Berichten in de categorie ‘Zin’

Haal winst uit de ramp

Hoe kunnen we de wereld gezamenlijk beter maken?

Door Emma Bruns

12 februari 2008 stond ik in de bittere kou op een dor grasveld midden in Delaware, Amerika. Samen met 25.000 anderen luisterde ik naar de toespraak van een man die de toekomst van de Verenigde Staten drastisch wilde veranderen. Halverwege deed hij een oproep; of we allemaal het nummer wilden bellen dat op een klein papiertje stond dat we bij aankomst hadden gekregen: het telefoonnummer van iemand die ooit op de Democraten had gestemd. Met 24.999 anderen belde ik toen een wildvreemde op om te vragen of die 4 november ook op Obama wilde stemmen. In vijf minuten verdubbelden wij het bereik van Obama’s verhaal. Nooit eerder voelde ik zo sterk dat vele kleine stappen een verandering teweeg kunnen brengen.

Terug in Nederland ging het leven verder. De euforie om Obama werd beperkt tot een mooi verhaal in de kroeg, de sleur van alledag nestelde zich tevreden. Verandering? Dat was iets voor pioniers en Superman.

Zo genoot ik een paar maanden later op een terras onder een gloeiende warmtelamp van een kopje koffie. Tot een jongen met een rood regenjack en een bijbehorende schrijfmap me aansprak. Of liever, hij stond als een betweterige wereldverbeteraar op me neer te kijken. Met een vermanende blik en een onrustig klikkende biobalpen vroeg hij of ik wel wist hoeveel energie zo’n terraslamp kostte? En of het niet eens hoog tijd was lid te worden van Greenpeace? Voor slechts vijf euro per maand hielp ik een ijsbeer de winter door. Waarom zou ik? Stoppen met roken viel nog te overwegen. Maar de wereld, dat was toch niet mijn probleem?

Wereldproblemen zijn als verschrikkelijk vervelende wiskundesommen. Ze zijn abstract, langdradig en de oplossing levert ons persoonlijk weinig op. Gelukkig raken rampen ons wél. Het tastbare leed van de hulpeloze Haïtiaan knaagt aan ieders geweten. De beelden van onschuldige mensen, gehuld in het stof van hun eigen ruïne, sleurt het geld haast van onze rekeningen. Als je wegkwijnt van de honger kan je maar beter hopen op een allesverwoestende aardbeving – die komt tenminste op tv.

Maar hoe zit het met de talloze slachtoffers van onzichtbare rampen, zoals de opwarming van de aarde en de voedselschaarste? Is hun ramp niet catchy genoeg? Te lang voor het Journaal-in-zestig-seconden? Of hebben wij eigenlijk niet zoveel belang bij het oplossen van dit probleem?

Gedragsverandering en goede voornemens zijn gedoemd te mislukken: wel eens geprobeerd te stoppen met roken? Af te vallen? Niet meer door rood te fietsen? Toch zijn er twee factoren die de kans van slagen aanzienlijk vergroten: directe persoonlijke winst en peer pressure. Als ik nu stop met roken, bespaar ik direct 120 euro per maand. Als mijn hele vriendengroep stopt, controleren we elkaar.

Helaas is de strijd tegen de opwarming van de aarde minder gemakkelijk. Behalve dat de feiten meer dan eens op losse schroeven staan, lijkt de aankoop van een spaarlamp een druppel op de gloeiende plaat. En we krijgen er alleen maar sfeerverlagend licht voor terug. Je moet wel een echte calvinistische, geitenwollen idealist zijn om je gedrag in dienst te stellen van de wereldproblematiek.

Het klimaat is een typisch slachtoffer van de zogenaamde ‘gedeelde verantwoordelijkheid’. Als jij en ik morgen afspreken een kopje koffie te gaan drinken, zullen we elkaar hoogstwaarschijnlijk morgen treffen. Maar maken we dezelfde afspraak met alle lezers van nrc.next, kom je dan ook? Verantwoordelijkheidsgevoel is omgekeerd evenredig aan de grootte van de groep waarmee deze verantwoordelijkheid wordt gedeeld. Als de rest van de wereld blijft vliegen en vervuilen, waarom zou jij er dan mee stoppen?

De kenmerken van de opwarming van de aarde verschillen natuurlijk wezenlijk van die van de aardbeving in Haïti. De klimaatcrisis is gebaseerd op abstracte modellen en de effecten van ons schadelijke gedrag zijn pas over vele jaren zichtbaar. De beelden van kermende aardbevingsslachtoffers daarentegen waren concreet en acuut meelijwekkend. Binnen enkele dagen stroomde giro 555 over. Uitstervende pinguïns kunnen daarvan slechts dromen. Het probleem is bekend en de analyses zijn gemaakt, maar waar ligt de oplossing?

Nieuwe media als Facebook en Twitter spelen een belangrijke rol bij het behalen van persoonlijke winst. Internet brengt de idealen van gelijkgestemden wereldwijd bij elkaar. Zonder dat onze ouders het zien staan wij op de digitale Dam. Daar protesteren we en motiveren we onze contacts. Er wordt steeds vaker gesproken over de ‘Netwerkrevolutie’. We delen foto’s en documentaires. We houden elkaar voortdurend op de hoogte van wat we doen, denken en durven. Maar als je ziet dat 5.000 anderen met de fiets naar hun werk gaan, zou jij dat dan ook doen? Een aantal problemen is te abstract en de persoonlijke winst is te gering.

Hoe wordt een wereldprobleem dan mijn probleem? Ten eerste: laten we abstracte modellen concreet maken. Breng mij via Facebook met een Global Buddy System in contact met een jongere uit Brazilië die zijn bossen ziet verdwijnen. Als ik dan een spaarlamp koop, weet ik tenminste voor wie. Verbind een 44-jarige tomatenkweker uit Pijnacker met een mangoboer in Burkina Faso. Al worden maar twee ideeën per jaar uitgewisseld, een wereldprobleem gaat om de mensen.

Ten tweede kunnen we de persoonlijke winst verhogen door ons gedrag te koppelen aan de gevolgen voor anderen. Een bonus op mijn studiefinanciering als ik met fietsvakantie ga naar de Veluwe in plaats van een weekend winkelen in Londen. Een wedstrijd tussen gemeentes waarbij de meest duurzame kan rekenen op een groot feest. Subsidies op duurzame broccoli en basterdsuiker, zodat ik aan het einde van de maand nog steeds voor het groene product kies.

