Tweet : ‘There is a crash!’

Twitter bij ramp veelvuldig als snelle nieuwsdienst gebruikt

(Uit de nrc.next van 26 februari)

Door Thalia Verkade
Rotterdam. Patrick de Laive (30) zat gisterochtend om kwart voor elf in een taxiënd vliegtuig, op weg van Schiphol naar Londen. „Er werd omgeroepen dat we onze mobieltjes uit moesten zetten”, vertelt de internetondernemer later op de dag per telefoon. „Toen zag ik een bericht op Twitter binnenkomen: ben je nog op Schiphol? Er schijnt een vliegtuig te zijn neergestort.”

Twitter, de zogeheten microblogdienst waarmee iedereen met een internetverbinding in maximaal 140 tekens een boodschap de wereld in kan sturen, speelde de eerste uren na het ongeluk met het vliegtuig van Turkish Airlines een interessante rol bij de informatievoorziening. Zo kregen de passagiers in het vliegtuig van De Laive details over het ongeluk eerder te horen via zijn mobieltje dan van de bemanning.

„Ik liep naar een steward toe en zei: ik hoor via Twitter dat er een vliegtuig is neergestort”, zegt De Laive. „De captain had alleen gemeld dat er kleine problemen waren. De steward zei: dit is alles wat we weten.” Een kwartier later meldde de captain een ‘serieus ongeluk’ en kondigde vertraging aan. „Maar door de berichten op Twitter wist iedereen in het vliegtuig inmiddels al veel meer over wat er aan de hand was”, zegt De Laive. Hij zei zelf op Twitter: ‘Schiphol airport is closed due to a problem with an inbound flight. I’m in the plane and via Twitter I see there is a crash!’

Twitter bestaat sinds 2006 en telt naar ruwe schatting 6 miljoen gebruikers wereldwijd, en veel meer mensen die zelf niet twitteren maar wel berichtjes volgen. Wie een mobiele telefoon met internet heeft en een gratis account van Twitter, kan binnen enkele seconden en vanaf waar dan ook nieuws de wereld in sturen. Over wat hij heeft ontbeten of zijn humeur, maar ook over een groot ongeluk dat voor zijn ogen plaatsvindt. Groot verschil met andere chatdiensten is dat iedereen die boodschappen (zogeheten tweets) in principe kan bekijken, niet alleen ‘vrienden’ die toestemming hebben gekregen. Nieuws kan zich daarom via Twitter als een lopend vuurtje verspreiden. Zoals de BBC het eerder definieerde: „Twitter is als een enorm snel, maar niet geheel betrouwbaar persbureau.”

Voor het eerst maakten ook klassieke Nederlandse media gisteren op grote schaal gebruik van deze persbureaufunctie van Twitter. „Het is een elkaar bevruchtend medium. Als je iets bijdraagt krijg je snel veel terug”, zegt presentatrice Lara Rense (36) van BNR Nieuwsradio, die om 10:37 uur de eerste echte tweet over het ongeluk schreef, 6 minuten na het ongeluk en 18 minuten voordat het nieuws op alle grote redacties doorbrak via persbureau ANP. Rense twitterde: „Luisteraars melden ons dat er een vliegtuig is neergestort op Schiphol.” Twee minuten later vroeg ze in een tweet of iemand iets gezien of gehoord had. Daarna nam het aantal tweets over Schiphol exponentieel toe.

Dat het nieuws als eerste op Twitter verscheen, zoals gisteren op veel websites werd geschreven, is niet waar: de eerste ooggetuigen belden naar BNR Nieuwsradio. „We hebben het eerst netjes op de radio gemeld, daarna heb ik het op Twitter gezet”, zegt Rense. „Dat leverde geen andere ooggetuigen op, maar wel meer nieuwstips.”

Het BBC-programma Have Your Say zocht via Twitter ooggetuigen en ook tv-programma NOVA en de Volkskrant meldden zich. Via de van Twitter afgeleide website Twitpic verschenen al gauw de eerste foto’s.
Volgens internetjournalist Jaap Stronks (27), die voor de website van tijdschrift Bright schreef over de verslaggeving rond het ongeluk, is Twitter het afgelopen half jaar ontdekt door opiniemakers en media. „Mensen als Maxime Verhagen en Charles Groenhuijsen twitteren nu ook. In de afgelopen twee weken zijn er zes Europarlementariërs bijgekomen.”

De populariteit van Twitter heeft ook een keerzijde. Drie kwartier na de eerste berichten was het aantal tweets over de ramp opgelopen tot een stroom van meer dan honderd per minuut. Voornamelijk verwijzingen naar kranten- en televisiesites, veel herhalingen en speculaties over aantallen slachtoffers. Lara Rense van BNR Nieuwsradio is desondanks overtuigd van het nut van Twitter: „Je moet altijd een slag om de arm houden. Maar een beller kan ook iets uit zijn duim zuigen.”
Met medewerking van Ernst-Jan Pfauth

    nrc next

    Geen commentaar | nrc next | 22 april 2009 om 09:57

    Nederlandse musea geven videokunst volop de ruimte

    de recensent sandra smallenburg over beeldende kunst

    Door Sandra Smallenburg
    Rotterdam, 3 april.

