Pas op: Spanje valt bijna om

De werkloosheid blijft dalen, prijzen en lonen zijn te hard gestegen

Spanje kan de volgende dominosteen zijn die – na Griekenland – omvalt.
Inmiddels heeft een op de vijf Spanjaarden geen werk. En dat wordt niet snel beter.

Door Merijn de Waal

Barcelona. Bijna elke werkdag gaat Beatriz Mera naar het filiaal van haar bank in het centrum van Barcelona. Met een map vol documenten meldt de Spaanse zich aan de balie. „Dan ga ik uitleg vragen, zeuren, klagen. Totdat ze me wegsturen”, zo vertelt Mera (30) in een bar om de hoek. „Ik heb nu eenmaal niet veel andere opties meer dan een lastpak te zijn.”

Mera pakt haar map en spreidt de documenten en formulieren voor zich uit. Ze tonen hoe zij en haar partner zich tijdens de economische boom diep in de schulden staken. Naast twee hypotheken sloten ze ook een ‘verzekering’ af, die een risicovol financieel product bleek te zijn: de reden dat ze nu ruzie heeft met de bank. „Sinds anderhalf jaar moeten we maandelijks 2.000 euro aflossen. Dat geld hebben we gewoonweg niet. En de komende jaren ook niet.”

Beatriz Mera’s zorgen zijn exemplarisch voor de hele Spaanse economie. De hoge particuliere schuldenlast – in totaal staan Spaanse consumenten voor 1.000 miljard euro rood – en de slechte arbeidsmarkt houden de terugkeer van de groei al twee jaar tegen. Deze week kwam de vierde economie van de eurozone hierdoor in beeld als de volgende dominosteen die – na Griekenland en eventueel Portugal – zou kunnen omvallen. Of de ongerustheid van de markten nu terecht is, of het gevolg van speculatie tegen de euro: ze dwingen het land economisch nog verder in het defensief.

Vorige week kwam er meer slecht nieuws uit Madrid: de werkloosheid is opgelopen tot 20 procent. Spanje telt nu 4,6 miljoen werklozen (voor de crisis ruim 2 miljoen). De kansen om snel weer werk te vinden zijn beperkt. Zelfs volgens de meest optimistische prognoses daalt de werkloosheid de komende jaren hooguit een paar procentpunt.

Diepere oorzaak is een structureel verlies aan concurrentiekracht sinds invoering van de euro. Prijzen en lonen zijn te hard gestegen, terwijl de productiviteit niet evenredig toenam. Economen als Paul Krugman hebben het land daarom geadviseerd de lonen met 10 procent te laten dalen en zo snel weer concurrerend te worden.

Maar al komt Spanje door de Griekse schuldencrisis nu steeds verder in de problemen, het maatschappelijke draagvlak of de politieke ruimte voor zo’n forse ingreep is er nog lang niet.

„De suggestie van Krugman had kunnen worden opgevolgd, als we in de negentiende eeuw hadden geleefd of als Spanje een Aziatisch land was geweest”, zegt Angel Laborda, analist van de vooraanstaande denktank Funcas en economisch columnist van de krant El País. „Maar ons systeem heeft die flexibiliteit nu eenmaal niet.”

Wel heeft de crisis bij de regering het inzicht doen ontstaan dat een hervorming van de arbeidsmarkt hard nodig is. Maatregelen zijn nodig om een eventueel herstel aan te moedigen, maar vooral om een soortgelijk massaal banenverlies bij een volgende crisis te voorkomen. Economen zijn redelijk eensgezind dat hiertoe vooral het uitzonderlijk hoge aantal tijdelijke contracten moet worden aangepakt.

Vooral jongeren kwamen de afgelopen jaren moeilijk aan een vaste baan. Zij zijn dan ook massaal op straat komen te staan: van de Spanjaarden tot 25 jaar is ruim 43 procent werkloos.

Een van de hervormingsvoorstellen die nu circuleren is om een contractvorm te stimuleren met een soberdere ontslagregeling. Vooralsnog stuit dit op verzet van de vakbonden. De ‘sociale dialoog’ die zij voeren met regering en werkgevers had eigenlijk eind deze maand een pact moet opleveren, maar dat doel zal niet gehaald worden. Dat is een tegenslag voor de regering van premier Zapatero. Hij zou een akkoord zeer goed kunnen gebruiken als bewijs voor de nerveuze internationale geldmarkten dat Spanje de crisis voortvarend aanpakt.

De druk van buiten op Spanje lijkt daarmee groter dan die van de door de crisis getroffen jongeren zelf. Zo zijn er genoeg te vinden die een paar maanden in de WW verwelkomen als een fijne afwisseling. „Ik vind het niet zo erg, die tijdelijk contracten. Ze leveren je nog eens lange vakantie op”, grapt de 25-jarige Lena, die ’s middags met wat vrienden op straat een biertje drinkt in de oude visserswijk van Barcelona.
„En als je werkelijk werk nodig hebt, is er echt wel wat te vinden”, vindt haar vriend Israel, die uit Colombia komt. „Het probleem is alleen dat veel Spanjaarden hun neus ervoor ophalen. Niemand hoeft hier om te komen van de honger.”

Bovendien kunnen veel werklozen terugvallen op het zogenoemde ‘familiematras’. Deze steun van ouders en andere familieleden haalt vooral voor veel jonge Spanjaarden de scherpste randjes van de crisis. Zo weet Beatriz Mera met steun van haar ouders en schoonouders alle bankschulden vooralsnog af te betalen. „Ze schoten al voor dertigduizend euro bij.”

In deze tijden van crisis kan solidariteit dan ook beter binnen de familie worden geregeld dan binnen de maatschappij, zegt Mera. Zij ziet het nut niet in van een goedkoper ontslag voor vaste werknemers ten gunste van jonge werknemers. „Dan verliezen alleen maar meer mensen hun baan. En mensen van vijftig, zestig komen nooit meer aan het werk. Terwijl zij misschien wel een gezin moeten onderhouden.”
Veel werklozen kunnen terugvallen op het zogenoemde ‘familiematras’

Je wilt een vast contract

  • Economen zijn redelijk eensgezind dat het uitzonderlijk hoge aantal tijdelijke contracten moet worden aangepakt in Spanje.
  • Met 30 procent van de bevolking zonder vast dienstverband is het land de Europees kampioen in tijdelijk werk.
  • Dit is mede het gevolg van de angst die veel Spaanse werkgevers hebben om contracten voor onbetaalde tijd af te sluiten.
  • Die angst heeft te maken met het feit dat vaste werknemers zo goed beschermd zijn, dat ze alleen na een lange rechtszaak en met hoge kosten ontslagen kunnen worden.
  • Spanje telt momenteel 4,6 miljoen werklozen. En van de mensen tot 25 jaar is nu ruim 43 procent werkloos.

De werkwijze van horecabaas Sjoerd Kooistra is en blijft simpel

Hij maakt een concept, verpacht het, draait zich om en bemoeit zich er niet meer mee. Zegt hij.

Brouwerijen en andere toeleveranciers zeggen nog geld van hem te krijgen.
Volgens hen goochelt Sjoerd Kooistra met vennootschappen.

Door Tom Kreling

Amsterdam. Brouwerij Heineken eiste geld van hem en heeft onlangs een paar zaken in Amsterdam ontruimd. Brouwerij InBev meent nog geld tegoed te hebben en heeft een dagvaarding gestuurd. En koffieleverancier Smit & Dorlas vroeg zijn faillissement aan omdat hij zijn rekeningen niet zou hebben betaald.

„Ik heb het maar even over me heen laten komen de afgelopen weken. Maar nu is het mijn beurt”, zegt horecaondernemer Sjoerd Kooistra.

Leuk? Nee, zo wil hij juridische procedures niet noemen.

Maar een hekel heeft Kooistra er ook niet aan. Dus heeft hij naar eigen zeggen „alle laden losgetrokken” om te kijken wat voor contracten er allemaal nog lagen met Heineken. „En toen heb ik gekeken wat ik allemaal nog van Heineken te vorderen heb. Ik krijg meer van hen dan andersom.” Gisteren zijn de dagvaardingen naar brouwerij Heineken opgestuurd.