Het Obama-verkiezingsbord hangt nog altijd voor mijn raam. Het staat voor verandering. Superman bestaat misschien niet echt, maar de pioniers zijn er wel. Elke keuze en elke handeling van vandaag bepaalt onze wereld van morgen. Wil jij na je 67ste nog gaan backpacken in de regenwouden van Brazilië? Wil je zusje graag nog eens de Elfstedentocht rijden? Ben je een kasplant onder een terraslamp of een pionier op het podium? Ik hoor het graag. Bij een kopje koffie.

Een stick om mee te slaan

Door Karel Knip

Wetenschappers die belangrijk werk deden voor het klimaatpanel IPCC liggen onder vuur.

Phil Jones is afgetreden. Of preciezer gezegd: hij is tijdelijk teruggetreden. Begin deze week was hij nog hoofd van de Climate Research Unit (CRU) van de University of East Anglia. Nu is hij een milieu-hoogleraar die wacht op de uitslag van minstens twee onderzoeken.

051209WET_Temp_hockeystick

Wat heeft hij misdaan? Daarop is geen begrijpelijk antwoord te geven zonder uit te leggen in welke vaarwater Jones is terechtgekomen. Jones, van huis uit hydrograaf, begon zich in 1980 te verdiepen in het versterkte broeikaseffect. Hij zette zich aan de taak om uit oude, verspreide temperatuurregistraties, teruggaand tot 1860, de gemiddelde aardse temperatuur af te leiden. Dan kon definitief worden vastgesteld of de aarde opwarmde en konden de klimaatmodellen aan feitelijke ontwikkelingen worden getoetst. Jones ontdekte dat de wereld na 1860 wel een halve graad warmer was geworden.
Het succes van het monnikenwerk en Jones’ bevlogenheid heeft hem van lieverlee een belangrijke positie bezorgd binnen het IPCC. Het IPCC is een in 1988 onder VN-auspiciën opgericht tijdelijk samenwerkingsverband tussen wetenschappers. In een uitzonderlijke zware peer review toetst het IPCC de waarde van allerlei klimaatonderzoek.
JAARRINGEN
Dat is één lijn. De tweede is dat anderen besloten het werk van Jones uit te breiden naar een verder verleden dan dat van de thermometermetingen. Ook in jaarringen van bomen, in koraal en oude ijs- en sliblagen zit een soort temperatuursignaal opgeslagen. Met voldoende inspanning en – misschien – een beetje nattevingerwerk valt daaruit ook de gemiddelde mondiale temperatuur af te leiden. Maar dat lukt alleen als de moderne reacties van bomen, koraal en ijs op goed gemeten temperatuurveranderingen bekend zijn.
Voor deze ‘calibratie’ is de temperatuurreconstructie van Jones onmisbaar. De Amerikaanse paleoklimatoloog Michael Mann, verbonden aan Pennsylvania State University, timmert het meest aan de weg met klimaatreconstructies voor vroegere tijden. Mann en collega’s publiceerden de eerste uitkomsten van hun onderzoek in 1998 in Nature. Ze lieten zien dat de temperatuur van het noordelijk halfrond sinds 1400 praktisch constant was geweest maar na 1900 plotseling ging stijgen. In 1999 publiceerden ze opnieuw, nu in Geophysical Research Letters, met een reconstructie die terugging tot het jaar 1000. Het was ook vakgenoten een raadsel hoe je met zo weinig gegevens de temperatuur van het hele noordelijk halfrond kon bepalen. Maar Mann gebruikt zeer geavanceerde statistische hulpmiddelen die hij ten dele zelf ontwikkelt. Prikkelend was zijn conclusie dat het rond het jaar 1000 misschien wel warm is geweest, maar bij lange na niet zo warm als tegenwoordig. Het jaar 1000 ligt midden in de wel beschreven Middeleeuwse Warme Periode, met wijnbouw in Engeland en landbouw op Groenland. Manns klimaatcurve werd vanwege de vorm al gauw de hockeystick genoemd. Dat is een ijshockeystick.
OVERZICHT
De toch al actieve ‘klimaatsceptici’, die weinig van een versterkt broeikaseffect willen weten, verlegden hun vuur naar de hockeystick en de groep rond Mann en Jones. Het laatste IPCC-rapport (2007) geeft een mooi overzicht van alle kritiek en hoe die werd weerlegd. Gezegd moet worden dat de critici heel verschillende bezwaren hadden. Sommigen, zoals Hans von Storch van de universiteit van Hamburg, hadden gefundeerde kritiek op de statistische methoden. Anderen meenden dat jaarringen van bomen niet geschikt zijn voor temperatuurreconstructies. Een niet te onderschatten groep klimaatsceptici zag Jones en Mann in de eerste plaats als boegbeelden van het vermaledijde IPCC dat zij nooit vertrouwd hadden. Een laatste groep critici schortte het oordeel op tot ze het werk van Mann hadden nagerekend. Met een beroep op de vrijheid van informatie werden Mann en Jones gedwongen inzicht te geven in de gigantische hoeveelheid meetgegevens waaruit zij hun conclusies hadden getrokken. En zoals dat gaat: daarin werden fouten, leemtes en omissies aangetroffen. Niet van groot belang, maar ze wáren er en het vuil is in triomf rondgedragen.
Van belang is dat Jones en Mann al tien jaar zwaar onder vuur liggen en dat de belegerde wetenschappers van de weeromstuit obstinaat werden. Ze stonden steeds minder makkelijk hun gegevens af en begonnen de wetenschappelijke wereld om hen heen al op voorhand in voor- en tegenstanders in te delen. En beten van zich af. Onnodig hard, misschien. Zelfs binnen de CRU moeten er wetenschappers geweest zijn die het niet beviel.
Hoe het zij: rond 20 november heeft ergens iemand de vrijheid genomen om al het e-mailverkeer waar Phil Jones sinds 1993 aan had deelgenomen op internet te zetten. Of hier gehackt of gelekt is is nog niet duidelijk. Het gaat om duizenden e-mails. De echtheid staat vast.
In de twee weken die sindsdien verliepen is Jones, Mann en anderen overkomen wat bijna iedereen zou overkomen wiens vertrouwelijke e-mails in de openbaarheid belanden. Ze zijn te schande gezet omdat ze zich vaak grof of laatdunkend uitlieten over medewetenschappers en in het bijzonder de irritante klimaatsceptici. Maar tussen alle triviale uitingen zitten e-mails die te denken geven. Er zou uit zijn af te leiden dat Jones c.s. opzettelijk gegevens achterhouden, dat ze misschien gegevens wat hebben aangepast of weggewerkt om eerdere conclusies overeind te houden en dat ze het publiceren door hun opponenten proberen te bemoeilijken. Er tekent zich iets af dat lijkt op fraude, vriendjespolitiek en machtsmisbruik. Pijnlijk is dat hier en daar collega’s afstand nemen van de opstelling van Jones zoals die uit de e-mails blijkt.
Veel klimaatsceptici verkeren nu in een overwinningsroes. Het ‘gooi die vent met zijn vriendjes het IPCC uit’ klinkt luid in veel lelijke blogs. Het is de sceptici ook niet ontgaan dat er e-mails zijn waaruit blijkt dat gerenommeerde wetenschappers, zoals Kevin Trenberth, erkennen niet te begrijpen waarom de aarde de laatste zeven jaar niet meer opwarmt. Maar wie de rijen langsloopt ziet dat veel sceptische wetenschappers zich toch ook veel genuanceerder opstellen. Jones zelf heeft verklaard dat veel e-mails verkeerd zijn begrepen omdat ze uit hun context zijn gehaald.
KERNVRAAG
Het kan bijna geen toeval zijn dat de kwaadaardige e-mailactie plaatsvond vlak voor het klimaatoverleg in Kopenhagen. De kernvraag is dus: is nu ook zomaar de broeikastheorie onderuit gehaald? Daar is geen sprake van. Behalve Phil Jones waren er in de jaren tachtig nóg twee onafhankelijke onderzoeksgroepen die klimaatreconstructies maakten. Ze kwamen op dezelfde reconstructie uit. En de temperatuurregistraties van de laatste decennia worden niet alleen verzameld door de CRU van Jones maar ook door de Amerikaanse NASA en NOAA en een Japans meteorologisch instituut.
In het klimaatonderzoek speelt de hockeystick van Mann geen doorslaggevende rol. De reconstructie is van belang om zicht te krijgen op de natuurlijke variabiliteit van het klimaat en voor het toetsen van klimaatmodellen. Maar de geaccepteerde broeikastheorie steunt vooral op onderzoek aan de samenstelling van de atmosfeer en aan de fysische eigenschappen van de verschillende gassen. En op moderne temperatuurmetingen. Zelfs al zou het in de middeleeuwen mondiaal gemiddeld warmer zijn geweest dan nu, dan verandert dat niets aan het gezag van de broeikastheorie.
Overigens toonden Michael Mann c.s. vorige week in Science (27 november) aan dat de hitte van de middeleeuwen slechts zeer lokaal heerste, vooral boven het noordelijk deel van de Atlantische oceaan. In Azië was het afwijkend koud, waardoor het gemiddelde van het noordelijk halfrond toch beperkt bleef. Wel stelt de oplettende lezer vast dat Mann de steel van zijn ijshockeystick in opvolgende publicaties steeds verder omhoog takelt.