    Nog niet eens zo heel lang geleden – we spreken over de jaren negentig – was videokunst een redelijk gemarginaliseerde kunstvorm. Wie op de hoogte wilde blijven van nieuwe ontwikkelingen binnen het medium kon terecht bij gespecialiseerde instellingen als V2 of het Nederlands Instituut voor Mediakunst. Voor de liefhebbers was er een jaarlijks World Wide Video Festival. En af en toe liet het Stedelijk Museum in Amsterdam een aardig filmpje zien in een speciaal voor de videokunst ingerichte ruimte: een donker hol onder de trap.
    En kijk nu eens. Op internationale biënnales zie je sporadisch nog een schilderij – de meeste ruimtes zijn er verduisterd omwille van de vele kunstvideo’s. En ook de museale wereld is zich er steeds meer van bewust dat videokunst een volwaardig zalenvullend medium is geworden. Je mag het gerust een unicum noemen dat vrijwel alle belangrijke Nederlandse musea op dit moment werk van hedendaagse videokunstenaars tonen. Zo combineert Museum De Hallen de gruizige muziekvideo’s van de Amerikaan Slater Bradley met de existentiële filmpjes van Guido van der Werve, en laat het Van Abbemuseum een overzicht zien van de Litouwse videokunstenaar Deimantas Narkevicius.
    Het spectaculairst zijn de presentaties van Pipilotti Rist en David Claerbout in respectievelijk Museum Boijmans Van Beuningen en De Pont. In beide musea toverden de kunstenaars de bestaande architectuur met behulp van transparante gordijnen en schermen om tot desoriënterende labyrinten. Museumbezoekers worden in de watten gelegd met hoogpolig tapijt en comfortabele matrassen (bij Rist) of kunnen zich neervlijen op Fatboy zitkussens (bij Claerbout). Zo vinden zelfs de meest recalcitrante middelbare scholieren hun verplichte kunstuitje goed te pruimen.
    Elixir, de tentoonstelling van Rist, glijdt naar binnen als een ijsje op een mooie lentedag. Op plafonds, vloeren en wanden trekken beelden voorbij van meisjesbenen onder korte rokjes en uit elkaar spattend sappig fruit. Voeg daarbij de hallucinerende kleuren en de trance-achtige muziek en je snapt waarom iedereen met zo’n gelukzalige glimlach naar buiten stapt.
    Ook Claerbouts tentoonstelling The Shape of Time begint rustgevend, met beelden van een idyllische alpenweide en het geluid van kabbelende beekjes en kwetterende vogels. Maar bij de Belgische kunstenaar word je als kijker ook geconfronteerd met de rafelranden van het paradijs. Je schrikt je rot als tussen de bergen plots een geweerschot klinkt. Tegen het decor van een pittoreske villa wordt een man keer op keer met een steen de hersens ingeslagen, een geluid dat nog lang in je hoofd echoot.
    Zowel de kalmerende beelden van Rist als de verontrustende films van Claerbout bewijzen dat de hedendaagse videokunstenaars in staat zijn om een breed publiek te trekken. De tijd dat kunstfilmpjes werden weggestopt, is voorgoed voorbij. Het Nederlands Instituut voor Mediakunst, dat zich altijd heeft ingezet voor de verspreiding van videokunst en dat volgende maand zijn dertigste verjaardag viert, heeft zichzelf dus eigenlijk overbodig gemaakt.

      Twitter: de nieuwe verslaving

      Mensen volgen in hun bedoeninkje, ook al heb je wat beters te doen. Je onbewuste wil het, merkte Ellen de Bruin

      Twitteren is al binnen twee dagen verslavend, merkte Ellen de Bruin. Tegelijk is het niksig en slurpt het tijd.

      Waar komt die haat/liefde verhouding dan vandaan?

      Dit is het soort verhaal waarvan ik niet verwacht had dat ik het zou schrijven. Want het doet me te veel denken aan wat er een aantal jaar geleden gebeurde. Het bloggen begon net op te komen, journalisten van papieren kranten realiseerden zich dat bloggers soms met nieuws kwamen, en schreven toen allemaal verhalen waarvan de strekking vooral was: kijk, bloggen bestaat, en moet je zien wat het is en wat die bloggers allemaal doen!

      Dat leverde hun uiteraard de hoon op van wat toen nog weleens de blogosfeer werd genoemd: vroeg-internetwijze types die niet alléén maar over hun kat blogden (althans, dat deden ze alleen op vrijdag) en die, soms terecht, sneerden: moet je zien hoe die papieren journalisten weer eens achter de feiten aanlopen.

