Er zijn vrij veel mensen die de volgende zin zouden kunnen zeggen: „We zijn van de week nog wezen zwemmen.” Ik zou dat nooit zeggen, tenminste, niet serieus. Ook al is er niets fout aan, en is de zin perfect te begrijpen. Dat ik die zin nooit zou uitspreken heeft ten eerste te maken met het woord ‘wezen’. Eigenlijk een mooi woord, maar ik zie er toch vooral een eindeloos doorlullende buurvrouw bij die was wezen winkelen, en wat denk je, niks geen uitverkoop.
De tweede reden waarom ik de bewuste zin nooit zou uitspreken is vanwege dat ‘van de week’. Ook dit is niet fout en ik begrijp prima wat er bedoeld wordt. Maar ‘van de week’ voelt voor mij enigszins duf. Misschien omdat de tijdsbepaling onduidelijk is.
‘Van de week’ kan betekenen: ‘deze week, maar reeds geweest’, maar ook: ‘deze week, maar nog in het verschiet’. Nu hoor je natuurlijk aan het werkwoord wel of we het over verleden of de toekomst hebben, maar dan nog. Als iemand zegt: „Ik kom je TomTom van de week nog wel even langsbrengen”, dan weet je dat dat best pas volgende week zou kunnen zijn, of volgende maand, of helemaal nooit.
‘Van de maand’ heb ik nog nooit gehoord. ‘Van de dag’ ook niet (maar vandaag natuurlijk wel, en vanavond, en vanochtend). ‘Van het jaar’ kan, maar klinkt een beetje geforceerd. ‘Van de winter’ en ‘van het voorjaar’ klinken dan weer veel normaler. Alsof deze uitdrukking stamt uit de tijd dat mensen nog ‘met de seizoen leefden’.
„We gaan van het voorjaar weer beginnen met het knotten van de wilgen”, dat klinkt eigenlijk heel goed en alsof je iets afweet van het leven. (Terzijde: ‘van de lente’ kan dan weer helemaal niet – mysterieus.)
Misschien is het gewoon een kwestie van gewenning. Als je het heel vaak zegt, wordt ‘van de week’ steeds ietsje normaler. Dus ik wezen oefenen en het lukt me steeds beter zonder er ironisch bij te kijken.
paulien cornelisse