nrc next

Geen commentaar | nrc next | 7 december 2009 om 19:16

NRC-interview met de Canadese onderzoeker Darwyn Kobasa (oktober 2007) over het namaken van het Spaanse griepvirus

Why did you  recreate the virus?

The reason that the 1918 pandemic was so deadly was not known and was a topic of considerable interest and speculation. Many ideas were suggested to explain the high mortality during the pandemic, the unusually rapid course of the disease in many victims and the very unusual incidence of high mortality in young adults.  For example, it was suggested that the poor living conditions may have played a role in the incidence and severity of disease in soldiers in the first World War. Others suggested it was a unique property of the virus itself that was responsible. Even after Dr. Jeffrey Taubenberger published the sequences of all of the influenza genes, there was no clear answer to this question because none of the genes contained features that have been shown to be important in causing severe disease with other influenza viruses in either animals or humans. So the only way to answer the question was to reconstruct the virus and examine its properties in animal models of influenza disease.

Did it give you  any new insights on viruses that exist nowadays (like bird flu?)

Our results suggest that one of the reasons the 1918 influenza was so severe was that infection is causing an over-stimulated immune response that actually contributes to the damage observed in the lungs of experimental animals rather than protecting the animal and assisting in clearance of the virus.  The same effect may have also played a role in the very similar extensive lung damage frequently seen in people that died during the pandemic.

A similar over-stimulation of the immune response, referred to as hypercytokinemia, has also been observed in people that have died from severe disease caused by the highly pathogenic avian influenza (HPAI) H5N1 virus (or bird flu).  We do not yet know why the 1918 virus caused this response but it is an indication that the ability to cause hypercytokinemia may be a shared property of very virulent viruses.

It is also important to understand that all influenza viruses ultimately originated from viruses that circulated in birds. The 1918 pandemic virus is likely a completely avian virus that became adapted to humans. Pandemics in 1957 and 1968 were caused by new influenza viruses that were generated by mixing the human viruses that were circulating at that time with avian viruses so that the new viruses now contained some avian virus genes. It is very possible that viruses with properties that are similar to the virus that became the 1918 pandemic virus are present in birds and could emerge as a new virus in humans-this may even be true of the H5N1 bird flu virus. So better understanding of why some viruses can cause such severe disease and some do not is always very valuable.

What were the  reactions from bio-ethicists groups? Is the recreated virus seen as a real threat to mankind according to these groups? And what do you think yourself?

I am not specifically aware of any of the comments that were made by bio-ethicist groups and most comments that I know of were expressed by concerning individuals, such as the correspondence published in Nature, 432:549 (2004) in response to our first study using one gene from the 1918 virus. We were the second group to reconstruct the virus, the first being a collaborative study done at the Centers for Disease Control in Atlanta, USA. Both projects have been covered in letters to the journals and editorials that weighed the risks and benefits.  It has been suggested that there is a considerable, and not justified, risk associated with making and using the virus in some articles but in general most of the scientific community, that has commented, supports this work.  There are comments from other individuals and organizations, such as the Sunshine Project, but aside from the letters to the journals I mentioned, I have not read too many of the comments from other organizations.

