De drievoudige contrarevolutie op internet
Het internet zoals we dat de afgelopen twintig jaar hebben zien groeien, een open platform met ruimte voor iedereen met een goed idee, een soort democratie in cyberspace, is aan het verdwijnen. Op het nrc.nextblog werd gisteren al gewezen op de waarschuwingen van Chris Anderson, hoofdredacteur van het online magazine Wired. Voor The Economist is zijn prikkelende artikel aanleiding om eens breder te kijken naar de toekomst van internet.
Het wereldwijde web is een een deel van zijn openheid en universaliteit aan het verliezen, schrijft het Britse blad in een commentaar. Het internet was een soort vrijhandelspact geworden waar bijna iedereen van profiteerde. Steeds meer mensen en bedrijven sloten zich hierbij aan. De standaards werden universeel. Grenzen tussen bestaande netwerken verdwenen – het is nog maar vijftien jaar geleden dat er hoge virtuele hekken stonden rondom de netwerken van AOL en Compuserve.
Nu worden opnieuw grenzen gesteld aan de universaliteit van internet. In een helder achtergrondartikel schrijft The Economist dat er op drie fronten een contrarevolutie aan de gang is. Het is een fundamentele verandering met enorme gevolgen voor wie bepaalt wat we zien en doen.
Voor de belangrijkste beperkingen kiezen we zelf, eigenlijk zonder dat we het goed in de gaten hebben – hier schreef Anderson over. Denk aan de producten van Apple. Facebook met zijn interne berichten-systeem. Gesloten VPN-verbindingen met bedrijven. World of Warcraft en andere online-spellen. Skype-gesprekken. Beter werkende toepassingen, meestal. Maar wel gesloten netwerken. Zoals Anderson schreef: het internet als systeem voor data-overdracht is niet in gevaar. Het world wide web als een open systeem wel.
The Economist constateert dat ook op twee andere fronten de reikwijdte van internet onder druk staat: van regeringen en grote bedrijven, en van providers. China heeft een elektronische firewall gebouwd. Australië wil een filter gaan inbouwen (tegen kinderporno, maar toch). De Iraanse regering blokkeert een hele reeks sites, en wie een IP-adres in Iran heeft (een nummer dat aangeeft waar je computer staat), kan niet op alle Amerikaanse sites. Het OpenNet Initiative rekent voor dat een dertigtal landen de toegang tot internet beperkt.
Ook bedrijven beperken de universaliteit. De muziekwebsite Spotify is niet te benaderen vanuit de VS, en voor de videosite Hulu moet je een Amerikaans IP-adres hebben. Amerikanen die op reis in Europa een nieuw elektronisch boek voor hun Kindle-e-reader willen kopen bij Amazon, kunnen dat niet.
In de VS, en mogelijk ook in andere landen waar broadband nog niet zo veel voorkomt, dreigt nog een andere ontwikkeling. Providers komen in de verleiding om bepaalde sites betere voorzieningen te bieden dan andere. Dat kan betekenen dat een rechtse nieuwssite veel sneller laadt in je browser dan een links blog – of andersom.
Het lijken technische veranderingen. Misschien leiden ze soms tot betere voorzieningen, eenvoudiger technologie. Maar ze zullen onvermijdelijk het karakter van internet als een open platform waar ruimte is voor alles en iedereen aantasten.