En het conflict met InBev? „Dat is gewoon allemaal keurig betaald.” Net als de koffieleverancier? „Dat is ook geregeld. Allemaal misverstanden.”

De afgelopen jaren was het stil rond Sjoerd Kooistra. Soms was hij even in het nieuws. Hij kocht in de ene plaats kroegen. Verkocht er wat in een andere plaats. Stapte van de ene brouwerij over naar de andere brouwerij omdat hij er goedkoper uit was.
In 2004 raakte de ondernemer in opspraak nadat veel van zijn zaken in Amsterdam, zoals het bekende restaurant de Oesterbar, failliet waren gegaan.

De gemeente Amsterdam stelde een onderzoek in. Aan de onderzoekers legde de Groningse ondernemer toen in één zin zijn werkwijze uit. „Ik maak een concept, dat verpacht ik, ik draai me om en bemoei me er niet meer mee.”

De gemeente concludeerde na onderzoek dat er een vast patroon was bij de faillissementen van Kooistra’s zaken. Feitelijk voerde hij de regie over de zaken die hij verpachtte en die failliet gingen, stond in het rapport. Volgens de gemeente waren alle kenmerken van faillissementsfraude aanwezig. De pachters betaalden wel altijd de hoge pachtsom aan Kooistra, maar anderen, zoals leveranciers, UWV en de fiscus, kregen hun geld niet.

Kooistra hield vol dat hij nergens van wist. Ja, pachters van hem gingen failliet. Dat kon gebeuren, maar daar had hij toch niets mee te maken? Ja, hij vangt van bijna alle pachters 30 procent van de omzet. En ja, sommige pachters pachtten direct na een faillissement met een nieuwe vennootschap opnieuw een horecazaak bij hem. Mocht hij mensen geen tweede kans geven? Het Openbaar Ministerie stelde vervolgens ook een onderzoek in naar de werkwijze van Kooistra. Ze keken of er sprake was van faillissementsfraude. Uiteindelijk werd Kooistra niet vervolgd wegens gebrek aan bewijs.

Nog steeds zegt Kooistra dat zijn werkwijze heel eenvoudig en ongewijzigd is, al meer dan 25 jaar. Hij richt een zaak en verpacht die. Klinkt simpel, maar volgens schuldeisers zoals Heineken goochelt Kooistra met allerlei vennootschappen waardoor niet meer duidelijk is wie waar voor verantwoordelijk is. De brouwerij huurt panden van Kooistra en verhuurt die vervolgens weer door aan de pachters van Kooistra. Heineken zegt nog miljoenen aan achterstallige huur tegoed te hebben. Kooistra zegt dat hij daar niets mee te maken heeft. Ze moeten bij de pachters zijn.

Bij Heineken geloven ze het inmiddels wel. De woordvoerder heeft geen zin om op alle vorderingen in te gaan die Kooistra zelf meent te hebben. De vennootschappen van de pachters waarvan Kooistra zegt dat hij er juridisch niets mee te maken heeft, behoren voor Heineken gewoon tot het „netwerk-Kooistra”. Vaak gaat het om pachters met wie Kooistra al jaren werkt. Van sommige vennootschappen is zijn nichtje directeur. En soms is Kooistra zelf in het verleden directeur geweest van een van de vennootschappen.

De woordvoerder van Heineken zegt dat „Kooistra met zijn netwerk gewoon de huur moet betalen”. Volgens Heineken is Kooistra bezig met het „opwerpen van mist, aanhalen van irrelevante zaken en het initiëren van een onoverzichtelijke hoeveelheid vennootschappen”. Maar één ding is volgens de woordvoerder duidelijk: „Er moet gewoon worden betaald. Wij gaan door tot we de centen hebben waar we, ook volgens de rechter, recht op hebben.” Brouwerij Heineken heeft vorige week maar vast beslag gelegd op de inventaris van drie huizen van Kooistra.

Maar nu heeft Kooistra, zoals hij het zelf zegt, nog wat „oude vorderingen” opgediept. „Huur die ik nog krijg en een bonuskorting voor de afgenomen hoeveelheid bier. Dat komt wel een keer, dacht ik altijd, maar nu zij met juridische procedures beginnen, is het tijd om af te rekenen.” In totaal meent Kooistra nog meer dan 8 miljoen euro van Heineken te krijgen.

Of de brouwer en Kooistra na al deze juridische gevechten nog verder zaken zullen doen? Geen probleem, zegt Kooistra. „En we moeten wel. We zijn tot elkaar veroordeeld. En ik ben ook helemaal niet boos op ze, hoor.” De woordvoerder van Heineken wil er weinig over zeggen. „Als ze een bestelling betalen, leveren we.”

De ‘eigen waarheid’ van Maria Mosterd

Journalist: verhaal over loverboy is verzonnen
Maria Mosterd was vier lang in de greep van loverboys. Ze schreef er twee boeken over.
Journalist Hendrik Jan Korterink gelooft het niet en schreef daar een boek over.

Rotterdam. Samen verschenen Maria Mosterd en haar moeder op televisie, ze gaven interviews aan radio en kranten en ontmoetten politici en hulpverleners. Overal spraken ze over de loverboyproblematiek.

Maria vertelde hoe ze vier jaar in de greep was van loverboys. Ze werd mishandeld, verkracht en moest zich prostitueren. Ze schreef hierover Echte mannen eten geen kaas (2008). Het boek werd een bestseller, er werden 250.000 exemplaren verkocht. Er kwam een vervolg: Bindi. Haar moeder Lucie publiceerde: Ik stond laatst voor een poppenkraam. En er zijn plannen voor een film over Maria.
Weinig journalisten stelden kritische vragen. Maar in reacties op internet uitten sommige lezers hun ongeloof. Klopte het wel, wat Maria Mosterd schreef?

Ook journalist Hendrik Jan Korterink zat het niet lekker. Hij ging op onderzoek uit. In mei ligt zijn tegen-boek Echte mannen eten wél kaas (uitgeverij Nieuw Amsterdam) in de boekhandel. Het boek is een reconstructie, vertelt Korterink. „Het bevat het ware verhaal van Maria en haar ‘loverboy’.” Hij wil niet te veel verklappen. Maar de auteur vertelt wel dat hij als eerste Manou heeft gesproken, de pooier in het boek van Maria. „Manou is geen loverboy. ”

Toen Korterink over Mosterd hoorde, dacht hij meteen: dit klopt niet. „Het is onwaarschijnlijk dat, zoals Mosterd schrijft, een twaalfjarige die in Zwolle woont, vier jaar in alle openheid in Rotterdam in de prostitutie heeft kunnen werken, om dan na schooltijd in Zwolle te staan.”

Na het lezen van het boek wist de journalist het zeker: dit is verzonnen. Zo noemt hij de scène waarin een jongen wordt gemarteld met een emmer met daarin een rat die verhit wordt op zijn buik. „Dat is echter onuitvoerbaar.” En dit kwam ook voor in de film 2 fast 2 furious uit 2003.

Wat voor Korterinks stelling pleit, is dat de rechter vorig jaar een klacht van Maria en haar moeder heeft afgewezen. De Zwolse scholengemeenschap Thorbecke zou niet hebben opgetreden tegen het verzuim van Mosterd. Tijdens het proces legde de school echter een administratie over waaruit bleek dat Mosterd nauwelijks afwezig was zonder een briefje van haar moeder. Maria trok vervolgens haar verklaring in dat loverboy Manou haar vanaf haar eerste schooldag uit de klas zou hebben gehaald.

„Het gaat hier om het relaas van een slachtoffer”, reageert uitgever Chris ten Kate van Van Gennep. „Het is haar subjectieve waarheid. Maar op basis van Maria’s boek kan geen aangifte gedaan worden tegen Manou.”