      Nou, dit is dus zo’n stuk waarin ik de ouderwetse papieren journalist uithang. Kijk jongens, twitteren bestaat, en moet je zien wat het is en wat die twitteraars allemaal doen! Mea culpa, alvast. Lees verder

      Getekend filosofisch essay over dromen

      Door André Waardenburg (29 mei 2002)

      Waking Life is de zevende film van Richard Linklater (Houston, 1960), en de eerste die in Nederland wordt uitgebracht. Zijn `Generation X’-films Slacker (1991), Dazed and Confused (1993) en Before Sunrise (1995) maakten hem echter in kleine kring tot intellectuele cultregisseur. In zijn films wordt dan ook veel gefilosofeerd over het leven, deze gesprekken nemen de plaats in van de plot. Van deze episodische vorm met veel geouwehoer moet je houden, het gebeurde echter altijd wel met veel charmante humor.

      Waking Life is hier een logisch vervolg op. De charme en de humor hebben plaatsgemaakt voor een film in de vorm van een filosofisch essay over dromen. Wat als ons leven de droom blijkt te zijn van iemand anders, en wanneer weet je zeker dat je niet meer droomt? In talloze gesprekken gaat de naamloze hoofdpersoon (Wiley Wiggins) op zoek naar antwoorden.

      In ontmoetingen met 37 mensen komt er veel ter sprake: de beperkingen van taal, identiteit, het existentialisme, vrijheid, vrije wil en God. Ja, het is pretentieus, en ja, het gaat vervelen maar het doet je ook beseffen dat zo’n niet traditionele vertelvorm met eindeloze discussies iets toevoegt aan cinema als evoluerende kunstvorm, zoals Godard dat al eerder poogde.

      Linklater beseft dit heel goed. In een cruciale scène haalt Waking Life de Franse filmcriticus André Bazin aan over de plicht van cinema om de realiteit zo ethisch mogelijk vast te leggen door de relatie tussen de werkelijkheid en het gefilmde zo zuiver mogelijk te houden. Dan openbaart zich de waarheid vanzelf wel.

      Volgens Bazin gebeurt dit eerder in een `heilig moment’ tussen personages dan door de verhalende vertelvorm. Waking Life getuigt hiervan maar vernieuwt Bazins relatie tussen werkelijkheid en film ook door de digitaal opgenomen film met animatiesoftware te bewerken. Achtergronden zweven, kleuren vibreren en droomlogica overheerst. Een kleurrijke droom.

      Waking Life. Regie: Richard Linklater. Met: Wiley Wiggins, Trevor Jack Brooks, Ethan Hawke, Julie Delpy, Richard Linklater. In: Filmmuseum Cinerama, Amsterdam (niet ondertitelde kopie).

      `Waking Life’: de werkelijkheid als droom, live action bewerkt tot animatie

        Bezoek ons land van chocola, bankgeheim en Rode Kruis

        Nation branding helpt landen zichzelf te promoten en van een negatief imago af te komen. Niet alleen ontwikkelingslanden kunnen daar baat bij hebben.

        Door Toon Beemsterboer en Thalia Verkade
        Rotterdam (20 juni 2008).

        Een land is net als een merk, je moet ervoor zorgen dat mensen het kennen en er een goed gevoel bij hebben.
        Maar hoe kun je het imago van landen verbeteren?
        Zwitserland tijdens het EK in eigen land al na twee wedstrijden uitgeschakeld? Jammer voor de supporters, maar voor de toekomst van het land bestaan er belangrijkere voetbaltoernooien. Dat van vorige maand bijvoorbeeld, tussen zestien basisscholen in de Chileense hoofdstad Santiago.

