De dertigste Troonrede van koningin Beatrix kwam er op zichzelf redelijk vlotjes uit. Hij was visionair, scheen, maar als dat zo was moet er misschien een nieuwe definitie van ‘visionair’ worden verzonnen.
Uiteindelijk is het probleem bij de Troonrede dat het een geschreven tekst is, die absoluut niet geschikt is om naar te luisteren.
Wel zou het fijn zijn als de ministers, die uitgebreid gefilmd worden tijdens het ‘luisteren’, eens geïnstrueerd zouden worden over hun non-verbale communicatie. Nu was het net een moderne mimegroep die ‘ellende in al haar verschijningsvormen’ moest uitbeelden. Rouvoet deed ‘ik voel een migraine-aanval opkomen’. Ter Horst bracht een getormenteerde gelatenheid, op zichzelf een prestatie. Donner was bijna aan het overacten met zijn ‘Hunk? Ik begrijp hier he-le-maal niets van.’ Plasterk ging er vol in met ‘Ik heb zo’n droeverig gevoel, waar ik de woorden niet voor weet.’ En Hirsch Ballin was het meest overtuigend met ‘Die kaaskroketjes zijn toch niet helemaal lekker gevallen.’
Kom op uwe excellenties! Dit is het hoogtepunt van uw carrière! Mag dat misschien een beetje van de gezichten afstralen? Natuurlijk, breed lachen is niet gepast, in deze tijden van crisis, maar zoek dan een middenweg. Weisglas zat dan tenminste nog redelijk vrolijk in zijn neus. En Lubbers bevingerde contemplatief de kloof in zijn kin.
Afijn, toen iedereen uitgemimed was, was het de taak van Ferry Mingelen om er ‘gewone mensentaal’ van te maken. Dat moet blijkbaar met het woord ‘Jongens’. Bijvoorbeeld zo: „Dus dan is de boodschap toch van, jongens, denk niet te licht over zo’n enorm tekort!”
Als het ingewikkeld wordt, kan ‘jongens’ een hoop goed maken, zo bleek keer op keer. „En de regering dreigt dan een beetje terug van jongens, hoho.”
‘Jongens’ klinkt alleen wel meteen erg padvinderij-achtig. „Jongens, even met z’n allen, hup!”
Volgend jaar moet Ferry Mingelen lekker tussen de ministers gaan zitten. En dan mag hij op gepaste momenten om zich heen kijken en zeggen: „Hè jongens, doe nou even leuk mee. Hè jongens, niet zo flauw doen.”