“Jij hebt toch zo’n strak kort fietsbroekje?”
“Ja?”
“Nou dat en een handdoek. Meer niet.” Zo luidde het antwoord op de vraag: wat heb ik daar allemaal voor nodig?
Gisteravond ben ik voor het eerst naar Bikram Yoga gegaan. 26 poses met een stuk of dertig man in 90 minuten bij een temperatuur van 40 graden. Ik was bijna dood.
Een klein half uurtje voor aanvang sta ik voor de deur van de yogazaal op mijn Bikram-partner te wachten, degene die mij zo gek gekregen heeft. Let wel: ik zeg hier niet ‘zo gek gekregen’ omdat ik yoga beschouw als zweverige flauwekul, of omdat ik een natuurlijke achterdocht koester jegens mensen die beweren dat één ding (zij het een pil, zij het yoga, zij het een self-helpboek) je hele leven kan veranderen, en zelfs niet omdat er, terwijl ik stond te wachten op mijn partner, meerdere bezwete mannen, slechts gehuld in slip, in de etalage stonden uit te hijgen.
Nee, ik zeg ‘zo gek’, omdat niemand die ik vertel dat ik voor het eerst naar Bikram ga een korte sardonische glimlach lijkt te kunnen onderdrukken. “Blijf vooral doorademen”, zeggen ze dan, terwijl ze lijken te denken: arme jongen, je hebt geen idee waar je aan begint.
Na een kwartier opwarmingsoefeningen en verwondering over hoe hoog de gevorderde bikrammers hun onderarmen langs hun oren wisten te leggen terwijl ze hun handen ineengevouwen onder de kin hielden, voelde ik me nog redelijk fit.
lees verder›