        Om de Chileense jeugd kennis te laten maken met Zwitserland, organiseerde het Alpenland er een mini-EK. Het voetbalveld in Santiago hing vol met Zwitserse vlaggen en eenmaal terug in de klaslokalen kregen de schoolkinderen een ‘cursus Zwitserland’, het land van de chocolade van Lindt, klokken, het bankgeheim en het Rode Kruis.
        Dat Zwitserland ook in Chili in een vroege fase van het toernooi werd uitgeschakeld, met 14-0, deed er niet toe. „Misschien wordt één van die kinderen later wel premier of een economisch leider. Doordat ze als kind in Zwitsers tenue voetbalden, hebben ze een positieve emotionele band met ons land”, zegt Johannes Matyassy telefonisch vanuit Bern. Hij zit als hoofd van de Zwitserse organisatie Présence Suisse achter de campagne. „Dat kan in de toekomst leiden tot een investering of een vakantie in Zwitserland.”
        Welkom in de wereld van nation branding: het actief verbeteren van het imago van een land. Matyassy (tevens politicus voor de liberale FDP) staat aan het hoofd van het agentschap Présence Suisse, dat zich sinds acht jaar volledig toelegt op het versterken van ‘het merk’ Zwitserland in de wereld. Of zoals de organisatie het op de eigen website omschrijft: „In de hedendaagse geglobaliseerde maatschappij strijden landen met elkaar voor de aandacht van de wereld, van mensen, van buitenlandse investeringen en kapitaal. Een land kan daarom niet onverschillig zijn over zijn imago in het buitenland.” Présence Suisse telt dertig medewerkers en heeft jaarlijks circa 6 miljoen euro te besteden.
        Dat zie je terug in de vele tv-spotjes over Zwitserland tijdens het EK. Net als de spotjes over het ook al uitgeschakelde Oostenrijk gaan die niet over voetbal, maar over de tijdloze kwaliteiten en de diversiteit van het land: een foto van een bergketen met daaroverheen het woord Stabiliteit, of een wegwijzer in meerdere talen. ‘Ontdek de plus’, luidt de nationale leus die staat afgedrukt naast het Zwitserse kruis.
        Het kan trouwens ook goedkoper. Door eerst Italië en daarna Frankrijk te verslaan zorgde Oranje voor spontane gratis landreclame bij honderden miljoenen tv-kijkers. De beelden van de blonde voetballers met hun kinderen op de arm, duizenden vrolijke, zich niet misdragende supporters zijn goede promotie voor het ‘merk’ oranje. ‘J’adore la clockwork orange!’ en ‘I’m falling in love with the Dutch’ luidden twee van de vele enthousiaste commentaren op het BBC-voetbalforum 606.
        Het begin van nation branding door reclamecampagnes wordt algemeen gesitueerd in Spanje, waar na afloop van de dictatuur van generaal Franco in 1975 maar weinig mensen naartoe wilden. De campagne onder de slogan Everything under the sun met als symbool een schilderij van Miró gaf een heel ander beeld van Spanje. Mede hierdoor is het een populair vakantieland geworden.
        Maar nation branding is niet alléén het verzinnen van een goede reclameslogan. „Sinds Spanje in 2005 het homohuwelijk heeft gelegaliseerd, is het land niet meer alleen een ander land dan Franco’s Spanje, maar zelfs helemaal het tegenovergestelde”, zegt de Brit Simon Anholt, die zich de uitvinder van de term ‘nation brand’ mag noemen. Sinds drie jaar stelt hij elk kwartaal een overzicht van ‘landmerken’ samen.
        Volgens Anholt, die in het verleden ook Présence Suisse tijdelijk heeft geadviseerd, is een pr-campagne alleen nooit genoeg om het imago van een land te verbeteren. Het begint met beleid. „Een beter imago moet je verdienen, dat kun je niet met een campagne verzinnen.” En dus „moeten landen een lange adem hebben”, zegt Peter van Ham, plaatsvervangend hoofd onderzoek van het Instituut Clingendael en expert op het gebied van nation branding. „Een imago verander je niet zo snel. Landen moeten de aandacht vestigen op actuele ontwikkelingen, die ingaan tegen oude vooroordelen.”
        Simon Anholt helpt landen hun imago te verbeteren door bijeenkomsten te organiseren met de regering, vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld, een groep van maximaal negen mensen. „Zo’n sessie, ik noem het een conversazione, vindt altijd plaats op een historische plek. We gebruiken geen tafels, stropdassen zijn verboden en mobieltjes worden ingeleverd. En dan praten we over wat een land leuk maakt.”
        En ja, dan adviseert Anholt landen soms ook een bescheiden verandering van beleid. Zo stelde hij in de jaren negentig aan Slovenië voor om ontwikkelingshulp te geven aan de rest van voormalig Joegoslavië, om van het imago ‘Balkanland’ af te komen. „Je kunt honderd keer roepen dat je geen Balkanland bent, maar pas als je donor bent van een gebied, hoor je er echt niet meer bij.”
        Een ander geslaagd voorbeeld van nation branding door wijziging van politiek beleid is Ierland, dat de inkomstenbelasting voor kunstenaars afschafte. „Slim, want dichters brengen toch geen geld in het laadje. Ierland staat nu wel te boek als een land dat artiesten de ruimte geeft”, zegt Anholt.
        En dan is er nog de rol van bedrijven. Bijvoorbeeld in Letland, een land dat Anholt recentelijk adviseerde en dat onderaan zijn landenindex bungelt. „Letland is niet zomaar onbekend, het land wordt als expliciet negatief gezien. Een erfenis van de Sovjettijd”, aldus de Brit, die een paar conversaziones hield met onder anderen de Letse president en premier in een historisch kasteel.
