Levensgevaarlijk, al die auteurs die aan decorstukken hangen
Onze twittercorrespondent kijkt terug op het Boekenbal
Tonie Mudde was onze twittercorrespondent op het Boekenbal. Hier het verhaal om zijn berichtjes heen. Mudde debuteerde vorige week met ‘Spaghetti Spoetnik’: een roman over macht, seks en sterrenkunde.
Stadsschouwburg Amsterdam, 01:27 uur. Aan de rand van de dansvloer staat een man met een plastic laurierkrans op zijn hoofd. Hij staart lang en aandachtig naar het decorstuk dat aan twee metaaldraden aan het plafond hangt. Het is een felgekleurde houten plaat met de tekst ‘Battle of the Spoken Word’. Het ding is zeker 1 meter bij 2 meter en ziet er zwaar uit. De man – jaar of dertig, blonde krullen – kijkt over zijn schouder. Uit de speakers klinken drums en saxofoon, een vrouw die op Connie Palmen lijkt, doet de twist. Met beide handen pakt de man de houten plaat vast. Hij begint te trekken. Eerst voorzichtig, dan steeds harder, met rood aangelopen gezicht. Vanaf mijn plek bij de bar sla ik hem gade. Vanochtend dacht ik nog dat het geintje was, een mythe. Maar nu lijkt het toch echt te gaan gebeuren: het Boekenbal loopt ten einde, de gasten beginnen het decor af te breken.
Vijfeneenhalf uur eerder. Rij 15, stoel 11, hebbes. Ik plof in mijn stoel voor de start van mijn eerste Boekenbal. Het programmaboekje belooft optredens van auteurs als Adriaan van Dis, Midas Dekkers en Ramsey Nasr. Ook in het publiek veel bekende gezichten. Twee stoelen naar links: Kluun. Paar rijen naar voren: Charlotte Mutsaers. Ik pak mijn telefoon en twitter: “Het is net alsof ik tussen allemaal achterflappen zit.”
Reply van een follower: “Je bent zelf een achterflap.”
Na het laatste applaus schuifel ik met een broekzak vol drankmuntjes door de verschillende feestruimtes, telefoon in de hand om de laatste societynieuwtjes te twitteren. In een paar uur tijd spreek ik onder andere een schrijvende dokter, een schrijvende kickbokser en een schrijvende radiopresentator. Een redelijk bekende nonfictie-auteur fluistert in mijn oor: ,,Weet je wat de truc is om in de krant te komen? Je moet op de rode loper je arm om een écht beroemde schrijver slaan. Dan kunnen ze je niet van de foto afknippen.”
Die onthouden we voor volgend jaar.
Rond middernacht hijg ik uit in de Ajaxfoyer, waar ik mijn verkrampte twittervingers om een glas cola vouw. Aan het andere eind van de bar staat Tommy Wieringa. Onze blikken kruisen elkaar. Voor hem een moment van niks, voor mij toch even slikken. Hij ziet er precies zo uit als op zijn auteursfoto: als een sfinx torent hij uit boven de gewone stervelingen. Pas wanneer hij een sigaret opsteekt, neemt hij weer aardse proporties aan. Van een schrijver als Wieringa verwacht je toch dat hij op licht en bliksem leeft, niet op shotjes nicotine.
Dansvloer, 01:31 uur. De man met plastic laurierkrans trekt nog steeds aan het decorstuk boven zijn hoofd. Inmiddels weet ik dat hij een dichter is en kampioen Poetry Slam. Vorig jaar ontvreemdde hij een koffer vol engelenvleugels, deze keer moet het groter, spectaculairder. Hij rukt weer aan het decorstuk, gaat er zelfs even aan hangen, voeten in de lucht. Zijn gezicht wordt steeds roder en zijn laurierkrans hangt half over zijn voorhoofd. “Volgens mij is het vurenhout”, kreunt de dichter. “Ik krijg er geen beweging in.” Dan, uit het niets, verschijnt een tweede man ten tonele. Zwart pak, korte coupe, stevig postuur. Opvallend soepel klimt hij via een steigerbuis omhoog. Hij pakt een nijptang uit zijn binnenzak en knipt de twee metaaldraden van het decorstuk los. De man springt naar beneden en geeft de houten trofee aan de dichter. “Voor mij?” vraagt die met grote ogen. Niet veel later zwalkt hij zielsgelukkig naar de uitgang, met een decorstuk groter dan een surfplank onder zijn arm.
,,Neem je altijd een nijptang mee naar het Boekenbal?” vraag ik de mysterieuze man, die bijzonder nuchter oogt. Hij glimlacht minzaam en zegt: ,,Ja, ik ben namelijk van de facilitaire dienst. Het is levensgevaarlijk, al die auteurs die aan decorstukken hangen. Ik bied ze de helpende hand met mijn tangetje. Maar ze mogen thuis gerust vertellen dat ze het zelf hebben gedaan hoor. Laat ze er maar een mooi verhaal van maken.”