Our work with the virus is all done in the highest level of biocontainment (Biosafety level 4) available in a secure facility that is equipped to handle and store highly pathogenic agents. All personnel are well trained and access to the virus is restricted to only those scientists that have clearance and training to work with it.  We have made every effort to protect ourselves and the public and I am confident that the facility, security and highly trained personnel ensure that all of our work is done in the safest manner that is possible. Our goal in this research is better understand highly pathogenic viruses and apply this knowledge to enhancing public health so doing our work safely is our first priority.

It is understood that the 1918 virus is a human pathogen and I think that it is certain that the 1918 virus would infect humans and very likely could cause serious disease. But, the circumstances that exist now are very different than in 1918 and it is unlikely the virus poses as great a risk as it did in 1918.  First, influenza viruses that are descended from the 1918 virus continue to infect people today and these exposures would provide some immunity against the 1918 virus, as would the influenza vaccine that is widely distributed in many countries. Second, many deaths in 1918 were the result of secondary bacterial infection but we now have antibiotics to effectively limit this problem.  Third, we understand the nature of infectious diseases now and can very rapidly detect and diagnose them, which is critical in rapidly establishing quarantine to limit spread of the virus and initiating effective treatment for infected individuals.  And finally, we have antiviral drugs for influenza that are effective against the 1918 virus.

Is the spanish flu virus viable outside the  laboratorium?

The Spanish flu virus is a fully viable live virus and requires no unique laboratory conditions for it to grow.

Is there a patent on the spanish flu virus you recreated?

As far as I am aware, there is no patent on any aspect of the 1918 virus, and certainly not on the virus we made. Our virus is based entirely on gene sequences that were published and archived in a database (Genbank) that is accessible to the public.

Was the virus made from existing parts of DNA, or was the genome sequenced and afterwards created synthetically?

Dr. Taubenberger obtained the nucleotide sequence of all genes of the 1918 influenza virus from preserved lung tissues of victims of the 1918 pandemic. In these tissues the viral genes (which are RNA) existed as very small pieces of the original genes. The nucleotide sequences of these pieces were determined and from these small sequences from each gene it was possible to figure out the nucleotide sequences of the whole genes-like putting a puzzle of many small overlapping pieces back together into one long piece.  This process provides a nucleotide sequence on paper but does not physically put the genes themselves back together.

For reconstruction of the virus, each of the genes were made synthetically from DNA based on the known nucleotide sequence. This DNA is then put into an appropriate vector, which is a DNA structure that allows the genes to be manipulated and eventually converted into the RNA form of the genes that is found in viruses.

Are you working on any other viruses or synthetic biological systems?

We do work with other influenza viruses that are generated from DNA-encoded copies of their RNA genes, as was done for the 1918 virus.  In general though these genes are not synthetic like the 1918 genes but were produced by directly copying the existing viral genes themselves using specific enzymes and techniques.  We do this because there are no effective methods to manipulate RNA itself.  But if we first convert it into DNA we can manipulate the DNA very efficiently. And then the DNA must be converted back into RNA to produce a virus again. The process of producing a virus from DNA copies of the genes is called reverse genetics and has become a very important research tool.

Dit is geen tijd voor twijfelaars

Wie ‘zichzelf’ is, verkoopt zich het beste

Door Rob Wijnberg
Filosofen Stine Jensen en Rob Wijnberg onderzoeken in de serie ‘Dus ik ben’ de vraag: ‘Hoe definiëren wij onszelf’.
Aflevering 1: De mens als zijn morele principes.

„U draait.” CDA-lijsttrekker Jan Peter Balkenende had tijdens de verkiezingen in 2006 maar twee woorden nodig om zijn opponent Wouter Bos een verkiezingsnederlaag te bezorgen. Maandenlang lag de PvdA-leider riant voor op zijn tegenstanders – in mei stond hij virtueel zelfs op vijftig zetels. De beschuldiging van Balkenende dat Bos van mening was veranderd aangaande de versoepeling van het ontslagrecht, werd hem echter fataal. De week erop kelderde de PvdA in de peilingen liefst tien zetels. Niet Bos’ standpunt op zich bleek onacceptabel, wel dát hij van standpunt was veranderd: hij kwam te boek te staan als ‘zwak’ en ‘onbetrouwbaar’.

Die stempels lijken in eerste instantie nogal rigoureus. Een politicus die van mening verandert is toch niet meteen slap of leugenachtig? Toch heeft deze reactie wel een logische verklaring. Die verklaring heeft alles te maken met de manier waarop mensen zichzelf – en anderen – definiëren. Of anders gezegd: heeft alles te maken met wat wij verstaan onder identiteit. Nu betekent identiteit in de meest strikte zin van het woord: ‘gelijk zijn aan’ of ‘samenvallen met’. Daarom noemen we twee dezelfde dingen ook identiek. De vraag naar de menselijke identiteit betekent dus in feite: waar valt een mens mee samen?

Een van de meest wijdverspreide antwoorden op die vraag luidt: met zijn morele principes. Of simpeler geformuleerd: wat ik vind, is wie ik ben. Deze definitie van identiteit maakt dat wij iemand met sterke, consistente morele opvattingen beschouwen als een sterke en betrouwbare persoonlijkheid. Zo iemand laat zijn oordelen niet afhangen van de situatie of van anderen. Hij is, zegt men dan, altijd zichzelf. Het woord ‘zichzelf’ betekent hier dus eigenlijk principieel – iemand die volledig samenvalt met zijn morele wereldbeeld.

Andersom geldt dat iemand die gemakkelijker van opvatting verandert, gezien wordt als een zwakke en onbetrouwbare persoonlijkheid. Men weet niet wie hij is, omdat men niet aan kan op wat hij vindt. Dat gebrek aan duidelijkheid kostte Wouter Bos in 2006 de verkiezingen en bezorgde de PvdA afgelopen maand wederom een fikse nederlaag tijdens de stemming over Europa.

De PvdA-leider had dit kunnen voorzien. De mens als zijn principes is een definitie van identiteit die immers met name geldt voor politici. Zij definiëren zichzelf (en wij hen) expliciet in termen van hun denkwijze – liberaal, democraat of socialist. Hoe genuanceerder en twijfelachtiger een politicus zijn opvattingen uitdraagt, des te zwakker hij dus overkomt.