Stapels manuscripten krijgt hij binnen, zegt hij, „met zogenaamde waargebeurde verhalen die verzonnen blijken te zijn”. Maar zo’n verhaal is dit niet. „Het manuscript is onder onze aandacht gebracht door hulpverleners van de Hoenderloogroep. Zij behandelden Maria al een paar jaar. Volgens hen is dit nog maar het topje van de ijsberg. Er zijn haar nog veel ergere dingen overkomen die níet in het boek staan.”

Maar als het boek Maria’s ‘persoonlijke waarheid’ is, had dat dan niet op haar boek moeten staan? Dat vindt Ten Kate niet. „Het is heel duidelijk dat het om het relaas van één iemand gaat. Het boek geeft inzicht in de psychologie van een slachtoffer. Ook als er dingen niet blijken te kloppen, blijft dat overeind. ”

Hendrik-Jan Korterink sprak zowel met Maria als met Lucie Mosterd. Maria heeft hij naar eigen zeggen „niet keihard geconfronteerd” met haar vermeende onwaarheden. „Het is niet mijn bedoeling haar de grond in te trappen.”

Maria Mosterd was gisteren niet bereikbaar voor commentaar. Uitgever Ten Kate laat weten dat zij niet wil reageren zolang het boek van Korterink niet is verschenen. Op haar weblog schrijft ze: „Ik krijg ook veel te horen over die school, en over dat ik dus heb gelogen, wat ik best kan begrijpen, als je alle dingen leest en hoort van bepaalde journalisten of kranten, gelukkig zijn er ook nog mensen die iets verder kijken dan dat.”

Hoe kan het dat er eerder zo weinig getwijfeld is aan het waarheidsgehalte van Maria Mosterds verhaal? Mediasocioloog Peter Vasterman, universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam: „Het fenomeen loverboy kwam tien jaar geleden in het nieuws. Je hoorde steeds meer verhalen over donkere mannen die jonge meiden de prostitutie introkken. En er groeide zo een enorme bezorgdheid. Vervolgens kwam Maria Mosterd met een huiveringwekkend verhaal.” Het was de bevestiging van wat veel mensen dachten: ‘Al die loverboys, en zie je wel, hier is het bewijs’.

Vasterman was zelf ook niet overtuigd van het boek van Mosterd. „Ik had mijn bedenkingen. In het verleden zijn vaker misbruikverhalen opgedoken die later niet bleken te kloppen.” Overigens beweert Korterink niet en denkt ook Vasterman niet dat Maria Mosterd alles heeft verzonnen. „Er zullen wel echt ernstige dingen zijn gebeurd.”

    Haal winst uit de ramp

    Hoe kunnen we de wereld gezamenlijk beter maken?

    Door Emma Bruns

    12 februari 2008 stond ik in de bittere kou op een dor grasveld midden in Delaware, Amerika. Samen met 25.000 anderen luisterde ik naar de toespraak van een man die de toekomst van de Verenigde Staten drastisch wilde veranderen. Halverwege deed hij een oproep; of we allemaal het nummer wilden bellen dat op een klein papiertje stond dat we bij aankomst hadden gekregen: het telefoonnummer van iemand die ooit op de Democraten had gestemd. Met 24.999 anderen belde ik toen een wildvreemde op om te vragen of die 4 november ook op Obama wilde stemmen. In vijf minuten verdubbelden wij het bereik van Obama’s verhaal. Nooit eerder voelde ik zo sterk dat vele kleine stappen een verandering teweeg kunnen brengen.

    Terug in Nederland ging het leven verder. De euforie om Obama werd beperkt tot een mooi verhaal in de kroeg, de sleur van alledag nestelde zich tevreden. Verandering? Dat was iets voor pioniers en Superman.

    Zo genoot ik een paar maanden later op een terras onder een gloeiende warmtelamp van een kopje koffie. Tot een jongen met een rood regenjack en een bijbehorende schrijfmap me aansprak. Of liever, hij stond als een betweterige wereldverbeteraar op me neer te kijken. Met een vermanende blik en een onrustig klikkende biobalpen vroeg hij of ik wel wist hoeveel energie zo’n terraslamp kostte? En of het niet eens hoog tijd was lid te worden van Greenpeace? Voor slechts vijf euro per maand hielp ik een ijsbeer de winter door. Waarom zou ik? Stoppen met roken viel nog te overwegen. Maar de wereld, dat was toch niet mijn probleem?

    Wereldproblemen zijn als verschrikkelijk vervelende wiskundesommen. Ze zijn abstract, langdradig en de oplossing levert ons persoonlijk weinig op. Gelukkig raken rampen ons wél. Het tastbare leed van de hulpeloze Haïtiaan knaagt aan ieders geweten. De beelden van onschuldige mensen, gehuld in het stof van hun eigen ruïne, sleurt het geld haast van onze rekeningen. Als je wegkwijnt van de honger kan je maar beter hopen op een allesverwoestende aardbeving – die komt tenminste op tv.

    Maar hoe zit het met de talloze slachtoffers van onzichtbare rampen, zoals de opwarming van de aarde en de voedselschaarste? Is hun ramp niet catchy genoeg? Te lang voor het Journaal-in-zestig-seconden? Of hebben wij eigenlijk niet zoveel belang bij het oplossen van dit probleem?

    Gedragsverandering en goede voornemens zijn gedoemd te mislukken: wel eens geprobeerd te stoppen met roken? Af te vallen? Niet meer door rood te fietsen? Toch zijn er twee factoren die de kans van slagen aanzienlijk vergroten: directe persoonlijke winst en peer pressure. Als ik nu stop met roken, bespaar ik direct 120 euro per maand. Als mijn hele vriendengroep stopt, controleren we elkaar.

    Helaas is de strijd tegen de opwarming van de aarde minder gemakkelijk. Behalve dat de feiten meer dan eens op losse schroeven staan, lijkt de aankoop van een spaarlamp een druppel op de gloeiende plaat. En we krijgen er alleen maar sfeerverlagend licht voor terug. Je moet wel een echte calvinistische, geitenwollen idealist zijn om je gedrag in dienst te stellen van de wereldproblematiek.

    Het klimaat is een typisch slachtoffer van de zogenaamde ‘gedeelde verantwoordelijkheid’. Als jij en ik morgen afspreken een kopje koffie te gaan drinken, zullen we elkaar hoogstwaarschijnlijk morgen treffen. Maar maken we dezelfde afspraak met alle lezers van nrc.next, kom je dan ook? Verantwoordelijkheidsgevoel is omgekeerd evenredig aan de grootte van de groep waarmee deze verantwoordelijkheid wordt gedeeld. Als de rest van de wereld blijft vliegen en vervuilen, waarom zou jij er dan mee stoppen?

    De kenmerken van de opwarming van de aarde verschillen natuurlijk wezenlijk van die van de aardbeving in Haïti. De klimaatcrisis is gebaseerd op abstracte modellen en de effecten van ons schadelijke gedrag zijn pas over vele jaren zichtbaar. De beelden van kermende aardbevingsslachtoffers daarentegen waren concreet en acuut meelijwekkend. Binnen enkele dagen stroomde giro 555 over. Uitstervende pinguïns kunnen daarvan slechts dromen. Het probleem is bekend en de analyses zijn gemaakt, maar waar ligt de oplossing?

    Nieuwe media als Facebook en Twitter spelen een belangrijke rol bij het behalen van persoonlijke winst. Internet brengt de idealen van gelijkgestemden wereldwijd bij elkaar. Zonder dat onze ouders het zien staan wij op de digitale Dam. Daar protesteren we en motiveren we onze contacts. Er wordt steeds vaker gesproken over de ‘Netwerkrevolutie’. We delen foto’s en documentaires. We houden elkaar voortdurend op de hoogte van wat we doen, denken en durven. Maar als je ziet dat 5.000 anderen met de fiets naar hun werk gaan, zou jij dat dan ook doen? Een aantal problemen is te abstract en de persoonlijke winst is te gering.

