De cyberaanval als het nieuwe demonstreren
“Hoog tijd om het recht om te betogen in cyberspace te erkennen”
Wat is eigenlijk het verschil tussen betogers die de voordeur van een bedrijf blokkeren, en actievoerders die de website van hetzelfde bedrijf onbereikbaar maken? Hebben de laatsten niet dezelfde rechten als de eersten?
Op de Opiniepagina’s van de papieren next stelt communicatiedeskundige Peter Schouten vandaag dat er juridisch geen enkel verschil zou moeten zijn tussen beide betogingen: in beide gevallen leggen de demonstranten een deel van die organisatie tijdelijk stil en veroorzaakt hun betoging financiële schade.
Maar dat verschil is er wel. De twee jongens, van zestien en negentien jaar, die afgelopen week werden opgepakt door de politie wegens cyberaanvallen op de websites van Mastercard, Visa en het OM, hangt een celstraf van zes jaar boven het hoofd. Zij worden vervolgd op grond van artikel 161sexies van het Wetboek van Strafrecht: het opzettelijk vernielen van een geautomatiseerd werk, waardoor gevaar voor de verlening van diensten te duchten is. Een betoger in de fysieke wereld wordt daarentegen goed beschermd door de Wet Openbaarheid Manifestaties en het Europees Mensenrechtenverdrag.
Sinds 1988 wordt een betoging gedefinieerd als een uiting van gedachten, gevoelens of overtuigingen in min of meer collectief verband, schrijft Schouten.
“Beperkingen kunnen slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, een verkeersbelang of ter voorkoming van wanordelijkheden. Daarmee heeft de wetgever het recht om te betogen op straat voorzien van goede waarborgen en zijn bepaalde beperkingen gelegitimeerd.
Waarom zou het betogingsrecht niet gelden voor mensen die in cyberspace demonstreren? Het internet is een openbare plaats. Ddos is niet meer dan een optocht van allerlei mensen die voor de virtuele voordeur van een bedrijf gaan staan, waar ze heel snel en vaak kloppen, waardoor de doorgang verstopt raakt.”
In de toekomst zullen steeds meer mensen hun handel verleggen naar internet, waardoor protesten tegen die bedrijven ook steeds vaker in cyberspace zullen plaatsvinden: de cyberaanval wordt het nieuwe demonstreren. Het is volgens Schouten dan ook hoog tijd om het recht om te betogen in cyberspace te erkennen.
“Dat de wet daaraan beperkingen zal stellen, lijkt me een goede zaak. De Wet openbaarheid manifestaties doet dat niet. De actievoerders kunnen daar hoogstens uit afleiden dat betogen mag, zolang ze het straatverkeer (!) niet hinderen, de gezondheid niet in gevaar brengen – ze mogen dus geen medische sites aanpakken –, het functioneren van ambassades en consulaten niet aantasten en geen wanordelijkheden creëren ten koste van de in een democratische samenleving noodzakelijke bescherming van de openbare orde. Op de openbare plaats die het internet is, zitten nu eenmaal geen burgemeesters bij wie ze hun aanvraag voor een betoging kunnen indienen.
Justitie beweert dat deze betogers wisten dat hun actie niet mag. Dat argument deugt niet. Rechtsregels dienen voldoende toegankelijk te zijn en met voldoende precisie te zijn geformuleerd. Dat er nu een jongetje van zestien tot Kerst in de cel zit omdat hij wilde demonstreren, is een vorm van onrechtmatige vrijheidsbeneming en een schande voor onze samenleving. Dat het Malieveld niet vol staat om aartegen te protesteren, bewijst eens te meer de noodzaak van effectieve demonstraties in cyberspace.”


