotografie. Iedereen kan nu een foto maken, en die bewerken tot het wat lijkt.”

Probleem bij het opstarten van de productie, is dat veel onderdelen van de packs moeilijk te krijgen zijn. Er is niemand meer die het papier of de batterijen maakt zoals ze in de oude packs werden gebruikt. Die kwamen uit de eigen fabrieken met eigen machines die niet meer bestaan, volgens Koopmans.

Het is aan de elf werknemers van Impossible om oplossingen te zoeken. Ze moeten een negatief (niet te verwarren met 35mm-film), een ontwikkelaar, een positief en een batterij vinden met vergelijkbare eigenschappen. „Eigenlijk moeten we het product helemaal opnieuw ontwikkelen.”

Een pack bestaat uit een platte batterij, een soort platte veer, en tien foto’s. Die foto’s zijn opgebouwd uit een negatief en een positief. Daartussen zit ruimte voor de ontwikkelaar, een soort pasta die uit een zakje aan de onderkant van het frame wordt gedrukt. Polaroid heeft inmiddels wel een printertje (PoGo) op de markt gebracht, waarmee je direct foto’s kunt printen, maar dat is toch anders dan een directklaarfoto, vindt Koopmans.

Impossible hoopt in het eerste kwartaal van 2010 met de productie te kunnen beginnen. „We leven naar dat moment toe”, zegt Koopmans. In eerste instantie hoopt Impossible een miljoen packs per jaar te kunnen maken. „We willen groeien naar 10 miljoen packs per jaar.” Camera’s worden sinds 2006 niet meer gemaakt. „Er zijn er wereldwijd nog heel veel in gebruik. Onderdelen zijn nog steeds verkrijgbaar. Dus dat is voorlopig geen probleem.”

 

‘Het voelt genant als je werkloos bent’

Betaald werk hebben maakt gelukkig. Dat concludeert socioloog Patricia van Echtelt van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in een onderzoek dat gisteren verscheen.

Door Patricia Veldhuis

Rotterdam. Van Echtelt vergeleek het welbevinden van werkenden en niet-werkenden in 1995 en in 2007. Conclusie: de kloof tussen werkenden en niet-werkenden is de afgelopen jaren groter geworden.

 Werkenden zijn steeds gelukkiger geworden, terwijl werklozen somberder werden. Hoe kan dat?
„Aan de ene kant omdat de samenstelling van de onderzochte groepen is veranderd. De gemiddelde leeftijd van werklozen is hoger geworden en ze zijn, door de strengere regels rondom arbeidsongeschiktheid, ook iets ongezonder. Een tweede verklaring is dat arbeid in onze samenleving steeds belangrijker is geworden. Dus als je niet werkt, is dat nu veel vervelender dan een paar jaar geleden.”

 Hoe verklaart u dat?
„We zijn meer gaan werken. De arbeidsparticipatie is de afgelopen jaren flink toegenomen. In 1985 werkten we gemiddeld 17 uur per week, in  2005 was dat 23 uur. Dat is bijna een hele werkdag meer. Dat komt vooral omdat meer vrouwen en ouderen zijn gaan werken. Niet-werkenden zijn steeds meer de uitzondering. Als jij om wat voor reden ook niet mee kunt doen op de arbeidsmarkt, voel je je meer dan vroeger buitengesloten.

„In mijn onderzoek haal ik de Franse filosoof Alain de Botton aan. In zijn boek Ode aan de arbeid  zegt hij dat mensen tegenwoordig niet meer als eerste aan iemand vragen waar hij vandaan komt en wie zijn ouders zijn, maar de eerste vraag is: wat doe je? Werk is bepalend voor je identiteit.”

Schamen werklozen zich meer dan vroeger dat ze geen baan hebben ?
„Dat denk ik wel. Zodra er van jou verwacht wordt dat je werkt, is het genant om te vertellen dat dat niet zo is. Je kunt op een feestje beter zeggen dat je gepensioneerd bent, dan werkloos. Je ziet daardoor ook eufemismen opduiken: mensen zijn niet werkloos, maar ‘in between jobs’. Dat klinkt beter.”