    Hoe wordt een wereldprobleem dan mijn probleem? Ten eerste: laten we abstracte modellen concreet maken. Breng mij via Facebook met een Global Buddy System in contact met een jongere uit Brazilië die zijn bossen ziet verdwijnen. Als ik dan een spaarlamp koop, weet ik tenminste voor wie. Verbind een 44-jarige tomatenkweker uit Pijnacker met een mangoboer in Burkina Faso. Al worden maar twee ideeën per jaar uitgewisseld, een wereldprobleem gaat om de mensen.

    Ten tweede kunnen we de persoonlijke winst verhogen door ons gedrag te koppelen aan de gevolgen voor anderen. Een bonus op mijn studiefinanciering als ik met fietsvakantie ga naar de Veluwe in plaats van een weekend winkelen in Londen. Een wedstrijd tussen gemeentes waarbij de meest duurzame kan rekenen op een groot feest. Subsidies op duurzame broccoli en basterdsuiker, zodat ik aan het einde van de maand nog steeds voor het groene product kies.

    Het Obama-verkiezingsbord hangt nog altijd voor mijn raam. Het staat voor verandering. Superman bestaat misschien niet echt, maar de pioniers zijn er wel. Elke keuze en elke handeling van vandaag bepaalt onze wereld van morgen. Wil jij na je 67ste nog gaan backpacken in de regenwouden van Brazilië? Wil je zusje graag nog eens de Elfstedentocht rijden? Ben je een kasplant onder een terraslamp of een pionier op het podium? Ik hoor het graag. Bij een kopje koffie.

    Na plasma, LCD en HD is er nu 3D-televisie

    De projectie werkt hetzelfde als in de bioscoop: met gepolariseerd licht of met knipperende brillenglazen


    Vanaf volgende maand komen ze op de markt: 3D-televisies.
    Hoofdpijn krijg je vooral van de extreme effecten.

    Door Michiel van Nieuwstadt
    Delft. Liggend op de buik, met je neus langs de rand van de hardloopbaan, kijk je omhoog. De machtige benen van Usain Bolt razen voorbij. De bovenste ringen van het Berlijnse Olympiastadion torenen tijdens zijn wereldrecordrace ver boven hem uit. Een sportwedstrijd op 3D-televisie kan spectaculair zijn, mits je dicht op het scherm zit.

    Als het aan de tv- en filmmakers ligt, dan ontgroeit het driedimensionale beeld dit jaar definitief de pretparken. Elektronicafabrikanten als Samsung, LG en Sony brengen vanaf volgende maand tv’s op de markt waar je met een speciale 3D-bril naar kunt kijken. Televisiemakers liften mee op het succes van bioscoopfilms als Avatar en UP.

    In essentie werken de meeste 3D-televisies hetzelfde als 3D-films in de meeste bioscopen. De kijker wordt gefopt doordat het linkeroog nét een ander beeld krijgt voorgeschoteld dan het rechter. In het echt kijken onze beide ogen ietsje schuin tegen de dingen aan. Daarom verspringt je vinger voor je ogen als je één oog dichtknijpt. Met twee ogen open brengt je brein het beeld van links en rechts samen zodat we diepte kunnen zien, afstanden schatten en bepalen hoe groot dingen zijn.

    Film is een snelle reeks plaatjes en voor een 3D-film heb je twee sequenties nodig: één voor het linker- en één voor het rechteroog. Die filmpjes worden allebei op het tv- of bioscoopscherm geprojecteerd. Er bestaan veel verschillende technieken om in 3D te kunnen zien. Een veelgebruikte bij televisie is die met een bril met glazen die links en rechts om de beurt dichtklappen.

    Een infraroodsignaal zorgt ervoor dat deze sluiterbril (shutter glasses) voor het linker- of rechteroog juist op tijd opengaan om het daarvoor bestemde beeld op te vangen. Als het beeld voor het andere oog arriveert zit de sluiter weer dicht. Door dat vijftig keer per seconde te doen ontstaat een geloofwaardige 3D-ervaring.

    Niet alle bioscopen of televisietoestellen gebruiken een sluiterbril. Er zijn er ook die werken met gepolariseerd licht. Licht is een elektromagnetisch veld dat in alle richtingen door de ruimte beweegt. In gepolariseerd licht, dat in de natuur bijvoorbeeld ontstaat als zonlicht op het water kaatst, trillen die velden alleen horizontaal of juist verticaal. Met het juiste filter kun je licht met een bepaalde polarisatie tegenhouden. Een polarisatiebril met twee verschillende glazen laat op het rechteroog de ene trillingsrichting door en op het linkeroog de andere.

    De polarisatietechniek is populair in de bioscoop (bijvoorbeeld de IMAX 3D-zalen van Pathé), maar minder op tv-toestellen. Samsung, LG en Sony werken met sluiterbrillen. „Bij de polarisatiebrillen moet je je hoofd recht houden om het effect goed te kunnen zien”, zegt productmanager Wim van der Meide van Samsung Electronics.

    3D-televisie kijken kan in principe ook zonder bril. Philips heeft een systeem ontwikkeld met lenzen die de beelden van een onderliggend lcd-scherm zo projecteren dat een 3D-illusie ontstaat. Zo’n effect zit ook op flippo’s en driedimensionale prentbriefkaarten. Iets meer dan een jaar geleden maakte Philips bekend dat dit systeem voorlopig niet op de markt zal komen. Het Nijmeegse bedrijfje Zero Creative ziet wél mogelijkheden voor deze brilloze 3D-technologie. „Philips heeft ingeschat dat het voorlopig niet zou gaan lukken om heel grote aantallen van deze schermen te gaan verkopen”, zegt directeur Jean-Pierre van Maasakker van Zero Creative. „Daar komt bij dat de content, bruikbaar film- en televisiemateriaal, apart ontwikkeld moest worden. Dat was een bottle neck.”

    Van Maasakker mikt op musea en bedrijven die hun producten met deze speciale beeldschermen willen promoten. „Voor het Allard Pierson Museum hebben we een faraohoofd en een Griekse amfoor in 3D geprojecteerd”, zegt hij. „Het echte hoofd zat in een vitrine daarachter. Bezoekers konden om de koppen heenlopen en het 3D-beeld laten samensmelten met het museumstuk. Mensen waren erg enthousiast.”

    Het lijkt er niet op dat de thuiskijker overspoeld zal worden met 3D-films van het kaliber Avatar. Tegenover Wall Street Journal verklaarde regisseur James Cameron vorige week dat er in Amerika ergens in november een 3D Blu-ray versie van Avatar in de winkel ligt. Filmdistributeur Fox spreekt dat tegen. Woordvoerder Hans den Heijer laat weten dat Sony van plan is om op het WK-voetbal, komende zomer in Zuid-Afrika, 25 wedstrijden in 3D op te nemen. „Maar die wedstrijden komen niet op tv”, erkent hij. „Wel willen we de beelden deze zomer vertonen voor promotionele doeleinden.”

    De 3D-televisies kunnen wel alvast gebruikt worden om 3D-games op te spelen. Playstation 3 belooft voor dit jaar een update en een bril, waarna alle spellen in 3D gespeeld kunnen worden. Van Avatar verscheen eind vorig jaar al de driedimensionale game voor verschillende platforms. Wie geen 3D-televisie heeft, ziet het spel in slechts twee dimensies.

    Vooruitlopend op de komst van meer films en uitzendingen die met twee camera’s zijn opgenomen, worden televisies uitgerust met software die tweedimensionale beelden bewerkt tot nep-3D. De 3D-illusie wordt gewekt door de onderkant van het beeld wat naar voren te schuiven. De software vertraagt voorwerpen op de achtergrond een beetje, waardoor ze langzamer bewegen dan voorwerpen dichtbij. Het zou allemaal net echt moeten lijken, maar een 3D-voetbalwedstrijd in de Engelse Premier League overtuigt niet. Het voetbalveld krijgt wat diepte, maar toch vooral de diepte van een kijkdoos.