        Een verhaal dat toen naar boven kwam, betrof een Lets bedrijfje dat studiomicrofoons maakt. „Het aardige is dat deze jongens in de Sovjettijd zijn begonnen door microfoontjes uit de hoorns in telefooncellen te stelen. Tegenwoordig maken ze wereldwijd de beste professionele studiomicrofoons”, vertelt Anholt. Een landelijk marketingagentschap zal dit microfoonbedrijf en andere Letse talenten gaan scouten en begeleiden, zodat ze uit kunnen groeien tot de nieuwe gezichten van Letland.
        Bedrijven zijn „heel belangrijk” voor het imago van een land, zegt ook Van Ham. „Microsoft en McDonald’s zijn de meest zichtbare Amerikaanse diplomaten. En Nokia is dé vertegenwoordiger van Finland in de wereld.”
        Nation branding kan met name nuttig zijn voor kleine ontwikkelingslanden. Anholt richt zich momenteel voornamelijk op landen in transitie, samen met de VN en de Wereldbank. „Landen waarmee het vroeger slecht ging en nu goed hebben vaak nog last van hun oude imago, dat langzaam slijt.”
        Zo kan hij geen goede reden bedenken waarom iemand níét zou willen investeren in landen als Tanzania, Namibië, Angola of Rwanda. „Maar de reputatie van Afrika is verschrikkelijk. En dat is voor een deel te wijten aan westerse hulporganisaties. Om donateurs te krijgen, hebben Bob Geldof en Bono Afrika ‘gebrand’ als iets groots, zwarts en slechts. Daar hebben die landen nog jaren last van.”
        Omgekeerd denken sommige landen volgens Anholt „dat ze slecht beleid kunnen wegpoetsen met goede marketing”. Daarom wil hij ook niet alle klussen aannemen, al wil hij niet zeggen welke landen hij zijn diensten heeft geweigerd. „Sommige landen hebben hun slechte reputatie echt verdiend. Als ik door dit soort landen word gevraagd, probeer ik duidelijkheid te krijgen over de motieven: word ik ingezet voor propaganda of wil dit land daadwerkelijk iets veranderen?”
        China is een voorbeeld van een land dat propaganda wil bedrijven met de technieken van nation branding. Het grijpt de Olympische Spelen aan om zich als vreedzame supermacht te presenteren: the peaceful rise of China. „Maar het neerslaan van de Tibetaanse demonstraties voor meer vrijheid lieten een ander China zien”, zegt Van Ham. „Een land dat geen kritiek duldt en probeert critici de mond te snoeren.”
        Maar bij de aardbeving die de provincie Sichuan vorige maand trof, liet het land wél journalisten toe. De beelden die vervolgens de wereld over gingen toonden een kwetsbaar, maar vastberaden land dat bij honderden miljoenen tv-kijkers op medegevoel kon rekenen.
        Of Peking alleen met zijn imago bezig is of ook besloten heeft dat wijziging van beleid van belang is voor een beter merk China, wordt wellicht morgen duidelijk. Dan arriveert de olympische fakkel in de Tibetaanse hoofdstad Lhasa, de plek waar de anti-Chinese protesten in maart begonnen.
        Bono heeft Afrika ‘gebrand’ als iets groots, zwarts en slechts
        Ierland staat nu te boek als een land dat artiesten helpt
        Simon Anholt, ‘nation brander’
        Profiel van Zwitserland van Présence Suisse. Linksboven ‘prestaties’: stabiliteit (duurzaamheid), toekomstzekerheid, tegemoetkoming, zelfbeschikking, internationaal knooppunt, efficientie. Linksonder ‘voorkomen’: leefgebied Alpen, de hier levende mensen, het zwitserse kruis, kleuren rood en wit. Rechtsonder ‘waarden’: echt, betrouwbaar, hoogste kwaliteit, nieuwsgierig, fris.
        Beeld Présence Suisse
        Nederland moet beter laten zien waar het voor staat
        Op Simon Anholts landenindex staat Nederland op een niet al te opvallende de elfde plaats. „Nederland is bekend in Europa, maar daarbuiten nauwelijks – Amsterdam als stad is een veel beter merk dan Nederland als land”, zegt hij.
        „Een eigenschap die jullie imago zou kunnen versterken is jullie extreme arrogantie, en dat bedoel ik in positieve zin. Kijk naar de deltawerken, naar het Palmeiland bij Dubai dat door Nederlanders wordt gebouwd. Wie durft er zo de strijd aan te gaan met de elementen?
        Jullie zijn reuzen, maar doen alsof jullie pygmeeën zijn.
        Dat komt ook doordat Nederland een handelsnatie is: het ging van oudsher om geld verdienen in het buitenland, niet om de marketing van het eigen land.
        Zweden bijvoorbeeld, doet dat veel beter, die plakken op alles wat ze maken een enorme Zweedse vlag.”
        Moet Nederland iets doen om dat imago te verbeteren? „Voorlopig zijn de Europese handelsrelaties nog belangrijk genoeg, maar op den duur moeten landen als China en India weten over waar Nederland voor staat. Anders gaan jullie failliet.”
        Een imago-ranglijst
        Simon Anholt stelt elke drie maanden een imago-ranglijst op van veertig landen, op basis van een enquête onder 30.000 mensen uit 35 landen die vragen beantwoorden zoals:
        Stel, u koopt een product en ontdekt dat het uit dit land komt, vindt u dan dat je te veel, het juiste bedrag of te weinig heeft betaald?
        Stel u heeft een vacature voor leidinggevende binnen uw bedrijf. U ontdekt dat de sollicitant uit dit land komt. Maakt dat het waarschijnlijker, even waarschijnlijk of minder waarschijnlijk dat u hem aanneemt?
        In hoeverre bent u het eens met de stelling: De regering van dit land behandelt zijn burgers rechtvaardig en met respect?

