Archief van berichten op 10 januari 2012

Wandelend twitteren, sms’en, whatsappen, mailen. Wil je dood, ofzo?

Weleens iemand zien wandelen terwijl hij aan het ‘teksten’ is op zijn mobiel? Een zombie is er niets bij. Dit soort contactgestoorden zijn zich net zo bewust van hun omgeving als egels die de snelweg oversteken. In New York City belanden er jaarlijks meer dan duizend van op de eerste hulp.

In November kwam Pink Ribbon onder vuur te liggen. De organisatie zou niet meer dan een kleine 2 procent van haar inkomsten daadwerkelijk in kankeronderzoek steken. Deze week opende Outside de aanval op een ander gezicht van de strijd tegen kanker: 7-voudig Tour de France-winnaar Lance Armstrong.

 

226230649_b0e666fa65_o-480x342 LiveStrong nieuwe Pink Ribbon?

Foto: Vélocia/Flickr

Het Amerikaanse tijdschrift publiceerde een stuk van journalist Bill Gifford, waarin Livestrong tegen het licht wordt gehouden. Wat blijkt? Ook Armstrongs organisatie spendeert maar weinig aan hard wetenschappelijk onderzoek, en geeft zijn miljoenen liever uit aan ‘vagere zaken’ als ‘bewustwording’. Tussen 1998 en 2005 doneerde Livestrong een magere 20 miljoen dollar. Ter vergelijking: in 2005, het jaar dat Armstrong zijn laatste Tour won en de bekende gele Armbandjes zeer populair werden, draaide LiveStrong een omzet van 52 miljoen dollar.

Gifford schreef het artikel nadat Armstrong hem persoonlijk opbelde om opheldering te vragen over een cynische tweet van de journalist. De wielrenner daagde hem uit zelf te komen kijken, maar zal daar nu vermoedelijk spijt van hebben. Naast alle beschuldigingen van doping, moet hij zich nu ook verantwoorden voor zijn goede werken.

Gifford is niet blind voor dat goede werk dat Livestrong verzet, maar stelt zich niettemin zeer kritisch op. Vooral interessant is de relatie tussen Armstrong en Livestrong, die als ‘symbiotisch’ wordt omschreven. Het is nooit helemaal duidelijk of Armstrong er is voor de organisatie, of andersom.

Het belangrijkste product dat Livestrong produceert is volgens een van de bestuursleden ‘hoop’, maar soms lijkt het alsof niemand meer baat heeft bij het goede werk van de organisatie dan, jawel, Lance Armstrong.

Haal de bruggen op. Amsterdam gaat kapot aan toerisme

Niets werkt zo op je zenuwen als een wandeling van Centraal Station, over de Damrak, naar de Dam. Zeker als je haast hebt is die trage, ondoordringbare toeristenstroom niet te harden. Maar eigenlijk is het probleem nog veel erger: toeristenvoorzieningen gaan ten koste van bewonersvoorzieningen.

Er zijn maar weinig bands die uit vier of meer vrouwen bestaan, valt Lerrie Grooten uit Nijmegen op. Waarom zijn er bijna geen vrouwelijke bands in de pop of rock?

Zingen, musiceren en dansen, daar heb je durf voor nodig. Een  verfijnde motoriek. Fitheid. Het is de perfecte strategie voor een  mannelijke muzikant in het proces van seksuele selectie. Hij musiceert  om vrouwen aan te trekken. Dat doet hij al honderden jaren. Bij voorkeur  rond zijn dertigste, in de bloei van zijn leven: dan is de mannelijke  muzikant muzikaal het meest productief. Aldus de evolutionair psycholoog  Geoffrey Miller, geciteerd door Tom ter Bogt, cultuurpsycholoog en  bijzonder hoogleraar popmuziek.

Het ligt dus niet aan Lerrie dat hij alleen Warpaint en Those  Dancing Days kent, qua vrouwelijke bands. Want ook al kan  muziekjournalist Alex van der Hulst er nog wel een paar opsommen – op  Eurosonic Noorderslag deze week staan bijvoorbeeld Razika en Roccoco –  hij geeft toe dat ze in de minderheid zijn. De popmuziek is  conservatief, zegt hij. „Mensen willen dat het lijkt op de bands van  vroeger. Twee gitaren, een drummer, een zanger. Mannen.”