Talkshows en actualiteitenrubrieken lijken tegenwoordig helemaal op deze definitie van identiteit geënt. Ze nodigen vooral mensen uit die het ‘goed doen op tv’, wat een andere manier is om te zeggen dat iemand eenduidige oneliners moet kunnen formuleren en situaties snel kan kenschetsen als ‘goed’ of ‘fout’. Wie hapert, twijfelt of genuanceerd en langdradig is, is geen geschikte ‘tv-persoonlijkheid’, heet het dan.

Maar deze vorm van identiteit beperkt zich niet tot de politiek en media: veel mensen vereenzelvigen zichzelf met wat ze vinden. De extremere gevallen veruitwendigen die opvattingen ook: bij hen kun je aan het uiterlijk zien of iemand links (hippie), rechts (kakker) of juist anti-establishment (kraker) is. Hetzelfde gaat vaak op voor aanhangers van een godsdienst. Een moslim, christen of boeddhist definieert zichzelf bovenal als de verzameling opvattingen die zijn geloof omvat – en draagt dat ook duidelijk uit in zijn voorkomen.

Hier geldt dan ook: hoe sterker het geloof, des te directer de relatie met iemands identiteit. Dat verklaart waarom orthodoxe godsdienstigen zich vaak snel gekwetst voelen door kritiek op hun geloof. Een aanval op hun opvattingen wordt ervaren als een aanval op hun persoon. Die relatie tussen persoon en geloof geldt voor mensen met zwakkere overtuigingen veel minder. Er zijn bijvoorbeeld weinigen die zichzelf expliciet definiëren als agnost of pragmatist en dat ook actief uitdragen. Kritiek op die denkwijzen zal daardoor minder snel persoonlijk worden opgevat.

Nu lijkt deze definitie van identiteit zo vanzelfsprekend dat je zou denken dat ze altijd al gemeengoed is. Dat is echter niet het geval. Lange tijd werd, zoals bij de Oude Grieken, een persoon eerder gedefinieerd in termen van deugden. Iemand had een ‘sterk karakter’ als hij moedig, wijs en onbaatzuchtig was. Zijn morele principes speelden daarbij een rol, maar waren niet allesbepalend.

De vraag was in ieder geval niet, zoals nu, of iemand qua morele opvattingen consistent was. Een mens werd namelijk niet uitsluitend als rationeel wezen gezien, maar eerder als een ‘bezield lichaam’, dat bestond uit twee even belangrijke delen: een rationele kant (het denken) en een irrationele kant (de verlangens). Beide kanten strijden voortdurend om voorrang en veroorzaken dus inconsistente wensen en opvattingen, zo luidde lange tijd de communis opinio.
Pas vanaf de zeventiende eeuw kwam daar, met name in het Westen, verandering in. De Brit John Locke (1632-1704) was de eerste die expliciet een relatie legde tussen de menselijke identiteit en een ‘moreel agentschap’. Een persoon is, anders dan dieren en dingen, „eigenaar van zijn morele handelen”, stelde hij.

Rond dezelfde tijd bracht de Franse filosoof René Descartes (1596-1650) een definitieve omslag teweeg in het denken over identiteit, door de mens volledig te ‘reduceren’ tot zijn redelijke vermogen. Middels een gedachte-experiment was Descartes tot de conclusie gekomen dat niets wat hij dacht onbetwijfelbaar was, behalve dan het denken zélf. Dit bracht hem tot zijn stelling: ik denk, dus ik ben. Hiermee vereenzelvigde Descartes de mens volledig met zijn ratio. Of anders gezegd: mens zijn werd gelijkgesteld aan rationeel zijn.

Immanuel Kant (1724-1804) ten slotte bracht de theorieën van Locke en Descartes samen. Hij stelde, net als Locke, dat onze identiteit bestaat uit ons ‘vermogen tot moreel handelen’, maar voegde eraan toe dat een handeling alleen moreel is voor zover zij rationeel is. Dat wil zeggen: voor Kant is een moreel principe ‘waar’ als dat principe universeel is toe te passen: hij moet voor ieder redelijk wezen, in iedere omstandigheid, evenzeer opgaan.

Daarom is moorden, stelen of liegen volgens Kant ook nooit te billijken. Getoetst aan de eis van universaliteit zou dat namelijk leiden tot rationele tegenspraak: als iederéén zou moorden, stelen of liegen, zou er geen leven, privébezit of waarheid meer zijn, en moorden, stelen of liegen dus logisch onmogelijk worden.

Zo raakte identiteit verbonden met een universele moraal. Kant definieerde het begrip autonomie dan ook als het „rationele vermogen om jezelf te onderwerpen aan een universele wet”. Ergo: wie niet principieel handelt maar zijn beslissingen laat afhangen van toevallige omstandigheden of mogelijke gevolgen, is in Kantiaanse zin niet autonoom – of, vrij vertaald, niet altijd ‘zichzelf’.

Deze ‘rationele ik’ is later hevig bekritiseerd maar niettemin nog altijd diepgeworteld in onze cultuur. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat politici die in universele waarden denken ‘daadkrachtiger’ worden gevonden dan hun pragmatische tegenhangers. Het is ook te zien aan ons onderwijs. In bijna de hele Westerse wereld kent het onderwijssysteem namelijk een horizontale structuur naar analogie van het rationalisme: hoe hoger het onderwijs wordt genoemd, des te meer het gericht is op het bovenste deel van ons lichaam – ons hoofd.

Zo bevinden scholen die gericht zijn op het aanleren van praktische of lichamelijke vaardigheden (vmbo, kunstacademie, toneelschool) zich onderaan de pikorde (‘lager onderwijs’), terwijl academische instellingen die zich richten op het intellect (gymnasium, universiteit) het hoogst in aanzien staan (‘hoger onderwijs’). Hoezeer dat samenhangt met onze kijk op identiteit, blijkt hieruit: wanneer we spreken van zelfontplooiing doelen we meestal op de ontwikkeling van ons denkvermogen, niet op het leren dansen of timmeren.

De frase ‘ik denk, dus ik ben’ heeft kortom grote invloed gehad op onze samenleving, politiek en zelfbeeld. In de huidige politiek is die invloed trouwens zichtbaarder dan ooit: principiële politici hebben duidelijk de electorale wind mee.

