Mijn debuutroman – de making of
Hoe 'Een uur en achttien minuten' tot stand kwam

Vandaag stond er een voorpublicatie van mijn debuutroman, Een uur en achttien minuten, op de Zin-pagina van nrc.next. Aanstaande vrijdag komt het boek uit. Zo’n spread in de krant en het definitieve boek: het ziet er prachtig uit. Maar voor het nextblog laat ik graag de achterkant van het proces zien, dat uiteraard niet altijd op rolletjes liep.
Er schijnen in Nederland 1,5 miljoen mensen te zijn die een boek willen schrijven. Uiteraard komt een heel groot gedeelte daarvan niet in de winkel te liggen, om verschillende redenen. Het is niet goed genoeg, het komt niet op het goede moment of de schrijver heeft gewoon pech dat de juiste redacteur het niet onder ogen krijgt. Het gros van de mensen zegt wel een boek te gaan schrijven, maar doet het uiteindelijk niet. Ze hebben gelijk: geschreven hebben is veel leuker dan schrijven.
Een uitgeverij vinden
Wie graag uitgegeven wil worden, leest vaak tips dat het de moeite loont mee te doen aan schrijfwedstrijden – en dat is wat mij betreft waar. Ik schreef in februari 2010 een stukje dat meedeed aan een wedstrijd van nrc.next om Aaf Brandt Corstius eenmalig te vervangen. Mijn column werd geplaatst, waarna een uitgeverij mij mailde of ik plannen had voor een boek.
Uiteraard was ik erg blij met de aandacht van een uitgeverij, helemaal toen ze vervolgens ook nog zeiden dat wat ik had ingestuurd (zes pagina’s) goed was. Ik besloot het ook te mailen naar Paul Sebes, een literair agentschap dat tussen uitgeverij en schrijver in zit en kan bemiddelen en ondersteunen. Tenminste: als ze in je werk geloven. En dat deden ze, gelukkig.
Onder begeleiding van Paul Sebes en Willem Bisseling maakte ik in de zomer van 2010 van zes pagina’s honderd pagina’s.
Het agentschap kent de uitgeverswereld en weet dus ook waar een boek goed past. Ze stuurden de honderd pagina’s uit naar de uitgeverijen waarvan zij dachten dat ze het misschien wilden hebben. Zo kwam ik bij De Arbeiderspers terecht – uiteindelijk dus een andere uitgeverij dan degene die me in eerste instantie gemaild had.
Het schrijfproces
Ik probeerde afleiding zo veel mogelijk buiten de deur te houden op de dagen die ik inrichtte om aan mijn roman te gaan schrijven. Twitter en Facebook gingen aan de kant, het geluidje dat mijn laptop maakt bij een nieuw e-mailtje schakelde ik uit. Ik zette een koptelefoon op, koos muziek zonder tekst (of in ieder geval zonder Nederlandstalige tekst) en legde mijn telefoon in een hoek. En dan begon ik. Soms.

Mijn laptop met de tekstverwerker open, maar daarachter ook administratie, onder de tafel moest nodig gestofzuigd worden en er stond nog een afwas. Dat eerst maar doen.
Want als ik over het scherm van mijn laptop keek, zag ik de afwas staan. Of de vingers die over mijn toetsenbord gingen hebben wel erg lange nagels. Of het stof verzamelde zich bij mijn voeten onder het bureau. Er is geen betere manier om vervelende huishoudelijke klusjes gedaan te krijgen, dan je voor te nemen te gaan schrijven.
Ik heb ongeveer anderhalf jaar aan Een uur en achttien minuten geschreven en de belangrijkste les die ik in die tijd heb geleerd is dat je niet bang moet zijn om iets lelijks op te schrijven. Af en toe moet iets vol schaamteloze clichés opgepend worden, want als er het eenmaal staat, weet je tenminste wat je wil zeggen. Later schreef ik datzelfde nog een keer, maar dan beter. Zo zette ik elk hoofdstuk vele keren op papier en ontstond er vanzelf een boek.
Omslag en auteursfoto
Als je een uitgeverij hebt, heb je een redacteur – dat is het belangrijkste. Iemand bij wie je terecht kunt met vragen, die de rode draad in de gaten houdt, deadlines stelt (uiteraard in goed overleg) en je vertelt wat er goed en minder goed is. Met mijn redacteur maakte ik van honderd pagina’s tweehonderd pagina’s.
Ondertussen komt het moment dat het boek in de winkel moet liggen steeds dichterbij. Dat betekent dat er ook een omslag ontworpen moet worden. Bovendien ga je op de foto voor de achterkant. Om te laten zien dat beide niet zomaar perfect zijn:
Het omslag, gemaakt door Sander Patelski. Links de eerste versie. Ik was al erg tevreden over het idee, maar de achtergrondkleur en het lettertype konden nog wat beter. Rechts het definitieve omslag, waar ik heel content mee ben.
En de auteursfoto, gemaakt door Peter Boer. Ik vond één foto het mooist, maar daar had ik een plukje haar dat nogal vreemd omhoog stak (eerste foto, linksboven). Ik vroeg de fotograaf dat eruit te Photoshoppen:


Al een stuk beter, al koos de uitgeverij daarna toch een andere foto.
De laatste loodjes
Je zult je erover verbazen hoeveel oneffenheden en schoonheidsfoutjes er in je manuscript blijven zitten, hoe vaak jij en je redacteur het ook doorlezen. Gelukkig is er de persklaarmaker: iemand die het manuscript minutieus doorneemt. Als je het terugkrijgt, staat het vol rode penstrepen en aantekeningen in de kantlijn. Zoiets:
Je verbetert al die foutjes en volgt suggesties al dan niet op (maar de meeste wel) en vervolgens krijg je de drukproef: je boek, op A4 gedrukt, maar al met de afkadering van de uiteindelijke roman. Dit is op dat moment de beste benadering van hoe het eindresultaat eruit gaat zien.
Nu is hij dus af, écht af, en van de persen gerold. Ik heb hem zelf al in mijn eigen boekenkast gezet. Aanstaande vrijdag komt-ie uit bij De Arbeiderspers. Met de juiste achtergrondkleur op het omslag, zonder plukje haar en met alle correcties van de persklaarmaker doorgevoerd.
Eindelijk.
Mocht je geïnteresseerd zijn: je kunt via Twitter volgen hoe het nu verder gaat met mij en het boek.