Een uitzondering is de punk, weet Van der Hulst. Hij noemt: The  Slits, Runaways, L7, Babes In Toyland.  „Misschien omdat punkvrouwen  geëmancipeerder zijn. En omdat de drempel om eraan te beginnen niet zo  hoog is: punkmuziek is niet moeilijk om te spelen, dus je kunt het  makkelijker uitproberen.”

De vrouwelijke bands die er zijn, worden zelden erg groot. Dat  komt, denkt Ter Bogt, doordat de muziekindustrie een mannenbolwerk is.  „Kennelijk is het voor vrouwen moeilijk om daarin een positie te  veroveren. In de Top 2000 waren vrouwen ook zeer ondervertegenwoordigd.”

Goed, het publiek wil graag mannen. Maar willen vrouwen zelf niet  in een band? Vrouwen, merkt Van der Hulst, gaan popmuziek na verloop van  tijd kinderachtig vinden. En je moet er ook maar zin in hebben, zegt  Ter Bogt: „Willen vrouwen wel slepen met apparatuur, slapen in ranzige  hotels en doorzakken tot ze erbij neervallen?” En wat te denken van de  „doodordinaire hoge drempel” voor een lange vrouwelijke carrière in de  muziek? „Het krijgen en verzorgen van kinderen laat zich moeilijk  combineren met een leven on the road.”

Dat oorlogsfotograaf is een gevaarlijk beroep is, weet iedereen. De reguliere oorlogsverslaggever kan zich misschien, wanneer echt gevaarlijk wordt, achter een muurtje verschuilen. Maar wil de fotojournalist zijn werk goed doen, dan moet hij of zij meer risico nemen en zijn hoofd soms om het hoekje steken. Dat wil nog wel eens slecht aflopen.

Veel beroemde fotografen zijn ‘in het harnas’ gesneuveld. Robert Capa, die tijdens D-day de landing in Normandië vastlegde, stapte in 1954 tijdens de Eerste Indochinese Oorlog op een landmijn. Larry Burrows klom in 1971 in Laos in een helikopter die een paar minuten later in een vuurbol zou veranderen. Onlangs werd zijn Leica teruggevonden. Vorig jaar sneuvelden de gerenommeerde fotografen Tim Hetherington en Chris Hondros in Libië. Een derde, Guy Martin, raakte diezelfde dag zwaargewond.

De Britse krant The Guardian liet dit weekend fotografen die de dood in de ogen hebben gekeken aan het woord. Ze vertellen hun verhaal onder het motto  “The shot that nearly killed me”. Het zijn stuk voor stuk herinneringen die de rillingen over je rug doen lopen.

 

5_95_big-480x319 Door een lens de dood in de ogen kijken

Alvaro Ybarra Zavala vertelt over deze foto, die hij in 2008 in Congo maakte:

De situatie was gespannen – mensen waren dronken en agressief. Het merendeel van de tijd was ik met twee andere fotografen, maar ik was op dat moment alleen de straat op gegaan. Ik zag drie soldaten roken, met hun geweren spelen, ik voelde me veilig – waarom weet ik niet. Toen zag ik man met een mes tussen zijn tanden uit de struiken komen – hij hield een hand vast alsof het een trofee was. De soldaten begonnen te lachen en schoten in de lucht…

De andere getuigenissen zijn niet minder ijzingwekkend.

“Romney eats shit! Romney eats shit!” schreeuwde een stelletje boze Amerikanen. Dat was in 1968, tijdens de inauguratie van Richard Nixon. Een handvol tegenstanders koelde hun woede verbaal op de kersverse minister van Gezondheid, Onderwijs en Welzijn George Romney, eerder dat jaar ook een van de kandidaten voor de Republikeinse nominatie. Waarom ze zo boos waren op Romney is niet helemaal duidelijk, maar het verhaal wordt beeldend verteld door Hunter S. Thompson in zijn verslag van de verkiezingsrace van 1972: Fear and Loathing on the Campaign Trail `72.

Dit jaar doet een zoon van George een gooi naar de nominatie. Mitt Romney gaat het voorlopig beter af. Hij is de gedoodverfde winnaar, de enige van wie iedereen lijkt te denken dat hij geen grote fouten zal maken. Want met alle tv-camera’s, en de vrijheid die bedrijven, burgers en politici genieten om negatieve campagnes te kunnen voeren, kan een kleine misstap dodelijk zijn (figuurlijk natuurlijk).