Dat is niet verwonderlijk. In onzekere tijden, met moeilijk te beheersen ontwikkelingen als terrorisme, globalisering, klimaatverandering en de economische crisis, hebben veel burgers logischerwijs meer behoefte aan zekerheid, en dus aan stellige politici, met wie ze zich kunnen identificeren. Net als Descartes vragen kiezers nu ook weer om onweerlegbare (morele) grondslagen waarop zij hun identiteit kunnen baseren. Op die vraag zal vooral het politieke establishment dringend een antwoord moeten vinden. Het liefst een principiële.

Het wordt strakjes dringen op de vierkante meter

Het Nederlandse overbevolkingsdenken na de Tweede Wereldoorlog: op naar de 21 miljoen mensen in het jaar 2000

„Waarom emigreren de Limburgers niet?” kopte het groengele kwartaalblaadje Tal en Last in december 1973. Limburg moest leeglopen, zeker „het stampvolle Zuid-Limburg”, zo schreef R. van Hasselt, de gedreven secretaris van de stichting Welzijn en Bevolkingsgroei in Zeist. De provincie telde dat jaar ruim een miljoen inwoners, grotendeels „geconcentreerd in het kleine deel ten zuiden van de flessenhals bij Sittard”.

„Het is toch op zijn minst vreemd te noemen dat in een overbevolkte streek die met werkloosheid te kampen heeft, het vuile werk aan buitenstaanders wordt overgelaten”, zo verwijst Van Hasselt naar de ‘gastarbeiders’. (…) „Krijgen wij ‘Herrenvolk’-allures?” Waarom stimuleert de overheid niet de emigratie naar België of Duitsland van „duizenden pendelaars” met hun „hinderlijk lange” woon-werkverkeer?

De Tal en Last-schrijvers, die jarenlang ijverden voor ‘meer Nederland met minder mensen’, zouden vandaag de dag opgetogen zijn. Limburg lóópt langzaam leeg. Net als Zeeuws-Vlaanderen en Oost-Groningen, en in het jaar 2025 circa 60 procent van de Nederlandse gemeenten – zo is de verwachting. Vrouwen krijgen minder kinderen, jongeren trekken weg uit de regio’s en ouderen blijven achter. Daling van de gemeentelijke inkomsten, leegstand en verpaupering van huizen zijn het gevolg. Om oplossingen te vinden, vond gisteren in Rotterdam voor bestuurders een heuse ‘krimptop’ plaats.

Krímp, dat was na de naoorlogse babyboom wel het laatste waar men aan dacht. Nederland had het hoogste geboortecijfer van Noordwest-Europa. In 1946 werden er op iedere duizend personen 30,2 baby’s geboren. Ter vergelijking: in 2008 was het geboortecijfer 10,5.

In 1950 telde Nederland ruim tien miljoen inwoners. „De snelle bevolkingsgroei en de beperkte oppervlakte beschikbare grond vereisen een krachtdadige bevordering van de emigratie”, zei Koningin Juliana in haar Troonrede van dat jaar. Ieder jaar weken tienduizenden Nederlanders, al dan niet gesubsidieerd, uit naar emigratielanden als Canada, Nieuw-Zeeland, Australië en de Verenigde Staten.

In 1965 telde Nederland 12,2 miljoen inwoners. Wetenschappers bleven zorgelijk. Het is „niet te gewaagd” om in het jaar 2000 op 20 miljoen Nederlanders te rekenen, stelde drs. P. van Daalen in de bundel Dringen in Nederland (1965). „Hoe zal de twintigmiljoenste Nederlander worden ontvangen? Zal het Nederlandse volk er een feestdag bij krijgen, zullen de gebouwen vlaggen en het Nederlandse volk daarmee blijk geven verheugd te zijn over zijn forse groei? Het hangt er maar van af in welke omstandigheid die twintigmiljoenste Nederlander geboren is.”

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kwam datzelfde jaar met een nog hogere prognose: 21 miljoen Nederlanders in 2000. In een verklaring noemde de regering ‘het bevolkingsvraagstuk’ in combinatie met de gestegen welvaart en consumptie „zeer urgent”. Pers en publiek reageerden lauwtjes op de CBS-telling. Maar door een reeks publicaties en congressen – wat somber van toon – was de ‘dreigende’ overbevolking geen onbekend thema meer.

De PvdA kwam in 1955 al, als eerste politieke partij, met een dik wetenschappelijk rapport over bevolkingspolitiek: Bevolkingsgroei en Maatschappelijke Verantwoordelijkheid . De middelen waren beperkt, was de conclusie. „Het ingrijpen van de overheid op dit terrein – men denke bijvoorbeeld aan gedwongen sterilisatie – vindt zijn grenzen in ethische normen en bovendien in de stand der eugenetische wetenschap.”

In 1963, het jaar waarin de anticonceptiepil voor vrouwen op de Nederlandse markt kwam, werd in Tal en Last voorzichtig „de ‘PIL’ voor mannen” aangekondigd. Aanleiding waren „recente onderzoekingen” met „dinitropyrolen”, beschreven in News for Population and Birthcontrol. „Als deze preparaten bij mensen even effectief zijn als bij dieren en geen onplezierige bijverschijnselen geven, zal het mogelijk zijn dat wij over een methode gaan beschikken, waardoor een enkele pil, eens in de maand ingenomen, de mannelijke vruchtbaarheid voor elke gewenste periode kan onderdrukken.”

De „zelfregulatie van populaties” kwam in 1966 aan bod op het tweedaagse symposium De Mens in dichte pakking in Amsterdam. Dr. A. Voûte trok een parallel met de leeuwen in het Krugerpark in Zuid-Afrika. „Al maken roofdieren nog weleens een mens tot slachtoffer, als regulatoren spelen zij geen rol meer. Kannibalisme is nog niet geheel verdwenen. In Afrika schijnen nog steeds mensen te worden geconsumeerd, zoals ons uit de berichten van de strijd in Kongo duidelijk is geworden.” Maar „regulerend” is ook kannibalisme niet, constateerde Voûte.
De grenzen van ons kleine land dwongen tot nadenken, bepleitte dr. D. de Jonge in Dringen in Nederland. „Dit vooruitzicht moge vooralsnog absurd schijnen”, schreef hij. „Gaat de bevolkingsgroei echter in dit tempo door, dan zal ons land over honderd jaar een bevolking van 34 à 38 miljoen zielen herbergen. Zouden wij dan nog in een villaparkbebouwing willen wonen, dan is ons land geheel vol en is er ook geen ruimte meer voor landbouw, veeteelt of vakantie buiten de woonplaats.”