        De Anholt Country Index
        (vierde kwartaal 2007):
        1. Duitsland
        2. Verenigd Koninkrijk
        3. Canada
        4. Frankrijk
        5. Australië
        6. Italië
        7. Zwitserland
        8. Japan
        9. Zweden
        10. Verenigde Staten
        11. Nederland
        12. Noorwegen
        13. Denemarken
        14. Spanje
        15. Schotland
        16. Nieuw-Zeeland
        17. Finland
        18. Ierland
        19. België
        20. Wales
        21. Portugal
        22. Brazilië
        23. Rusland
        24. China
        25. Singapore
        26. India
        27. Mexico
        28. Polen
        29. Egypte
        30. Zuid-Korea
        31. Zuid-Afrika
        32. Maleisië
        33. Turkije
        34. Estland
        35. Litouwen
        36. Letland

          Chatsessie Tim en Bernd

          plaatjeforum

            Meer termieten met een kwastje

            Door onze redactie wetenschap

            Rotterdam, 5 maart.

            In Goualougo doen chimpansees het zo. Ruk een marantacea-plantje uit de grond (ook bekend als kamerplant), trek met hand en tanden het blad eraf en – nu komt het – kauw even op het uiteinde zodat dat kwastachtig wordt. Steek dat uiteinde in het termietennest, haal het er weer uit: smullen maar!
            Alle chimpansees eten graag termieten. Ze vangen die door een stokje in een termietennest te steken waaraan termieten zich vastbijten. Maar alleen in het Goualougogebied in Congo-Brazzaville hebben de lokale chimpanseegroepen een extra truc bedacht: een kwastje aan het einde verhoogt de opbrengst aanzienlijk.
            Het lijkt een kleinigheid. We weten toch al lang dat chimpansees best handig zijn en zelfs lokale verschillen in gewoontes hebben? Ja, maar deze bewerking van een gebruiksvoorwerp tot een beter instrument geldt als een hogere vorm van werktuiggebruik. En dat is nog niet vaak bij chimpansees gezien, schrijven primatologen in een artikel dat het tijdschrift Biology Letters deze week online publiceert. Van eerdere veranderingen aan chimpwerktuigen kon nooit worden vastgesteld dat ze werkelijk beter waren.
            Bekijk een BBC-video van de chimps in actie via nrc.nl/wetenschap

              Jean-Marc van Tol: zo kom je het boekenbal binnen

              boekenbal_lowres_kleur

                Zonder innerlijke noodzaak is het moeilijk kiezen

                Hoe méér keuzemogelijkheden kunnen leiden tot minder keuzevrijheid

                Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

                Vandaag: waar komt die keuzestress toch vandaan?

                De een noemt het een quarterlifecrisis, de ander een dertigersdilemma, een derde vindt het niet meer dan een luxeprobleem. Maar aanstellerij of niet, veel mensen ervaren ‘keuzestress’ tegenwoordig als een reëel ongemak in hun dagelijkse leven. Vooral jongeren hebben soms grote moeite met kiezen: welke studie wil ik volgen, welke baan ga ik nemen, welke carrière streef ik na? Koop ik direct een huis, of ga ik eerst op wereldreis? Wil ik nu een vaste partner, of blijf ik liever nog vrijgezel? Neem ik vroeg kinderen, of juist later? De vrijheid om te doen wat we willen is enorm, en het aantal mogelijkheden vaak nog groter. Zo groot, dat velen zich er niet vrijer, maar juist onvrijer door voelen. De keuzes worden niet als een verrijking ervaren, maar eerder als een last.

                De vraag is: hoe kan dat? Hoe kan de gevoelde keuzevrijheid afnemen naarmate het aantal keuzemogelijkheden juist groter wordt? Ondanks de vele boeken die inmiddels zijn verschenen over dit paradoxale fenomeen, wordt die vraag zelden gesteld. De meeste auteurs constateren weliswaar dat twintigers en dertigers lijden onder een „teveel aan keuzes”, maar verklaren meestal niet hoe zo’n ‘teveel’ eigenlijk ontstaat. Dat is jammer, want er bestaat een goede filosofische verklaring voor, waar pathologische twijfelaars wellicht nog een geruststelling uit kunnen destilleren. Voor die verklaring moeten we eerst te rade gaan bij de Britse filosoof Isaiah Berlin (1907-1997), die in zijn beroemde essay Two Concepts of Liberty (1958) – ontleend aan de filosofie van Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) – een verhelderend onderscheid maakt tussen twee ‘concepten’ van vrijheid: positieve en negatieve vrijheid.

