Arm zijn is uit. Rijk zijn is in
Of was het: grootschalige hulp is uit, kleinschalige hulp is in?
Ik ben lid van een dozijn goeie doelen. Op het station stel ik de bevlogen studenten van Greenpeace, Stichting Aap, Unicef, Cordaid, alleen nog maar teleur door te zeggen: “ik ben al lid”. En negen van de tien keer is dat waar. Zie ik een commercial op tv van een ultiem lieve, verwaarloosde aap in kooi, dan stort ik de volgende dag geld op de rekening van Stichting Aap.En toch bekruipt me soms dat skeptische gevoel. Ik wil niet dat mijn geld een dure directeursbolide betaalt, of in de zakken belandt van een corrupte ambtenaar.
En ik ben niet de enige die zich zorgen maakt over de besteding van mijn donaties. Het is tegenwoordig zelfs hip en verantwoord om tegen ontwikkelingshulp te zijn, schrijft nrc.next-medewerker Toef Jaeger vandaag op de opiniepagina.
‘Want ontwikkelingshulp geeft regeringleiders een excuus om de handen niet uit de mouwen te steken,’ aldus Jaeger. Die stelling is afkomstig van de Zambiaanse econome Dambisa Moyo, wier boek Dead Aid zoveel invloed heeft dat zelfs Barack Obama de centrale these afgelopen zomer tijdens zijn rondreis door Sub-Sahara Afrika herhaalde: Afrikaanse leiders moeten hun verantwoordelijkheid nemen, want slecht bestuur en corruptie zijn de grootste vijanden van het Afrikaanse continent.
Moyo en Jaeger hekelen de ontwikkelingssteun van regering naar regering. Maar ook op de werkwijze van de grote ngo’s als Amnesty International en Unicef, wordt de laatste tijd veel kritiek geuit. Te vaak worden lokale behoeften genegeerd. Zo kregen slachtoffers van de tsunami in Myanmar huizen waarbinnen de hitte ondraagelijk was en werd aan slachtoffers die tientallen kilometers landinwaarts bivakeerden vissersboten geschonken. Naomi Klein wijst in haar laatste boek The Shock Doctrine (klik voor recensie) op de strikt a-politieke opstelling van grote ngo’s en de mensenrechtenbeweging. Zo verzaken deze organisaties de oorzaken van rampen en mensenrechtenschendingen aan de orde te stellen, aldus Klein.
Even hip als kritiek op ontwikkelingssteun en -organisaties is het om kleinschalige projecten te steunen. Dat heeft een paar enorme voordelen: je omzeilt corruptie, door het lokale karakter van deze initiatieven komt je geld aan bij mensen die precies weten waaraan en hoe ze het moeten besten, en je betaalt niet mee aan het hoge loon van een Unicef directeur, plus dat van zijn beveiligingspersoneel en hun spiksplinternieuwe fourwheeldrives. Jaeger schrijft in haar artikel over een kleinschalig project in Zuid-Kenia: “Simpel, kleinschalig, haalbaar en niet ideologisch. Bovenal, (…), het economische succes is meetbaar.”
De website die in Nederland uitstekend werk doet voor kleinschalige projecten is het onlangs vernieuwde 1procentclub.nl. De opzet is die van Facebook: je maakt een profiel aan met een fotootje en je interesses en kan vervolgens op zoek gaan naar een project dat je wil steunen. Een groen-rozebalk geeft aan hoeveel geld er nog nodig is voor het project. De projecten zijn concreet en kleinschalig: een breakdance school in Guatemala; pen, potlood en papier voor een klaslokaal in Tibet; een motorfiets voor een dorpswerker in Malawi zodat hij AIDS-wezen en HIV-patienten die veraf wonen, kan opzoeken.
Echt waar, het is moeilijk om niet razend enthousiast te worden over 1procentclub.nl. Ik weet in ieder geval wat ik ga doen: zwaar snoeien in mijn ngo-uitgaven, en op 1procentclub.nl shoppen naar concrete projecten. Want grootschalige ontwikkelingshulp mag dan uit zijn, wat echt hip is zijn kleinschalige projecten.