Tijdens een economische crisis zou je verwachten dat die schaamte verdwijnt. De werkloosheid stijgt, dus het is niet meer uitzonderlijk om geen baan te hebben. Zag u dat terug in de cijfers?
 „Het zou kunnen zijn dat werklozen hun situatie beter kunnen relativeren tijdens een crisis. Het heeft een verzachtende werking. Ze denken: het kan de beste overkomen, het ligt niet aan mij. In de jaren tachtig zag je die houding heel sterk: elk bedrijf kan failliet gaan en je hebt stomme pech als jij een van de mensen bent die op straat komt te staan. Tegelijkertijd zien we dat niet-werkenden in crisistijd minder vertrouwen hebben in de toekomst: het is dan immers nog moeilijker om weer aan een baan te komen. Uit eerder onderzoek van het SCP blijkt dat werklozen tijdens een crisis per saldo minder gelukkig zijn.”

 In uw onderzoek valt op hoe lethargisch veel werklozen zijn. Eén op de drie had in de afgelopen vier weken geen moeite gedaan om een baan te vinden.
„Dat vond ik ook opmerkelijk. Je zou daaruit kunnen concluderen dat ze het prima vinden om werkloos te zijn, maar dat blijkt toch niet zo te zijn. Ze wíllen wel degelijk werken. Volgens mij is er vooral sprake van een gedragsprobleem: ze kunnen zich er niet toe zetten. Als werkloze heb je zeeën van tijd, maar dat kan een verlammend effect hebben. Sommigen gaan dingen dan heel langzaam doen. Van het UWV horen ze: kom over een maand maar terug. Dan denken ze: dan kan ik die sollicitatiebrief morgen ook schrijven, of volgende week. De prikkel om aan de slag te gaan, ontbreekt.”

 Hoe kunnen werklozen uit die negatieve spiraal komen?
Idealiter zouden ze veel intensiever begeleid moeten worden door het UWV of door de gemeente bij het zoeken naar werk.”

Het UWV maakte vorige week juist bekend dat hun geld voor externe reïntegratietrajecten voor 2010 al bijna op is.
„Dat maakt het wel lastig. Want als je wilt dat mensen snel weer werken en zich minder somber voelen, moet je ze meer prikkelen om bezig te blijven.”

‘Technologie voor omschakeling is er al’

Door Marcel aan de Brugh

Milieuwerkgroepen van zes politieke partijen hebben elkaar gevonden in een ambitie om alle energie in Nederland in 2050 duurzaam te maken.

Nijmegen. Een Noordzee vol met windmolens. Snelwegen met alleen maar auto’s die op biodiesel rijden, of op groene stroom. Perfect geïsoleerde huizen en kantoren waarvan de daken vol liggen met zonnepanelen.

Het zijn vergezichten die opdoemen bij het lezen van het document   Nederland krijgt nieuwe energie, dat vandaag is gepubliceerd. Het roept op tot een energierevolutie. In  2050 moet Nederland al zijn energie halen uit hernieuwbare bronnen als wind, zon en biomassa. Geen olie meer, en ook geen kolen, uranium of aardgas.

Het is om meerdere redenen een baanbrekend document. Het is opgesteld door de milieu- en energiewerkgroepen van zes politieke partijen (CDA, ChristenUnie, D66, GroenLinks, PvdA, SGP). Het is  voor het eerst  dat er zo’n breed politiek draagvlak is om de energievoorziening van Nederland volledig te  verduurzamen. Een zevende ondertekenaar,  de milieuwerkgroep van de VVD, heeft zich  gisteren plotseling teruggetrokken.

Het document is om nog een andere reden bijzonder. Het ligt op ramkoers  met veel gevestigde belangen. Want als Nederland in 2050 geen olie meer mag gebruiken, kan een bedrijf als Shell er geen druppel benzine of diesel meer verkopen. Het zal moeten overstappen op biobrandstoffen. En stroomproducenten als het Belgische Electrabel en het Duitse RWE mogen niet langer elektriciteit  opwekken met kolen, gas of uranium. Die zullen rigoureus moeten switchen naar windenergie, of centrales op biomassa.