    Wie een voorproefje wil van 3D-televisie op een gewone beeldbuis: 3 maart wordt het Buma Harpen Gala (uitreiking van onder meer de prijs voor het Beste Nederlandse Lied) in 3D uitgezonden op themakanaal Sterren.nl (bij de TROS in 2D). Benodigdheden: een klassiek rood-groen brilletje, dat de AKO dezer dagen bij aankoop van een tijdschrift weggeeft.

    Hoofdpijn komt hierdoor
    Een avondje 3D-film kijken, kan hoofdpijn opleveren. Tijdens de film of de volgende ochtend. Dat is niet zo gek, meent UvA-hoogleraar Victor Lamme. „Mensen kunnen in stereo zien doordat onze ogen iets uit elkaar staan”, zegt hij. „Filmmakers bootsen dat effect na door een film met twee camera’s op te nemen. Die staan in principe net zo ver uit elkaar als onze ogen.
    Maar de ogen van de één staan verder uit elkaar dan de ogen van de ander. 3D-filmmakers nemen een gemiddelde en dat is niet voor iedereen optimaal. Ik kan me voorstellen dat je daar een beetje hoofdpijn van krijgt, zoals je ook hoofdpijn kunt krijgen van een nieuwe bril. Of als je een tijd lang scheel moet kijken.”
    Volgens productmanager Wim van der Meide van Samsung Electronics treedt de hoofdpijn vooral op als filmmakers extreme effecten gebruiken waarbij dingen ver uit het scherm lijken te komen, tot vlak voor de neus van de kijker. „Als je dat soort effecten tot een minimum beperkt, dan valt het met de hoofdpijn wel mee”, zegt hij. Lamme, hoogleraar cognitieve neurowetenschap aan de UvA in Amsterdam, kan zich daar wel iets bij voorstellen:
    „Als je je vinger vlak voor je ogen houdt, dan merk je dat je het rechter- en het linkeroog wat naar binnen draaien om het goed te kunnen zien. Als een object in een driedimensionale film vlak voor je neus wordt geprojecteerd, dan ben je ook geneigd om je ogen te draaien, maar in werkelijkheid bevindt het beeld zich natuurlijk nog steeds op het filmdoek.
    De hoofdpijn is „niks ernstigs”, denkt Lamme, maar een eenvoudige oplossing ziet hij niet. „In theorie kun je het 3D-filmmateriaal afstemmen op een ieders ogen, maar in de praktijk is dat veel te bewerkelijk.”

      Solliciteren heeft geen zin

      Marokkaanse Nederlanders werden geweerd uit de AH to go

      Door Hanina Ajarai en Sander Voormolen

      Den Haag.  Marokkaanse Nederlanders liggen niet makkelijk op de arbeidsmarkt.
      Zelden is dat zo expliciet gemaakt als in het geval van AH to go: ‘Geen Marrokanen!’
      Meestal staat het niet zwart op wit. Dat Marokkanen niet welkom zijn als werknemers.
      Maar dit keer wel: „Geen Marrokanen” (inclusief spelfout), stond in een overzicht van de vacatures van AH to go-winkels bij drie filialen vermeld.
      Als een Marokkaanse Nederlander afgewezen wordt bij een sollicitatie ligt het niet voor de hand meteen aan discriminatie te denken. Als daar al sprake van zou zijn, is daar meestal niet meer bewijs voor dan een vaag gevoel van de sollicitant. Nu stond het er heel duidelijk. Dat in zo’n harde en korte boodschap ook nog een spelfout wordt gemaakt, moet voor wie het betreft als een pijnlijke trap na voelen.
      Zoals de medewerker van een van de filialen, die het bericht zag en besloot er werk van te maken. „Ik dacht echt; dit kan toch niet.” De medewerker wil niet met zijn naam in de krant, omdat hij nog bij het bedrijf werkt en hij bang is problemen te krijgen. Zijn gegevens zijn wel bij de redactie bekend. Hij rapporteerde het geval aan het Bureau Discriminatiezaken.
      Dit is wat er gebeurd is.
      Het bedrijf Servex, exploitant van de AH to go’s op stations en een volle dochter van de Nederlandse Spoorwegen, stuurde 4 juni een vacatureoverzicht rond naar alle 33 vestigingen om te controleren of de vermeldingen daarop nog actueel waren. Bij drie vestigingen, station Den Haag Centraal, station Lelylaan in Amsterdam, en Amsterdam Centraal Station Westtunnel, stond expliciet vermeld dat zij geen kandidaten van Marokkaanse afkomst wilden aannemen.
      De bedrijfsleider van de Haagse vestiging stuurt dezelfde dag nog het overzicht terug aan het hoofdkantoor van Servex met een bevestiging van de eisen waar de sollicitanten volgens het filiaal aan moeten voldoen: maximaal 18 jaar, werktijden van 7 tot 10 uur of 16 uur tot sluitingstijd en „geen marrokanen!”.
      De medewerker van het filiaal kwam het bericht per toeval tegen. „Een maand geleden kwam ik in de algemene mailbox, waar ik gewoon toegang toe heb vanwege mijn werkzaamheden, dat mailtje tegen van de bedrijfsleider. Ik schrok toen ik dat gedeelte over Marokkanen zag en wilde weten op welke mail dat een antwoord was. Ik ben gaan zoeken en vond het algemene mailtje van het hoofdkantoor in de elektronische prullenbak.”
      Hij vond dat hij iets moest doen, printte de beide mailtjes uit en ging de volgende dag googlen naar instanties die hem hierbij zouden kunnen helpen. Bureau Discriminatiezaken neemt normaal gesproken geen anonieme klachten in behandeling, maar vond de melding zo ernstig dat zij besloot zelf een onderzoek in te stellen.
      Er volgt een briefwisseling met Servex, maar Bureau Discriminatiezaken vindt de reactie van het bedrijf ontoereikend. Volgens de anonieme AH-medewerker reageerde Servex door excuses aan te bieden voor het „incident” en door te beloven maatregelen te nemen tegen een P&O-medewerker (die het algemene mailtje verstuurde) en zijn bedrijfsleider. Maar de bedrijfsleider, weet hij, werkt nog gewoon.
      Bureau Discriminatiezaken deed afgelopen vrijdag aangifte bij het Openbaar Ministerie vanwege discriminatie op grond van ras, en legde de zaak dezelfde dag voor aan de Commissie Gelijke Behandeling.
      Er ontstond ook elders grote beroering. Albert Heijn, dat de formule AH to go aan Servex verhuurt, tikt het NS-onderdeel onmiddellijk op de vingers. „Dit konden wij absoluut niet tolereren”, zegt een woordvoerder van het kruideniersconcern in Zaandam. „Wij willen met de samenstelling van ons personeel juist een afspiegeling zijn van de samenleving.”
      Volgens de woordvoerder is Albert Heijn „geschrokken” van het voorval. Het straalt af op Albert Heijn, omdat het zelf ook AH to go’s in de binnensteden heeft. Het vertrouwen in Servex als partner zal schade oplopen als dat onvoldoende maatregelen neemt, aldus de woordvoerder. „We hopen dat het om individuele gevallen gaat.”
      Dat is de vraag. Het is een gegeven dat allochtonen het op de arbeidsmarkt moeilijker hebben dan autochtone Nederlanders. En dat van alle allochtonen, de Marokkanen het meest last hebben van discriminatie. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2007 bleek dat 60 procent van de Marokkanen die is afgewezen voor een baan vermoedt of zeker weet dat er sprake was van discriminatie. De werkloosheid onder niet-westerse allochtonen in Nederland ligt altijd ruim twee keer zo hoog als het algemene cijfer.
      Toch staat de supermarktbranche niet slecht bekend op dit punt. Bestuurder Nicole Boonstra van FNV Dienstenbond: „Wij krijgen op ons meldpunt over de naleving van de supermarkt-cao wel veel klachten binnen over leeftijdsdiscriminatie bij supermarkten, maar geen meldingen van discriminatie vanwege etnische afkomst.” De nu aan het licht gekomen gevallen noemt Boonstra „bizar en onacceptabel”.
      Volgens woordvoerder John Krijgsman van de Nederlandse Spoorwegen zijn er tegen de betrokken medewerkers „passende maatregelen” getroffen. Welke dat precies zijn wil hij niet zeggen. „Dat is al weken geleden afgehandeld”, zegt Krijgsman. „Binnen AH to go hebben wij weer eens benadrukt wat de regels zijn”, zegt de NS-woordvoerder. Bij de andere formules van Servex, zoals New York Pizza, Kiosk, De Broodzaak of Swirl’s, is geen speciale brief uitgegaan, zegt Krijgsman, „want we weten niet of dat wel nodig is.”
      Volgens Krijgsman werken bij AH to go 24 verschillende nationaliteiten en loopt het percentage allochtonen in „menig filiaal” op tot „60 tot 80 procent”. Hoeveel allochtonen er werken verschilt per winkel en per week. Het meeste personeel is tijdelijk en er is een grote doorstroom. Het zijn „vooral jongeren en studenten” die er werken, aldus Krijgsman.
      Uitzendbureau Tempo Team levert tijdelijk personeel aan Servex, „maar niet aan AH to go”, merkt de woordvoerder op. Krijgen zij wel eens het verzoek geen Marokkanen te leveren? „Die vraag zou misschien wel eens voorkomen, maar dan gaan wij er uiteraard niet op in”, zegt de woordvoerder. „We maken geen onderscheid naar etniciteit, leeftijd of geslacht. Het gaat ons om de meest geschikte kandidaten. Overigens stelt Servex bij ons geen specifieke eisen.”
      Ook Randstad krijgt wel eens het verzoek van bedrijven om geen Marokkaanse sollicitanten te sturen. „Daar ontkom je niet aan, als grootste uitzendorganisatie van Nederland”, zegt een woordvoerder. „Maar het is uitzonderlijk.” Hij kan geen exacte cijfers geven, omdat het bedrijf deze gevallen niet officieel registreert.
      En „uiteraard” gaat Randstad niet in op dergelijke verzoeken. Het bedrijf mag alleen onderscheid maken als dat nodig is voor de baan.
      Weet de jonge klokkenluider eigenlijk waarom zijn bedrijfsleider geen Marokkanen wilde aannemen? „Ik weet het echt niet, de eerste conclusie die je trekt is dat hij slechte ervaringen heeft met Marokkanen, maar ik werk hier al twee jaar met meerdere Marokkanen en die deden wel allemaal gewoon netjes hun werk. Dat dit zo werkt vind ik eigenlijk schandalig, maar ik ken de bedrijfsleider. In de contacten met zijn personeel doet hij heel aardig maar ik heb al meerdere keren meegemaakt dat hij sjoemelt met onze uren. Ik heb ook gemerkt dat hij langzaamaan al zijn Marokkaanse personeel heeft geloosd in een periode van ongeveer acht maanden.”
      Dat laatste beaamt ook een Marokkaans-Nederlandse ex-collega van de klokkenluider wier contract pasgeleden niet is verlengd omdat zij te oud zou zijn.