Uiteindelijk liep het allemaal zo’n vaart niet. De demografen hadden zich met name verkeken op het geboortecijfer. Na 1965 halvéérde in nauwelijks vijftien jaar het aantal kinderen van gehuwde vrouwen. Het was het einde van het tijdperk van de grote gezinnen.

„Een jonge getrouwde vrouw” met een „interessante baan” vertelde me onlangs dat zij en haar man „heel gelukkig” zijn, schreef Louise Roos in december 1967 in het Algemeen Handelsblad. „Het enige wat haar geluk bedierf waren de onophoudelijke toespelingen van wederzijdse familieleden op een toekomstig gezin.” Het is „beslist verkeerd” deze vrouwen de „formule huwelijk-gezin op te dringen”, aldus Roos. „Als we oprecht en zonder bijbedoeling van kinderen houden zullen we hun aantal moeten beperken, zodat ze kunnen opgroeien in een land, waar speel- en leefruimte voor hen is.”

Het laatste nummer van Tal en Last verscheen in december 1976. „Niet zonder weemoed” hield de stichting er na vijftien jaar mee op, schreef F. Kool. Het moest wel; de kas was leeg. „De dóórzettende daling van het geboortecijfer bracht met zich mee dat voorheen trouwe contribuanten van onze stichting het – reeds in 1969 – lieten afweten.”

Nu: 16,5 mln inwoners

Nederland telt momenteel circa 16,5 miljoen inwoners, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per dag worden gemiddeld 500 kinderen geboren. Daar staat tegenover dat op jaarbasis elke dag 365 mensen overlijden. Verder vestigen zich gemiddeld 385 immigranten per dag in Nederland, terwijl er 330 emigranten vertrekken. Op jaarbasis groeit de bevolking met gemiddeld 210 personen per dag.
In 2025 telt Nederland bijna 16,9 miljoen inwoners, volgens het CBS. Volgens een prognose uit 2008 groeit de bevolking nog tot 17,5 miljoen in 2038, om daarna te krimpen. In 2050 telt Nederland volgens de prognose 17,3 miljoen inwoners. De netto bevolkingsgroei door migranten tot 2050 is 60.000 personen.

Beste Eurofielen, dit is waarom Europa niet lééft

Immanuel Kant waarschuwde al dat een ‘wereldregering’ als afstandelijk en zielloos zal worden ervaren

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.
Vandaag: de identificatie met zoiets groots als Europa.

Moet Nederland de grenzen dichthouden voor economische gelukzoekers, omdat massa-immigratie enorme sociale spanningen veroorzaakt? Of moet Europa juist een zo groot mogelijke vrije markt van werknemers zijn, omdat we immigranten nodig hebben om onze vacatures te vervullen? Is het beter dat Turkije nooit lid kan worden van de EU, omdat de islamitische cultuur haaks staat op de onze? Of kan een Turks lidmaatschap juist de kloof tussen Europa en de islamitische wereld verkleinen? Moet de Nederlandse regering autonoom zijn in het bepalen van haar koers? Of is Europese eenwording noodzakelijk om grensoverschrijdende problemen aan te pakken? Lees verder

Zonder innerlijke noodzaak is het moeilijk kiezen

Hoe méér keuzemogelijkheden kunnen leiden tot minder keuzevrijheid

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: waar komt die keuzestress toch vandaan?

De een noemt het een quarterlifecrisis, de ander een dertigersdilemma, een derde vindt het niet meer dan een luxeprobleem. Maar aanstellerij of niet, veel mensen ervaren ‘keuzestress’ tegenwoordig als een reëel ongemak in hun dagelijkse leven. Vooral jongeren hebben soms grote moeite met kiezen: welke studie wil ik volgen, welke baan ga ik nemen, welke carrière streef ik na? Koop ik direct een huis, of ga ik eerst op wereldreis? Wil ik nu een vaste partner, of blijf ik liever nog vrijgezel? Neem ik vroeg kinderen, of juist later? De vrijheid om te doen wat we willen is enorm, en het aantal mogelijkheden vaak nog groter. Zo groot, dat velen zich er niet vrijer, maar juist onvrijer door voelen. De keuzes worden niet als een verrijking ervaren, maar eerder als een last.

De vraag is: hoe kan dat? Hoe kan de gevoelde keuzevrijheid afnemen naarmate het aantal keuzemogelijkheden juist groter wordt? Ondanks de vele boeken die inmiddels zijn verschenen over dit paradoxale fenomeen, wordt die vraag zelden gesteld. De meeste auteurs constateren weliswaar dat twintigers en dertigers lijden onder een „teveel aan keuzes”, maar verklaren meestal niet hoe zo’n ‘teveel’ eigenlijk ontstaat. Dat is jammer, want er bestaat een goede filosofische verklaring voor, waar pathologische twijfelaars wellicht nog een geruststelling uit kunnen destilleren. Voor die verklaring moeten we eerst te rade gaan bij de Britse filosoof Isaiah Berlin (1907-1997), die in zijn beroemde essay Two Concepts of Liberty (1958) – ontleend aan de filosofie van Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) – een verhelderend onderscheid maakt tussen twee ‘concepten’ van vrijheid: positieve en negatieve vrijheid.

Negatieve vrijheid, stelt Berlin, is het „ontbreken van externe belemmeringen of obstakels”. ‘Negatief’ betekent hier dus niet ‘slecht’ of ‘verkeerd’, maar ‘afwezig’: hoe minder belemmeringen, des te groter de vrijheid. Dit is een gangbare manier waarop keuzevrijheid vaak wordt begrepen: hoe groter het aantal keuzes – bijvoorbeeld het aantal beschikbare plaatsen in een vliegtuig – des te meer keuzevrijheid men geniet. Groeit het aantal obstakels – steeds meer plaatsen zijn bezet – dan neemt ook de keuzevrijheid evenredig af. In de ‘negatieve’ zin van het woord correleren vrijheid en het aantal opties dus lineair met elkaar: hoe meer onbezette stoelen, des te vrijer de keuze.

