Omdat in de Boekenweek ineens blijkt dat iedere zichzelf respecterende schrijver een innig en betekenisvol contact heeft met de hond of de kat die toevallig ook in huis woont: taal en dieren.
Dieren zijn zelf niet zo goed in taal, behalve de grutto die de hele tijd zegt dat hij een grutto is („Grut-to! Grut-to!”), en de kievit die ook voortdurend „kievit” moet zeggen (de koekoek heeft er ook een handje van). Verder is het vooral veel gekrijs, gehijg en gesis. En getwiet natuurlijk.
Omdat dieren zo slecht zijn in taal, zijn ze bijzonder geschikt om tegen aan te lullen. Ze zeggen toch niets terug. „Zo, jij wilt naar buiten! Nou, zal mama dan even de deur opendoen?” Mama. Tegen een poes. Oké, zelf heb ik me er wel eens op betrapt dat ik me aan een poes voorstelde als ‘tante Paulien’, maar bij ‘mama’ trek ik de grens.
Gek trouwens, want wat kan die kat het schelen?
„Waar istie dan? Waar istie dan? Ben je nou onder de bank gaan zitten, mallerd! Terwijl mama net zo’n lekker maaltje heeft gekocht!” Wat in menselijk verkeer te gênant of te eng is, wordt tussen mens en dier ineens mogelijk. „Je bent een lieve pluizenbol, en daarom ga ik mijn neus in je buikje stoppen! Ja! Ja! Nee niet weglopen.”
Er zijn ook mensen die dieren helemaal niet misbruiken als praatpaal. Die mensen snappen het niet. Het zijn de types die tegen elk dier ‘hij’ zeggen, ook als het dier een meisjesnaam heeft en geslachtelijk een meisje is. Ze zeggen ook liever ‘die kat’ in plaats van gewoon de naam van het beest. „Wat doet die kat op mijn plek?” „Mupke! Ze heet Mupke, en ze heeft net zo veel recht om hier te zitten als jij!”
De kat denkt ondertussen aan brokjes.
Paulien Cornelisse