      Marokkanen hebben het meest last van discriminatie

      Allochtonen worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt. Dat constateert het Sociaal en Cultureel Planbureau in het meest complete, recente onderzoek hiernaar, de Discriminatiemonitor van 2007. Bij het vinden van een baan ondervinden ze belemmeringen die niet alleen zijn terug te voeren op een lager opleidingsniveau, minder werkervaring of geringe beheersing van de Nederlandse taal.
      Allochtonen hebben de indruk dat ze vaker worden afgewezen bij functies waarbij contact met klanten belangrijk is.
      Marokkanen hebben het meeste last van discriminatie. 60 procent van de Marokkanen die in 2006 is afgewezen voor een baan, vermoedt of weet zeker dat er sprake was van discriminatie. Bij Turken lag het aandeel op 49 procent, bij Surinamers en Antillianen op 17 procent.
      De meeste klachten die tussen 2004 en 2006 bij anti-discriminatie bureaus binnenkwamen, waren afkomstig van Marokkanen. Per jaar gaat het gemiddeld om 400 klachten en meldingen. Marokkanen namen 31 procent van de klachten voor hun rekening, gevolgd door Turken (14 procent) en Surinamers (19 procent).
      Ruim 80 procent van de klachten handelde over discriminatie op basis van ras. In 17 procent van de gevallen was godsdienst de reden voor discriminatie.
      In dezelfde periode velde de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) 93 oordelen over discriminatie van allochtonen op de arbeidsmarkt. Daarvan had 40 procent betrekking op werving, selectie en arbeidsbemiddeling. In meer dan de helft van de gevallen concludeerde de CGB dat de klacht terecht was.

      Hysterische film, zonder blanken, over kindsoldaten

      Coen van Zwol
      dvd
      Johnny Mad Dog
      Regie Jean-Stéphane Sauvaire ****
      Draait het om Afrikaanse kindsoldaten, dan is een blanke hoofdrolspeler kennelijk noodzaak: Marco Borsato in Wit Licht, Leonardo DiCaprio in Blood Diamond. Maar blanken ontbreken volledig in de voortreffelijke Franse film Johnny Mad Dog, waarin een peloton kindsoldaten een bloedig spoor trekt door een West-Afrikaans land in burgeroorlog. Zeg maar Liberia, waar de film werd opgenomen. Al in de eerste scène wordt een verse rekruut, net als in Wit Licht, terloops gedwongen zijn vader dood te schieten. „Dat moest ik ook doen”, schreeuwt een kindsoldaatje: iets anders dan schreeuwen, dreigen of snauwen doen ze niet. Een jochie past intussen een trouwjurk, zijn uniform voor de rest van de oorlog. Het valt nauwelijks op tussen de pruiken, bromfietshelmen en engelenvleugeltjes. Volwassenen om de soldaatjes in toom te houden zijn er niet: ‘generaal’ Never Die maakt hen met kippenbloed onkwetsbaar voor kogels en blaft zijn orders verder door een walkietalkie. Het peloton onder Johnny Mad Dog, misschien ooit een aardige jongen, moordt, verkracht en plundert helemaal vanuit zichzelf. Vooral ouderen lijden in deze kinderkruistocht. Zoals de bejaarde intellectuelen die in het openbaar seks moeten hebben. „Jullie met je boeken, je tijd is voorbij.” Soms is er even een glimp van kinderlijk sentiment, maar steevast misplaatst: zo vat de kleine psychopaat No Good Advice liefde op voor een varkentje. Johnny Mad Dog is een harde, epische film. De zinloze cyclus van een Afrikaanse burgeroorlog: generaal Never Die schopt het tot korporaal in het nieuwe regeringsleger en de kinderen moeten dan opdonderen. Weg wapen, weg macht. Met pulserende montage en een soundtrack van rap, noise en tribale muziek dendert de film tot dat punt van chaos via paniek naar pandemonium. Een hysterische film, beter heb ik kindsoldaatjes nog niet in beeld gezien.

      Dadelijk kun je weer wapperen met polaroidfoto’s

      Door Annette Toonen

      Enschede. Het bedrijf Impossible brengt een nieuwe directklaarfilm op de markt. Een geliefd product bij onder meer kunstenaars en reclamemakers.

      Opgeteld hebben ze meer dan driehonderd jaar bij het vorig jaar gesloten Polaroid in Enschede gewerkt. Het gaat om de tien oud-werknemers die met een nieuw bedrijf, Impossible genaamd, de schouders zetten onder de ontwikkeling van instantfilms die kunnen worden gebruikt voor de directklaarcamera’s van Polaroid.

      Neem Nico Dikken, oud-secretaris van de ondernemingsraad. Hij werkte 35 jaar bij Polaroid in Enschede. Of chemicus Martin Steinmeijer. Hij werkte er 23 jaar. Of operationeel manager Dick Koopmans. Hij stond 30 jaar op de loonlijst. Alle personeelsleden die bij Impossible aan de slag zijn gegaan, zijn ouder dan vijftig jaar. Maar de uitdaging waar ze voor staan, maakt van hen weer „jonge honden”, zeggen ze zelf. „De laatste periode bij Polaroid was er een van afbouw en ontmanteling, nu bouwen we weer iets op. Dat is leuk.”