Initiatiefnemers van het document zijn Marco Witschge (D66, werkgroep duurzame ontwikkeling) en Klaas van Egmond, directeur van het Utrechts centrum voor aarde en duurzaamheid.

Witschge: „Het belangrijkste dat we duidelijk willen maken is dat het mogelijk is.  De technologie om onze samenleving om te laten schakelen van fossiele naar hernieuwbare energie is er al lang. We moeten alleen manieren vinden om die overgang te stimuleren.”
Van Egmond: „Eigenlijk gaat het terug op de kernvraag rond milieu en economie. Kosten milieumaatregelen geld, of kunnen ze ook iets opleveren? Nog altijd heerst in grote delen van Nederland het idee dat het alleen maar geld kost. Maar groene technologieën kunnen wel degelijk winstgevend zijn. De vraag ernaar zal de komende decennia alleen maar groeien. Olie en gas worden schaarser. Daar moeten alternatieven voor komen. Duurzame alternatieven, want we zitten ook nog eens met de klimaatopwarming. Er komt een prijs te staan op het uitstoten van broeikasgassen.”

Waarom maakt Nederland tot nu toe maar moeizaam vorderingen op het gebied van duurzame energie?
Witschge: „Omdat er geen helder doel is, geen visie. Daardoor wordt de discussie erg versnipperd. De ene keer gaat het over wel of niet een extra kerncentrale, de andere keer over de criteria voor biomassa. Als de politiek nu gewoon zegt: in 2050 is onze energievoorziening volledig hernieuwbaar, dan heb je een duidelijk kader en zullen veel discussies verdwijnen.”

Van Egmond: „Het beleid was de afgelopen decennia erg grillig. De overheid stimuleerde zonnepanelen en zette dan plots zo’n maatregel weer stop omdat die te veel succes had en een te groot beslag ging leggen op de subsidiepot. Zo ging het een aantal keren. Het heeft investeerders in groene technologieën weggejaagd.”

U pleit onder meer voor één ministerie voor Energie.  Waarom werkt het nu niet?
Van Egmond: „Het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Milieu zitten elkaar regelmatig in de weg.”
In de wandelgangen heet het dat voormalig minister Jacqueline Cramer van Milieu wel een visie had, maar geen politieke kracht. En minister Maria van der Hoeven van Economische Zaken had wel politieke kracht, maar geen visie.
Van Egmond glimlacht. „Dat is mooi uitgedrukt.”

Hoe zit het met de lobby van de gevestigde macht? Heeft die ook remmend gewerkt?
Witschge: „De gevestigde macht is sterk in Nederland. Met name Shell lobbyt veel. Ik kan het vanuit de industrie ook wel begrijpen. Ze hebben nou eenmaal veel gevestigde belangen. De Rotterdamse haven is wereldwijd de grootste haven voor fossiele energie. De gevestigde macht zal niet  uit zichzelf zulke grote stappen gaan zetten. Dat moet de politiek opleggen.”

Pakt uw plan niet rampzalig uit voor bedrijven  die veel stroom en gas verbruiken? Want energie uit wind en zon is nu nog duur. Jaagt u ze  niet het land uit?
„Als die bedrijven extra kosten krijgen kun je kijken of je ze op een andere manier kunt compenseren. Bijvoorbeeld via een verlaging van de inkomstenbelasting.”

Wat betekent uw plan voor de drie kolencentrales die nu in Nederland worden gebouwd?
Witschge: „Die bouw moet gestopt worden. We realiseren ons dat de Nederlandse overheid zich daarmee in een lastig parket manoeuvreert, maar het is waanzin om nog centrales te bouwen die op fossiele brandstoffen draaien en die er nog 50 tot 60 jaar  staan. De schattingen zijn dat zonnepanelen in Nederland over een jaar of vijftien concurrerend zijn met grijze stroom. Windmolens op land zijn dat al over een jaar of zeven.”