Definieert men keuzevrijheid daarentegen als een ‘positieve vrijheid’, dan gaat dit verband niet langer op. Met positieve vrijheid doelt Berlin op de vrijheid „om autonoom te handelen”. Anders dan bij de vorige definitie, wordt de mate van vrijheid hier niet ‘negatief’ bepaald, door te kijken naar het ontbreken van externe obstakels, maar positief – door te kijken naar de aanwezigheid van interne motieven. Want, zo luidt een aloud Kantiaans inzicht, de mens is vrij „voor zover hij zichzelf zijn eigen wil op kan leggen”. Dat betekent: om autonoom te kunnen handelen, heeft een mens beweegredenen nodig. Wat een handeling namelijk autonoom maakt – en geen impuls of reflex – is dat zij bewust is: ze wordt voorafgegaan door een reden. En hier geldt: hoe sterker iemands reden om iets te doen (of te laten), des te autonomer en dus des te vrijer hij is.

Dit ‘positieve’ vrijheidsconcept maakt duidelijk waarom mensen zich onvrijer kunnen voelen naarmate het aantal keuzes steeds meer toeneemt. Want, hoe groter het aantal keuzes, des te kleiner het verschil tussen die keuzes. En hoe kleiner het verschil tussen de keuzes, des te minder redenen er overblijven om het ene boven het andere te verkiezen. Hoe dat komt, is misschien het beste te illustreren aan de hand van de (denkbeeldige) situatie waarin iemand een oneindig aantal keuzes heeft.

Stel, je staat in de supermarkt voor een schap met een oneindig aantal soorten jam. Het verschil tussen al die soorten jam is dan niet langer waarneembaar. Tussen alle potjes staan immers ook nog alle andere jamsoorten die je maar kunt bedenken – ad infinitum. De potjes zijn daardoor niet van elkaar te onderscheiden. En omdat het verschil tussen de jampotjes niet te zien is, is ertussen kiezen ook onmogelijk geworden. Natuurlijk heb je nog wel de vrijheid om een willekeurige greep uit het schap doen, maar van keuzevrijheid is dan geen sprake. Een willekeurige greep is immers geen keuze – er gaat geen reden aan vooraf. Doordat het aantal keuzes oneindig groot is geworden, is de keuzevrijheid gereduceerd tot nul: iedere reden om de ene jam boven de andere te verkiezen is immers verdwenen.

De grafiek van ‘positieve’ keuzevrijheid verloopt dus niet lineair, maar parabolisch: op het moment dat het aantal keuzes te groot wordt, en de verschillen tussen de keuzes te klein, neemt het aantal beweegredenen af – en daarmee iemands autonomie. Daardoor vermindert ook de gevoelde vrijheid: je kan moeilijker tot een keuze komen. En dat heeft – als je veel keuzes moet maken – ‘stress’ tot gevolg. Keuzestress wordt dus niet alleen (of niet zozeer) veroorzaakt door een overvloed aan keuzes, maar vooral door een gebrek aan voorkeuren die het hebben van veel opties veroorzaakt. Daarom beschouwen sommige mensen het vooral als een luxeprobleem, of zelfs als aanstellerij: het verschil tussen nergens ‘zin’ in hebben en nergens ‘redenen’ voor hebben is vaak moeilijk te zien.

Overigens hoeft een groot aantal keuzes niet automatisch te leiden tot minder beweegredenen. Wie een enorme passie voor geschiedenis of natuurkunde heeft, zal weinig moeite hebben met zijn studiekeuze – ongeacht de talloze studies waaruit hij kiezen kan. En andersom geldt ook: het hebben van weinig beweegredenen hoeft niet per se het gevolg te zijn van het hebben van veel opties. Een gebrek aan beweegredenen kan ook voortkomen uit een zwakke identiteit. Een persoon met een zwakke identiteit heeft namelijk van zichzelf weinig voorkeuren en zal dus – ongeacht het aantal keuzes – moeilijker kunnen kiezen. Nu is de ontwikkeling van zo’n zwakke ‘persoonlijkheid’ per individu verschillend, en vooral afhankelijk van capaciteit, erkenning en zelfvertrouwen. Maar er hebben zich de afgelopen zestig jaar ook enkele maatschappelijke processen voltrokken die bijgedragen kunnen hebben aan een minder sterke identiteit bij jonge mensen.

Het eerste proces is de ontkerkelijking en de daarmee samenhangende ontzuiling. Het geloof werd steeds minder (streng) beleden – en de overtuigingen van mensen dus zwakker. Tegelijkertijd werd ook de opvoeding langzaam maar zeker vrijer. Het was niet langer vanzelfsprekend om het eigen wereldbeeld over te dragen of op te leggen aan je kinderen; zij kregen de vrijheid zelf hun opvattingen te kiezen. Het gevolg: een fragmentarischer, minder eenduidig en dus ‘grijzer’ wereldbeeld. Dat werd nog eens versterkt door de opkomst van de massamedia, waardoor duizend-en-één ‘waarheden’ elkaar doorlopend om voorrang gingen beconcurreren. Ons wereldbeeld werd daardoor steeds grijzer. Dat grijze wereldbeeld kreeg in de jaren ’90 ook zijn weerslag in een ideologieloze politiek, toen het Paarse kabinet onder aanvoering van het PvdA van Wim Kok idealisme en principes verruilde voor pragmatisme en polderen. En net als veel adolescenten van nu, hadden ook de politici van toen al moeite met kiezen: ‘gedogen’ werd niet voor niets een toverwoord.

Keuzestress is dus niet alleen een kwestie van luxe of overvloed, maar ook van opvoeding, technologie en tijdgeest. De jonge adolescenten van nu zijn opgegroeid in een tijd waarin iedereen het wel zo’n beetje eens was met hun ouders, met de politiek en met elkaar. Daardoor hebben we minder sterke voorkeuren – en dus een minder sterke identiteit – ontwikkeld dan soms handig is in een samenleving waarin er ieder uur van de dag wel weer een nieuwe keuze moet worden gemaakt. Maar eerlijk gezegd ben ik wel blij dat ik nu leef, en niet zestig jaar geleden. Want als ik zou moeten kiezen tussen keuzestress of helemáál geen keuzes, zou ik geen moment hoeven twijfelen.