      Impossible heeft een deel van de machines van Polaroid overgenomen en huurt een van de voormalige fabrieksgebouwen in Enschede. Hier werden tot juni 2008 films (packs genoemd) geproduceerd voor de directklaarcamera’s van Polaroid, waarvan er wereldwijd miljoenen zijn verkocht. In de foto zelf voltrok zich het chemische ontwikkelproces. In de hoogtijdagen, begin jaren 90 van de vorige eeuw, werkten bij Polaroid in Enschede meer dan 1200 mensen. Tussen 1965 en 2008 zijn er anderhalf miljard packs uit de machines gerold.

      Onder invloed van de opkomst van de digitale fotografie nam de behoefte aan de films wereldwijd af. De productie werd afgebouwd. Reorganisatie op reorganisatie volgde. Al jaren werd „een zachte landing” voorbereid, beschrijven oud-werknemers. Fabrieken in de Verenigde Staten en Mexico moesten sluiten, in juni 2008 ging ook het bedrijf in Nederland dicht. Het fabrieksterrein oogt nog steeds verlaten. Er staan slechts enkele auto’s, er is geen portier, geen secretaresse.

      Maar in een van de gebouwen proberen elf mannen mogelijk te maken wat door Polaroid als onmogelijk wordt beschouwd. Vandaar de naam Impossible. „Grappig detail” is dat oprichter Edwin Land van Polaroid ook altijd uitdaging zag in het bijna onmogelijke, volgens Koopmans. Oud-werknemer van Polaroid, André Bosman, de huidige algemeen directeur, en ondernemer Florian Kaps, directeur marketing van Impossible, geloven heilig in de levensvatbaarheid van de directklaarfilm. Productie op kleine schaal moet haalbaar zijn, is hun visie.

      De directklaarfilm is een geliefd product bij kunstenaars, reclamemakers en andere „creatievelingen”. Kaps, die via zijn website packs te koop aanbiedt, merkt hoe groot de vraag nog altijd is. „Het is een magisch product. De foto komt meteen op. Hij wordt ontwikkeld terwijl je hem vasthoudt. En terwijl het beeld opkomt, kun je het nog manipuleren, door er bijvoorbeeld in te krassen. Dat maakt het product voor kunstenaars aantrekkelijk. Bovendien is elke foto uniek. Je kunt niet nog een afdruk maken”, vertelt Koopmans.

      Een van die kunstenaars is Polaroid-fotograaf en -docent David van ’t Veen uit Enschede. Hij noemt het „super” dat de productie wordt hervat, hoewel hij zelf meer behoefte heeft aan grotere directklaarfilms. „Die kleintjes zijn wel leuk, maar te klein om aan de muur te hangen.” Zijn werk ligt min of meer stil sinds de films niet meer worden gemaakt. „Ik heb geen zin in digitale fotografie. Iedereen kan nu een foto maken, en die bewerken tot het wat lijkt.”

      Probleem bij het opstarten van de productie, is dat veel onderdelen van de packs moeilijk te krijgen zijn. Er is niemand meer die het papier of de batterijen maakt zoals ze in de oude packs werden gebruikt. Die kwamen uit de eigen fabrieken met eigen machines die niet meer bestaan, volgens Koopmans.

      Het is aan de elf werknemers van Impossible om oplossingen te zoeken. Ze moeten een negatief (niet te verwarren met 35mm-film), een ontwikkelaar, een positief en een batterij vinden met vergelijkbare eigenschappen. „Eigenlijk moeten we het product helemaal opnieuw ontwikkelen.”

      Een pack bestaat uit een platte batterij, een soort platte veer, en tien foto’s. Die foto’s zijn opgebouwd uit een negatief en een positief. Daartussen zit ruimte voor de ontwikkelaar, een soort pasta die uit een zakje aan de onderkant van het frame wordt gedrukt. Polaroid heeft inmiddels wel een printertje (PoGo) op de markt gebracht, waarmee je direct foto’s kunt printen, maar dat is toch anders dan een directklaarfoto, vindt Koopmans.

      Impossible hoopt in het eerste kwartaal van 2010 met de productie te kunnen beginnen. „We leven naar dat moment toe”, zegt Koopmans. In eerste instantie hoopt Impossible een miljoen packs per jaar te kunnen maken. „We willen groeien naar 10 miljoen packs per jaar.” Camera’s worden sinds 2006 niet meer gemaakt. „Er zijn er wereldwijd nog heel veel in gebruik. Onderdelen zijn nog steeds verkrijgbaar. Dus dat is voorlopig geen probleem.”

       

      ‘Het voelt genant als je werkloos bent’

      Betaald werk hebben maakt gelukkig. Dat concludeert socioloog Patricia van Echtelt van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in een onderzoek dat gisteren verscheen.

      Door Patricia Veldhuis

      Rotterdam. Van Echtelt vergeleek het welbevinden van werkenden en niet-werkenden in 1995 en in 2007. Conclusie: de kloof tussen werkenden en niet-werkenden is de afgelopen jaren groter geworden.

       Werkenden zijn steeds gelukkiger geworden, terwijl werklozen somberder werden. Hoe kan dat?
      „Aan de ene kant omdat de samenstelling van de onderzochte groepen is veranderd. De gemiddelde leeftijd van werklozen is hoger geworden en ze zijn, door de strengere regels rondom arbeidsongeschiktheid, ook iets ongezonder. Een tweede verklaring is dat arbeid in onze samenleving steeds belangrijker is geworden. Dus als je niet werkt, is dat nu veel vervelender dan een paar jaar geleden.”

       Hoe verklaart u dat?
      „We zijn meer gaan werken. De arbeidsparticipatie is de afgelopen jaren flink toegenomen. In 1985 werkten we gemiddeld 17 uur per week, in  2005 was dat 23 uur. Dat is bijna een hele werkdag meer. Dat komt vooral omdat meer vrouwen en ouderen zijn gaan werken. Niet-werkenden zijn steeds meer de uitzondering. Als jij om wat voor reden ook niet mee kunt doen op de arbeidsmarkt, voel je je meer dan vroeger buitengesloten.

      „In mijn onderzoek haal ik de Franse filosoof Alain de Botton aan. In zijn boek Ode aan de arbeid  zegt hij dat mensen tegenwoordig niet meer als eerste aan iemand vragen waar hij vandaan komt en wie zijn ouders zijn, maar de eerste vraag is: wat doe je? Werk is bepalend voor je identiteit.”

      Schamen werklozen zich meer dan vroeger dat ze geen baan hebben ?
      „Dat denk ik wel. Zodra er van jou verwacht wordt dat je werkt, is het genant om te vertellen dat dat niet zo is. Je kunt op een feestje beter zeggen dat je gepensioneerd bent, dan werkloos. Je ziet daardoor ook eufemismen opduiken: mensen zijn niet werkloos, maar ‘in between jobs’. Dat klinkt beter.”

      Tijdens een economische crisis zou je verwachten dat die schaamte verdwijnt. De werkloosheid stijgt, dus het is niet meer uitzonderlijk om geen baan te hebben. Zag u dat terug in de cijfers?
       „Het zou kunnen zijn dat werklozen hun situatie beter kunnen relativeren tijdens een crisis. Het heeft een verzachtende werking. Ze denken: het kan de beste overkomen, het ligt niet aan mij. In de jaren tachtig zag je die houding heel sterk: elk bedrijf kan failliet gaan en je hebt stomme pech als jij een van de mensen bent die op straat komt te staan. Tegelijkertijd zien we dat niet-werkenden in crisistijd minder vertrouwen hebben in de toekomst: het is dan immers nog moeilijker om weer aan een baan te komen. Uit eerder onderzoek van het SCP blijkt dat werklozen tijdens een crisis per saldo minder gelukkig zijn.”