Toch maakte Mitt deze week zo’n misstap. Hij zei: “I like to fire people”. Dankbaar voer voor tegenstanders, in tijden van economische onzekerheid wil niemand een president die geniet van het wegsturen van werknemers. Je wilt Sir Allen Sugar best op tv zien, maar als gekozen president?

Het citaat was overigens volledig uit zijn verband gerukt: Romney sprak over Obama’s gezondheidspolitiek. Wanneer een dienstverlener (een zorgverzekeraar of arts bijvoorbeeld) in gebreke blijft, wil Romney die persoon kunnen wegsturen.

Een media-ongeluk zit trouwens in een klein hoekje. Slate organiseerde een caption competition bij deze foto:

1325885138317-480x720 Romney mag een foutje maken

“Job creater”, schreef iemand. Niet fijn voor iemand die aangevallen wordt op zijn record wat betreft het stimuleren van bedrijvigheid en het creëren van nieuwe banen.

Overigens betogen Lars Duursma en Victor Vlam vandaag in de papier nrc.next dat een kleine misstap in een tv-debat soms goed is om de kandidaat iets menselijks te geven. Maar het blijft oppassen. Je kunt ook te menselijk worden, zoals bijvoorbeeld de inmiddels afgevallen kandidaten Michelle Bachmann en Herman Cain ervoeren.

YouTube Preview Image

Op het gebied van buitenlandse politiek houdt Romney zich voorlopig goed staande. Maar er is wel iets dat opvalt. In de New Yorker staat een hilarisch verhaal van Calvin Trilling. Hij vertelt hoe Romney als president andere staatshoofden zou ontvangen. Wanneer Romney een nieuw gezicht ziet, heeft hij namelijk de neiging te vragen of de persoon in kwestie ‘French Canadian’ is. Ook maakt hij vaak opmerkingen hun lengte.

Maar het ziet er naar uit dat deze Romney noch in het stof, noch in de str*nt, zal bijten. Hij is de grote favoriet, ook later vandaag in New Hampshire, om het tegen Obama op te gaan nemen.

Marcel van RoosmalenWe waren op weg van België naar huis, de autoradio stond weer aan. Bij ‘Echte Jannen’ van PowNed was PVV-Kamerlid Jhim van Bemmel te gast. Hij bemoeide zich in de Tweede Kamer met de postmarkt, telecom, aanbesteding en concurrentievermogen, windmolens en ruimtelijke ordening. Vooral met telecom had hij grootse plannen, daar lag zijn hart. Het kwam doordat zijn vier dochters allemaal de bocht uitvlogen met hun belbundels.

Er kon bezuinigd worden op ontwikkelingssamenwerking. Op de vraag of foto’s van magere negertjes met vliegjes rond de ogen hem dan niets deden, antwoordde hij: „Dat is niets nieuws, die had je in de jaren zeventig ook al.”

lees verder

Over iets meer dan twee weken begint het International Filmfestival Rotterdam (IFFR) 2012. Afgelopen week lichtte de organisatie een eerste tipje van de sluier op: een klein deel van het programma is bekend.

De eerste vijf films die kans maken op de Hivos Tiger Award staan inmiddels op de website en de kandidaten komen, zoals gewoonlijk, uit alle windstreken. China, Polen, Birma, Taiwan, Brazilië, Zuid-Korea, je kunt het zo gek niet bedenken.

Naast enkele nominaties voor deze talentenprijs heeft het IFFR ook een voorproefje van het Bright Future-programma onthuld. De eerste is een Argentijns-Zwitserse productie, maar de andere drie komen van dichter bij huis: twee Belgische films en eentje van vaderlandse bodem. Die laatste, Lena (2011), heeft wel een Vlaamse regisseur.

Christophe van Rompaey maakte eerder het hartverwarmende meesterwerkje Aanrijding in Moscou (2008), over de dagelijkse beslommeringen van een gezin in een Gentse volkswijk.

Lena, geschreven door Meike de Jong,  speelt in vergelijkbaar sociaal milieu. Maar de film speelt in het voor ons iets minder exotische Rotterdam. Hier de trailer:

YouTube Preview Image