Kabinet bedondert ons met onderwijsbeloftes
Toch geen extra geld voor het onderwijs, wel een andere berekening
In maart van dit jaar deed het kabinet deze belofte: evenveel geld naar onderwijs als het gemiddelde in de Oeso-landen. Dat zou vier miljard euro per jaar opleveren. Nederland gaf, volgens de Oeso-cijfers, maar 5,1 procent van het bruto nationaal product uit aan onderwijs, tegen 5,8 procent gemiddeld.
Met vier miljard kun je leuke dingen doen: de klassen verkleinen, de leraren nog meer betalen of de bezuiniging op de studiefinanciering terugdraaien.
Maar nee, niets van dat alles. Minister Bos (Financiën, PvdA) schreef in hoofdstuk 1 van de Miljoenennota doodleuk dat Nederland al op het Oeso-gemiddelde zit.
Wie zei ook alweer dat statistieken erger zijn dan damned lies? Het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarop Bos zich baseert, blijkt al in december vorig jaar een nieuwe berekeningsmethode voor de onderwijsuitgaven te hebben ingevoerd. Een aantal zaken bleek nog niet te worden meegerekend: onder meer de uitgaven aan particulier onderwijs, leerwerktrajecten, schoolreisjes en leerlingenvervoer.
Die revisie is toen ook bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs. ,,Er is dus niets geheimzinnigs aan”, zegt een woordvoerder van Plasterk in een reactie.
Het kabinet deed de belofte dus alleen maar omdat het wist dat ze inmiddels al was ingelost. Geen extra geld voor het onderwijs, dus studenten hebben pech.
Inmiddels blijkt Nederland weer 0,1 procentpunt achter te lopen bij het Oeso-gemiddelde: 5,6 om 5,7. Dat zou toch nog een half miljard euro per jaar extra opleveren voor het onderwijs. Bovendien, zegt een woordvoerder van minister Plasterk (Onderwijs, PvdA), ,,blijft de ambitie om boven het Oeso-gemiddelde te komen”.



