Er is iets aan de hand met het woord ‘zomaar’. Vroeger werd het alleen gebruikt om toeval of willekeur uit te drukken. „Waarom hebben jullie die afvalbak vernield?” „Kweenie. Zomaar.”
Nu heeft ‘zomaar’ weinig meer met zomaar te maken. Let er maar eens op. Hoe vaak hoor je tegenwoordig niet een gesprekje als dit: „Ga je nog naar de sportschool?” „Dat zou zomaar kunnen.” Daar zit geen toeval meer bij: deze persoon gaat zeker naar de sportschool, maar hij wil het op een relaxte, nonchalante manier uitdrukken.
Ook zonder dat er een vraag aan vooraf gaat, is ‘zomaar’ prima te gebruiken, indien gewenst uitgebreid met ‘ineens’: „Ik denk dat ik zomaar ineens een biertje ga nemen.” De gesprekspartner kan dan antwoorden: „Ja, doe eens gek.”
Het moderne ‘zomaar’ wordt vooral gebezigd door mensen die onproblematisch van aard zijn, of zo willen overkomen. Het omgekeerde van de zomaar-mens is de onmiddellijk-mens: „Ik wil dat die vuilniszakken onmiddellijk van de overloop verdwijnen!” De zomaar-mens zou dezelfde uitspraak zo formuleren: „Weet je wat zomaar heel erg leuk zou zijn? Als die vuilniszakken buiten gezet zouden worden.”
Interviewers bedienen zich ook graag en veel van ‘zomaar’. In dat geval heeft het te maken met het verschijnsel ‘voorgesprek’. Tijdens een voorgesprek wordt het hele interview alvast voorgekookt, waardoor het interview zelf alleen nog maar een toneelstukje is, waarin het voorgesprek wordt nagespeeld. Een tijdje geleden hoorde ik op de radio de interviewer tegen de geïnterviewde zeggen: „En nu denk ik zomaar dat er nog wel wat meer aan de hand is, met die polders.” „Nou inderdaad,” kan de geïnterviewde dan beginnen. En de luisteraar weet: deze vraag kwam niet uit de lucht vallen, hier was sprake van voorkennis. Dat de interviewer laat merken dat hij al weet wat het antwoord is, is slim; hij erkent dat het interview tot op zekere hoogte gescript is, maar die erkenning zelf lijkt spontaan en natuurlijk. En dan kom je zomaar ineens best professioneel over.