                Negatieve vrijheid, stelt Berlin, is het „ontbreken van externe belemmeringen of obstakels”. ‘Negatief’ betekent hier dus niet ‘slecht’ of ‘verkeerd’, maar ‘afwezig’: hoe minder belemmeringen, des te groter de vrijheid. Dit is een gangbare manier waarop keuzevrijheid vaak wordt begrepen: hoe groter het aantal keuzes – bijvoorbeeld het aantal beschikbare plaatsen in een vliegtuig – des te meer keuzevrijheid men geniet. Groeit het aantal obstakels – steeds meer plaatsen zijn bezet – dan neemt ook de keuzevrijheid evenredig af. In de ‘negatieve’ zin van het woord correleren vrijheid en het aantal opties dus lineair met elkaar: hoe meer onbezette stoelen, des te vrijer de keuze.

                Definieert men keuzevrijheid daarentegen als een ‘positieve vrijheid’, dan gaat dit verband niet langer op. Met positieve vrijheid doelt Berlin op de vrijheid „om autonoom te handelen”. Anders dan bij de vorige definitie, wordt de mate van vrijheid hier niet ‘negatief’ bepaald, door te kijken naar het ontbreken van externe obstakels, maar positief – door te kijken naar de aanwezigheid van interne motieven. Want, zo luidt een aloud Kantiaans inzicht, de mens is vrij „voor zover hij zichzelf zijn eigen wil op kan leggen”. Dat betekent: om autonoom te kunnen handelen, heeft een mens beweegredenen nodig. Wat een handeling namelijk autonoom maakt – en geen impuls of reflex – is dat zij bewust is: ze wordt voorafgegaan door een reden. En hier geldt: hoe sterker iemands reden om iets te doen (of te laten), des te autonomer en dus des te vrijer hij is.

                Dit ‘positieve’ vrijheidsconcept maakt duidelijk waarom mensen zich onvrijer kunnen voelen naarmate het aantal keuzes steeds meer toeneemt. Want, hoe groter het aantal keuzes, des te kleiner het verschil tussen die keuzes. En hoe kleiner het verschil tussen de keuzes, des te minder redenen er overblijven om het ene boven het andere te verkiezen. Hoe dat komt, is misschien het beste te illustreren aan de hand van de (denkbeeldige) situatie waarin iemand een oneindig aantal keuzes heeft.

                Stel, je staat in de supermarkt voor een schap met een oneindig aantal soorten jam. Het verschil tussen al die soorten jam is dan niet langer waarneembaar. Tussen alle potjes staan immers ook nog alle andere jamsoorten die je maar kunt bedenken – ad infinitum. De potjes zijn daardoor niet van elkaar te onderscheiden. En omdat het verschil tussen de jampotjes niet te zien is, is ertussen kiezen ook onmogelijk geworden. Natuurlijk heb je nog wel de vrijheid om een willekeurige greep uit het schap doen, maar van keuzevrijheid is dan geen sprake. Een willekeurige greep is immers geen keuze – er gaat geen reden aan vooraf. Doordat het aantal keuzes oneindig groot is geworden, is de keuzevrijheid gereduceerd tot nul: iedere reden om de ene jam boven de andere te verkiezen is immers verdwenen.

                De grafiek van ‘positieve’ keuzevrijheid verloopt dus niet lineair, maar parabolisch: op het moment dat het aantal keuzes te groot wordt, en de verschillen tussen de keuzes te klein, neemt het aantal beweegredenen af – en daarmee iemands autonomie. Daardoor vermindert ook de gevoelde vrijheid: je kan moeilijker tot een keuze komen. En dat heeft – als je veel keuzes moet maken – ‘stress’ tot gevolg. Keuzestress wordt dus niet alleen (of niet zozeer) veroorzaakt door een overvloed aan keuzes, maar vooral door een gebrek aan voorkeuren die het hebben van veel opties veroorzaakt. Daarom beschouwen sommige mensen het vooral als een luxeprobleem, of zelfs als aanstellerij: het verschil tussen nergens ‘zin’ in hebben en nergens ‘redenen’ voor hebben is vaak moeilijk te zien.

                Overigens hoeft een groot aantal keuzes niet automatisch te leiden tot minder beweegredenen. Wie een enorme passie voor geschiedenis of natuurkunde heeft, zal weinig moeite hebben met zijn studiekeuze – ongeacht de talloze studies waaruit hij kiezen kan. En andersom geldt ook: het hebben van weinig beweegredenen hoeft niet per se het gevolg te zijn van het hebben van veel opties. Een gebrek aan beweegredenen kan ook voortkomen uit een zwakke identiteit. Een persoon met een zwakke identiteit heeft namelijk van zichzelf weinig voorkeuren en zal dus – ongeacht het aantal keuzes – moeilijker kunnen kiezen. Nu is de ontwikkeling van zo’n zwakke ‘persoonlijkheid’ per individu verschillend, en vooral afhankelijk van capaciteit, erkenning en zelfvertrouwen. Maar er hebben zich de afgelopen zestig jaar ook enkele maatschappelijke processen voltrokken die bijgedragen kunnen hebben aan een minder sterke identiteit bij jonge mensen.

