Wie, om wat voor reden dan ook, troost nodig heeft, komt in een heel nieuw taaldomein terecht. Want wat blijkt? Veel mensen die troost willen bieden, denken dat wat ze zeggen niet troostend genoeg is. Dat resulteert in de grootst mogelijke taalonzekerheid. „Ja, ik kom niet verder dan ‘kut voor je’, maar daar heb je natuurlijk niets aan.” Waarom zou je daar niets aan hebben? In strikte zin schieten woorden natuurlijk altijd te kort. Een blanco envelop met geld, daar heb je wat aan. Maar troost de envelop ook? Nee.
Ook populair onder troosters is: „Ik kan werkelijk niets bedenken wat ik voor je kan doen. Maar áls er iets is…” Het klinkt alsof de spreker bang is dat hij de indruk wekt dat hij alle problemen zo maar eventjes denkt te kunnen oplossen.
Er zijn ook troosters die positiever in het leven staan. Ooit hoorde ik deze (echt, echt, echt): „Wat klote voor je dat het uit is. Maar wat een uitdaging om nu weer alleen verder te gaan!”
Het moeilijkste troosten vindt natuurlijk plaats als er iemand dood is gegaan. Omdat dat zo verschrikkelijk moeilijk en onmogelijk is, hebben de mensen verzonnen dat je dan ‘gecondoleerd’ moet zeggen. Een vreemde, afstandelijke formule, die daarom vaak wordt ingekapseld tot zoiets: “Nou, gecondoleerd, zal ik maar zeggen.”
Jammer dat troosten niet een beetje meer pit mag hebben. Vergelijk het met feliciteren, het omgekeerde van troosten. Je hebt het ultrasaaie ‘Nou, van harte’ – dat is het ‘gecondoleerd’ van de felicitaties. Aan de andere kant van het felicitatiespectrum heb je kleuterjuffen die een vlag op het bord tekenen en er enthousiast de klassieker ‘gefeliciflapstaart!’ uitgooien.
Troosten met de energie van een kleuterjuf. Dat zou mooi zijn. Dat er bij elk levensdrama wel iemand op je af zou komen met een welgemeend ‘gecondoleflapstaart’.