Hoe is het document eigenlijk tot stand gekomen?
Witschge: „We hebben vijf avonden georganiseerd waarbij we talloze sprekers hebben uitgenodigd om te praten  over energiezaken. Adviseurs van  McKinsey en Boston Consulting Group, de directeur van KEMA, een hoogleraar transitiemanagement.”
Van Egmond: „De collegezaal in Utrecht die we hadden afgehuurd  zat iedere keer tot de nok toe vol.”
Witschge: „Toen hebben we een document opgesteld dat nog een paar keer is rondgegaan totdat ieder zich erin kon vinden. We noemen het ‘De verklaring van Utrecht’.
Van Egmond: „Het succes van deze aanpak is hoopgevend. Wellicht zou het ook kunnen werken bij andere grote thema’s die een langetermijnvisie nodig hebben, zoals de AOW en de herziening van het belastingstelsel.”

Speculeren tegen de euro, hoe gaat dat?

Door Egbert Kalse

Wie wil weten wat de koers van de dollar of de euro gaat doen, doet er goed aan de Japanse huisvrouwen in de gaten te houden. Wilfried van Hulten, hoofd buitenlandse valutahandel Benelux voor Royal Bank of Scotland: „Handel in buitenlandse valuta is in Japan enorm populair. Omdat het daar zo massaal gebeurt, zijn de Japanse huisvrouwen een speler om rekening mee te houden.”

De vraag was hoe dat nou in de praktijk gaat, speculeren tegen een munt. Het meest simpele antwoord: mensen bieden massaal euro’s aan, waardoor een overaanbod ontstaat en de prijs daalt. De aanleiding: de euro staat al weken onder druk, met als directe aanleiding de economische positie van Griekenland, Italië, Spanje en Portugal.

De euro en de dollar zijn heel moeilijk ‘kapot’ te speculeren. De slagkracht van de economische blokken is zo groot, dat zelfs miljardenposities tegen zo’n munt nauwelijks effect hebben. Chris Turner, valuta-analist in Londen voor ING Commercial Banking, ziet maar een echte wereldspeler die de koersen kan beïnvloeden: „Er is wereldwijd voor 7.800 miljard aan dollarreserves, en de Chinezen zitten op 2.400 miljard. Als zij zouden verkopen, gaat de dollar onderuit.”
Toch staat de euro nu onder druk. Hoe kan dat? Van Hulten van RBS: „Er wordt inderdaad flink gespeculeerd tegen de euro. Dat gebeurt voornamelijk door put-opties af te sluiten op de euro.” Daarbij spreek je als belegger af dat je op een vooraf afgesproken datum de euro voor een vooraf vastgestelde koers kunt verkopen. In de tussentijd daalt de koers van de euro, en je koopt hem pas zo laat en dus zo laag mogelijk. De winst voor de belegger is het verschil tussen de werkelijke lage koers en de vooraf afgesproken hogere verkoopprijs.

Een tweede manier om tegen de euro te speculeren is via de spotmarkt. Van Hulten: „Daar verkopen mensen euro’s en kopen daar bijvoorbeeld dollars voor in de plaats.” De wet van vraag en aanbod bepaalt dan dat de euro omlaag gaat en de dollar omhoog. Deze zogenoemde futures (speculeren op een toekomstige lage eurokoers) zitten op het hoogste niveau in jaren, zegt Van Hulten.

Turner van ING ziet één groot risico voor de koers van de euro. De afgelopen jaren is veel geld richting de zogenoemde money market funds gestroomd, een soort spaarfondsen. Dat heeft de vraag naar euro’s opgedreven (en daarmee de koers). „Dat geld is echter zeer vluchtig. Als de sentimenten over de risico’s in de eurozone aanhouden, kan dat geld net zo snel weer weggetrokken worden en daalt de koers van de euro verder.”

Maar zo hard gaat dat vooralsnog niet. De euro is sinds zijn top in december vorig jaar met een kleine 15 dollarcent gedaald, dat is nog geen 10 procent. Voor een euro kon vanmiddag 1,37 dollar gekocht worden. Ter illustratie: vlak na de fysieke introductie van de munt eind 2000 stond de koers op 0,83 dollar.