                Het eerste proces is de ontkerkelijking en de daarmee samenhangende ontzuiling. Het geloof werd steeds minder (streng) beleden – en de overtuigingen van mensen dus zwakker. Tegelijkertijd werd ook de opvoeding langzaam maar zeker vrijer. Het was niet langer vanzelfsprekend om het eigen wereldbeeld over te dragen of op te leggen aan je kinderen; zij kregen de vrijheid zelf hun opvattingen te kiezen. Het gevolg: een fragmentarischer, minder eenduidig en dus ‘grijzer’ wereldbeeld. Dat werd nog eens versterkt door de opkomst van de massamedia, waardoor duizend-en-één ‘waarheden’ elkaar doorlopend om voorrang gingen beconcurreren. Ons wereldbeeld werd daardoor steeds grijzer. Dat grijze wereldbeeld kreeg in de jaren ’90 ook zijn weerslag in een ideologieloze politiek, toen het Paarse kabinet onder aanvoering van het PvdA van Wim Kok idealisme en principes verruilde voor pragmatisme en polderen. En net als veel adolescenten van nu, hadden ook de politici van toen al moeite met kiezen: ‘gedogen’ werd niet voor niets een toverwoord.

                Keuzestress is dus niet alleen een kwestie van luxe of overvloed, maar ook van opvoeding, technologie en tijdgeest. De jonge adolescenten van nu zijn opgegroeid in een tijd waarin iedereen het wel zo’n beetje eens was met hun ouders, met de politiek en met elkaar. Daardoor hebben we minder sterke voorkeuren – en dus een minder sterke identiteit – ontwikkeld dan soms handig is in een samenleving waarin er ieder uur van de dag wel weer een nieuwe keuze moet worden gemaakt. Maar eerlijk gezegd ben ik wel blij dat ik nu leef, en niet zestig jaar geleden. Want als ik zou moeten kiezen tussen keuzestress of helemáál geen keuzes, zou ik geen moment hoeven twijfelen.

                Waarom riepen Lowlands-bezoekers massaal ‘Theo!’?

                Als Lowlandsbezoekers samendrommen, ontstaan er opmerkelijke groepsactiviteiten. Van spontane potten- en pannenconcerten en soundwaves van camping naar camping, tot het massaal aanroepen van een zekere ‘Theo’ in 2004. Wat bezielt de festivalmens?

                Voor het Theo-virus zijn in de loop der jaren verschillende verklaringen aangedragen. Volgens Lowlandsdirecteur Eric van Eerdenburg is het meest waarschijnlijke verhaal dat van Theo Vlaar, nu 27 jaar en watermanager in Groningen.

                Vlaar verliet destijds de rij voor de ingang om te plassen, raakte zijn vrienden kwijt die hem begonnen te roepen, dat werd overgenomen door andere bezoekers en vervolgens riep heel Lowlands drie dagen lang ‘Theóóó!’ „Ik heb een naam die gewoon lekker is om te brullen als je wat biertjes op hebt”, zo verklaart Vlaar het nu. „Gelukkig is het voorbij. Ik werd er para van.”

                „Mensen zijn imitatieve dieren”, zegt Hans van de Sande, docent sociale psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en gespecialiseerd in massagedrag. „De kuddementaliteit is in de evolutie diep verankerd in de genen van schapen en koeien, maar je ziet het deels ook bij mensen: zorgen dat je niet opvalt, in de kudde opgaan, anders ben je kwetsbaar voor predators. Mensen, net als primaten en bijvoorbeeld wolven, leven in een meer geavanceerde sociale groep. Hierin speelt vooral angst voor uitsluiting, want buitenbeentjes hebben minder kans op nageslacht.”

                Uitsluiting of ostracisme raakt mensen heel snel en heel diep, zo toonde de Amerikaanse socioloog Kip Williams in 1997 aan met zijn simpele ball toss-experiment. Als een groep mensen een bal overgooit en sommigen worden daarbij consequent overgeslagen, dan worden zij in enkele minuten diep ongelukkig.

                Samen iets roepen is dus fijn. Van de Sande: „Dat je er blij van wordt, maakt aannemelijk dat het ingeprogrammeerd gedrag is. Alles wat met voortplanting en overleving te maken heeft, zorgt voor hevige emoties. Elias Canetti constateerde in Masse und Macht uit 1960 al dat mensen het prettig vinden om af en toe in grote groepen te verkeren. Af en toe, hè.”