       In uw onderzoek valt op hoe lethargisch veel werklozen zijn. Eén op de drie had in de afgelopen vier weken geen moeite gedaan om een baan te vinden.
      „Dat vond ik ook opmerkelijk. Je zou daaruit kunnen concluderen dat ze het prima vinden om werkloos te zijn, maar dat blijkt toch niet zo te zijn. Ze wíllen wel degelijk werken. Volgens mij is er vooral sprake van een gedragsprobleem: ze kunnen zich er niet toe zetten. Als werkloze heb je zeeën van tijd, maar dat kan een verlammend effect hebben. Sommigen gaan dingen dan heel langzaam doen. Van het UWV horen ze: kom over een maand maar terug. Dan denken ze: dan kan ik die sollicitatiebrief morgen ook schrijven, of volgende week. De prikkel om aan de slag te gaan, ontbreekt.”

       Hoe kunnen werklozen uit die negatieve spiraal komen?
      Idealiter zouden ze veel intensiever begeleid moeten worden door het UWV of door de gemeente bij het zoeken naar werk.”

      Het UWV maakte vorige week juist bekend dat hun geld voor externe reïntegratietrajecten voor 2010 al bijna op is.
      „Dat maakt het wel lastig. Want als je wilt dat mensen snel weer werken en zich minder somber voelen, moet je ze meer prikkelen om bezig te blijven.”

      ‘Technologie voor omschakeling is er al’

      Door Marcel aan de Brugh

      Milieuwerkgroepen van zes politieke partijen hebben elkaar gevonden in een ambitie om alle energie in Nederland in 2050 duurzaam te maken.

      Nijmegen. Een Noordzee vol met windmolens. Snelwegen met alleen maar auto’s die op biodiesel rijden, of op groene stroom. Perfect geïsoleerde huizen en kantoren waarvan de daken vol liggen met zonnepanelen.

      Het zijn vergezichten die opdoemen bij het lezen van het document   Nederland krijgt nieuwe energie, dat vandaag is gepubliceerd. Het roept op tot een energierevolutie. In  2050 moet Nederland al zijn energie halen uit hernieuwbare bronnen als wind, zon en biomassa. Geen olie meer, en ook geen kolen, uranium of aardgas.

      Het is om meerdere redenen een baanbrekend document. Het is opgesteld door de milieu- en energiewerkgroepen van zes politieke partijen (CDA, ChristenUnie, D66, GroenLinks, PvdA, SGP). Het is  voor het eerst  dat er zo’n breed politiek draagvlak is om de energievoorziening van Nederland volledig te  verduurzamen. Een zevende ondertekenaar,  de milieuwerkgroep van de VVD, heeft zich  gisteren plotseling teruggetrokken.

      Het document is om nog een andere reden bijzonder. Het ligt op ramkoers  met veel gevestigde belangen. Want als Nederland in 2050 geen olie meer mag gebruiken, kan een bedrijf als Shell er geen druppel benzine of diesel meer verkopen. Het zal moeten overstappen op biobrandstoffen. En stroomproducenten als het Belgische Electrabel en het Duitse RWE mogen niet langer elektriciteit  opwekken met kolen, gas of uranium. Die zullen rigoureus moeten switchen naar windenergie, of centrales op biomassa.

      Initiatiefnemers van het document zijn Marco Witschge (D66, werkgroep duurzame ontwikkeling) en Klaas van Egmond, directeur van het Utrechts centrum voor aarde en duurzaamheid.

      Witschge: „Het belangrijkste dat we duidelijk willen maken is dat het mogelijk is.  De technologie om onze samenleving om te laten schakelen van fossiele naar hernieuwbare energie is er al lang. We moeten alleen manieren vinden om die overgang te stimuleren.”
      Van Egmond: „Eigenlijk gaat het terug op de kernvraag rond milieu en economie. Kosten milieumaatregelen geld, of kunnen ze ook iets opleveren? Nog altijd heerst in grote delen van Nederland het idee dat het alleen maar geld kost. Maar groene technologieën kunnen wel degelijk winstgevend zijn. De vraag ernaar zal de komende decennia alleen maar groeien. Olie en gas worden schaarser. Daar moeten alternatieven voor komen. Duurzame alternatieven, want we zitten ook nog eens met de klimaatopwarming. Er komt een prijs te staan op het uitstoten van broeikasgassen.”

      Waarom maakt Nederland tot nu toe maar moeizaam vorderingen op het gebied van duurzame energie?
      Witschge: „Omdat er geen helder doel is, geen visie. Daardoor wordt de discussie erg versnipperd. De ene keer gaat het over wel of niet een extra kerncentrale, de andere keer over de criteria voor biomassa. Als de politiek nu gewoon zegt: in 2050 is onze energievoorziening volledig hernieuwbaar, dan heb je een duidelijk kader en zullen veel discussies verdwijnen.”

      Van Egmond: „Het beleid was de afgelopen decennia erg grillig. De overheid stimuleerde zonnepanelen en zette dan plots zo’n maatregel weer stop omdat die te veel succes had en een te groot beslag ging leggen op de subsidiepot. Zo ging het een aantal keren. Het heeft investeerders in groene technologieën weggejaagd.”

      U pleit onder meer voor één ministerie voor Energie.  Waarom werkt het nu niet?
      Van Egmond: „Het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Milieu zitten elkaar regelmatig in de weg.”
      In de wandelgangen heet het dat voormalig minister Jacqueline Cramer van Milieu wel een visie had, maar geen politieke kracht. En minister Maria van der Hoeven van Economische Zaken had wel politieke kracht, maar geen visie.
      Van Egmond glimlacht. „Dat is mooi uitgedrukt.”

      Hoe zit het met de lobby van de gevestigde macht? Heeft die ook remmend gewerkt?
      Witschge: „De gevestigde macht is sterk in Nederland. Met name Shell lobbyt veel. Ik kan het vanuit de industrie ook wel begrijpen. Ze hebben nou eenmaal veel gevestigde belangen. De Rotterdamse haven is wereldwijd de grootste haven voor fossiele energie. De gevestigde macht zal niet  uit zichzelf zulke grote stappen gaan zetten. Dat moet de politiek opleggen.”

      Pakt uw plan niet rampzalig uit voor bedrijven  die veel stroom en gas verbruiken? Want energie uit wind en zon is nu nog duur. Jaagt u ze  niet het land uit?
      „Als die bedrijven extra kosten krijgen kun je kijken of je ze op een andere manier kunt compenseren. Bijvoorbeeld via een verlaging van de inkomstenbelasting.”

      Wat betekent uw plan voor de drie kolencentrales die nu in Nederland worden gebouwd?
      Witschge: „Die bouw moet gestopt worden. We realiseren ons dat de Nederlandse overheid zich daarmee in een lastig parket manoeuvreert, maar het is waanzin om nog centrales te bouwen die op fossiele brandstoffen draaien en die er nog 50 tot 60 jaar  staan. De schattingen zijn dat zonnepanelen in Nederland over een jaar of vijftien concurrerend zijn met grijze stroom. Windmolens op land zijn dat al over een jaar of zeven.”

      Hoe is het document eigenlijk tot stand gekomen?
      Witschge: „We hebben vijf avonden georganiseerd waarbij we talloze sprekers hebben uitgenodigd om te praten  over energiezaken. Adviseurs van  McKinsey en Boston Consulting Group, de directeur van KEMA, een hoogleraar transitiemanagement.”
      Van Egmond: „De collegezaal in Utrecht die we hadden afgehuurd  zat iedere keer tot de nok toe vol.”
      Witschge: „Toen hebben we een document opgesteld dat nog een paar keer is rondgegaan totdat ieder zich erin kon vinden. We noemen het ‘De verklaring van Utrecht’.
      Van Egmond: „Het succes van deze aanpak is hoopgevend. Wellicht zou het ook kunnen werken bij andere grote thema’s die een langetermijnvisie nodig hebben, zoals de AOW en de herziening van het belastingstelsel.”