De keizerspinguïn sterft deze eeuw nog uit
Zeggen onderzoekers. En so what?
Door het smelten van het ijs op de Zuidpool zal de keizerspinguïn, de grootste van allemaal, deze eeuw waarschijnlijk nog van de aarde verdwijnen. Z’n leefgebied wordt kleiner en er is minder voedsel. Onder het ijs groeien namelijk algen. Krill eet alg, vissen eten krill, pinguïns eten vissen. Geen ijs, geen eten. Lees vandaag het verhaal in nrc.next.
Maar, denk je, so what? Dieren en planten stierven ook al uit voordat de mens bestond. Wij merken er niks van als-ie ophoudt te bestaan, en veel andere dieren waarschijnlijk ook niet. Want een pinguïn staat bijna bovenaan de voedselketen. Vooruit, het is een schattig dier, maar wat dan nog?
Even vooraf: de afgelopen eeuw gaat het wel vijftig tot vijfhonderd keer zo snel met uitsterven. Deze eeuw zijn er al minstens 250.000 diersoorten verdwenen. Op dit moment sterven 3.000 tot 30.000 soorten per jaar uit. Hoe erg is dat? Vijf argumenten.
1. Meer soorten is stabieler.
Als één soort uitsterft, is het effect ervan in een ecosysteem niet altijd direct te merken, zegt hoogleraar ecologie Marten Scheffer van de Universiteit Wageningen. Dat komt door het ‘insurance-effect’. Andere, naburige soorten kunnen taken overnemen als één soort uitsterft. Maar als de laatste soort ook weg is, gaat het mis.
„Bij de koraalriffen in het Caraïbisch gebied verdwenen door overbevissing koraalvissen die zeewieren aten. Toen alle soorten weg waren, namen de zee-egels die taak over. Toen er onder de zee-egels een ziekte uitbrak, waren er geen vissen meer. Nu is het koraal een zeewierbos. Dat is 25 jaar geleden gebeurd, en het is nog steeds niet goed gekomen.” Vooral op de polen waar weinig soorten kunnen leven is het insurance-effect zo weg.
2. Er is meer aan de hand.
De keizerspinguïn staat vrijwel bovenaan de voedselketen. Waarschijnlijk hebben niet veel dieren direct last van zijn verdwijning. Maar direct effect is niet het enige wat telt. Als de pinguïn uitsterft, zegt bioloog Jeroen Reneerkens van de Rijksuniversiteit Groningen, dan weten we dat er iets mis is met het hele ecosysteem. „De pinguïn is een indicator.” In dit geval van de gevolgen van de opwarming van de aarde en de bijbehorende verandering in het voedselaanbod. Reneerkens doet in Groenland onderzoek naar de drieteenstrandloper. Op de polen is de opwarming het hevigst, zegt hij, en daar zijn de gevolgen ervan ook duidelijk zichtbaar. De pinguïn merkt die gevolgen snel. „Hij heeft zich sterk aangepast aan het extreme klimaat en is een ontzettende specialist geworden. Daardoor is hij kwetsbaar. Specialisten kunnen niet makkelijk naar een ander leefgebied verkassen.”
3. De effecten zijn onvoorzien.
Als een soort bovenin de voedselketen uitsterft, is dat niet alleen een indicator, het kan ook grote gevolgen hebben voor de soorten lager in de keten. En voor de soorten die nu dat voedsel kunnen bemachtigen. Reneerkens: „Door overbevissing van bijvoorbeeld de tonijn in de Middellandse Zee kregen kwallen de overhand. Daar klaagden de toeristen dan weer over.” Scheffer weet ook een voorbeeld: „In het Yellowstonepark in de VS kwamen de wolven terug. Opeens zag je naast de waterstroompjes weer bomen groeien. Dat kwam doordat herten daarvoor ongestoord konden grazen bij het water. Dat doen ze niet meer, want ze zijn bang voor wolven.” Het moeilijke is dat zulke ingewikkelde „uitstralende effecten” niet zijn te voorspellen. „We weten het effect pas als het te laat is.” Grote dieren bovenaan de voedselketen zijn bovendien extra kwetsbaar, omdat mensen ze vangen.
4. Uitsterven is onomkeerbaar.
Hoe groot het onvoorziene effect ook is, het uitsterven van een soort is niet terug te draaien. Scheffer: „Voor de aarde maakt dat niet uit, we hebben wel vaker grote uitstervingsgolven gehad. Er komen wel weer nieuwe soorten. Maar dat kan wel vijf miljoen jaar duren.” En, zegt hij, we weten niet welke ontdekkingen in de toekomst nu al verdwijnen. „Misschien vernietigen we wel de optie voor bepaalde medicijnen, of voor droogteresistente aardappelen.”
5. Het is simpelweg jammer.
Dat zeggen Reneerkens en Scheffer allebei: uitsterven van soorten is jammer. Reneerkens: „Naar de keizerspinguïn is heel veel waardevol onderzoek gedaan. Naar het vasten in de broedperiode, de stofwisseling, de fysiologie in die koude. Straks is er alleen nog het onderzoek, maar is het beest er zelf niet meer.” En niet alleen dat. „Dan kunnen we er ook niet meer van genieten.” Scheffer zegt: „We willen de wondere wereld om ons heen houden. Hoe leggen we uit aan onze kleinkinderen dat al die mooie dieren uit de boekjes niet meer bestaan?”
En voor wie nu nog niet om is:


