next.checkt: het partijprogramma van de Partij voor de Dieren
In de aanloop naar de verkiezingen op 12 september controleert next.checkt beweringen in verkiezingsprogramma’s. Vandaag de Partij voor de Dieren, dat het concept-programma ‘Hou vast aan je idealen’ presenteerde. next.checkt bekijkt vier beweringen over uiteenlopende onderwerpen.
Het resultaat: drie keer waar en één keer half waar.
‘Nederland is de grootste ammoniakvervuiler van Europa’
De PvdD is tegen intensieve veehouderij. Minder dieren, zegt de partij, betekent ook minder problemen voor natuur en milieu. Zo is Nederland volgens het partijprogramma ‘door de emissies van de vee-industrie de grootste ammoniakvervuiler van Europa’. Gevraagd naar de bron noemt de partij onder meer een rapport van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) waaruit blijkt dat Nederland de lijst aanvoert.
Gekeken naar emissie per hectare landbouwgrond stoot Nederland inderdaad het meeste uit, zo blijkt uit de gangbare berekeningen door de Europese Unie. België volgt op afstand op plaats twee, gevolgd door Cyprus en Duitsland. Nederland dankt zijn notering volgens landbouwonderzoeker Bronno de Haan van PBL aan de veehouderij, die nergens intensiever is. Dat komt omdat Nederland relatief veel zandgrond telt: niet geschikt voor akkerbouw, wel voor vee. Bij intensieve veeteelt worden veel dieren op weinig grond gehouden. In de urine van al die dieren zit ureum dat blootgesteld aan lucht ammoniak wordt. De emissie wordt voor alle landen op dezelfde manier berekend aan de hand van factoren als aantal dieren, voer en soort stal.
Zou je kijken naar uitstoot per dier, dan staat Nederland volgens De Haan mondiaal juist vrijwel onderaan. Dat komt door de maatregelen die zijn genomen: speciaal voer, stallen die zijn uitgevoerd met een luchtwasser. Dat neemt niet weg dat Nederland per hectare nog altijd de meeste uitstoot levert. next.checkt beoordeelt de stelling dan ook als waar.
‘Jaarlijks sterven meer dan 300.000 muskusratten in een klem of een verdrinkingsval’
Het jagen op ‘schadelijke diersoorten’ als ganzen, vossen en muskusratten levert volgens de Partij voor de Dieren weinig op en zou dieren onnodig doen lijden. Volgens het partijprogramma ‘sterven jaarlijks meer dan 300.000 muskusratten een gruwelijke dood in een klem of een verdrinkingsval’.
Volgens de Unie van Waterschappen, verantwoordelijk voor de bestrijding, brengt de muskusrat – als echte wroeter bekend om zijn knaaglust – schade toe aan dijken, oevers en landbouw en is hij daarom ongewenst. Volgens het jaarverslag van de Unie zijn er vorig jaar echter geen 300.000 muskusratten gevangen maar ‘slechts’ 124.930. Ook in 2010 was dit aantal beduidend lager: 119.482. De jaren ervoor lag dit aantal volgens de Unie geregeld wel boven de 300.000. De tellingen zijn redelijk nauwkeurig, zegt ecoloog Freek Niewold van kennisinstituut Alterra, die de tellingen onderzocht: „Aantallen worden opgeschreven door de bestrijders zelf. Dat zijn veldjongens, geen onderzoekers. Het werkelijke aantal kan met zo’n 10 procent afwijken.”
In een toelichting zegt de PvdD zich te baseren op de langere termijn. De woordvoerder: „Tussen 1985 en 2010 was het gemiddeld aantal muskusratten dat jaarlijks stierf 301.621. Alleen eind jaren 90 was er een kleine daling. Inderdaad zijn de vangsten de laatste jaren opnieuw wat gedaald. Of deze daling doorzet is niet te voorspellen.”
Niewold zegt dat het verloop van de vangsten wel degelijk is te voorspellen. Alles hangt af van de bestrijdingsdruk, die op zijn beurt weer de populatie bepaalt. Niewold: „Er zijn de afgelopen jaren meer bestrijders aangenomen, waardoor de druk op de populatie toenam en er uiteindelijk dus minder worden gevangen. Zet je minder bestrijders in, dan schiet de populatie weer omhoog en worden de vangsten groter. Blijft het aantal bestrijders gelijk, dan verwacht ik de komende jaren een nog kleinere vangst.” Stond er dat jaarlijks meer dan 300.000 muskusratten stierven in plaats van sterven, dan klopt de stelling van de PvdD. Nu beoordeelt next.checkt de stelling als half waar.
‘Vissen hebben bewustzijn en gevoel’
Vorig jaar lukte het de PvdD al voldoende steun te vinden in de Kamer voor een verbod op het ‘onverdoofd slachten’ van paling. In haar nieuwe programma wil de partij het levend koken van kreeften aanpakken en ook de manier waarop vissen worden gedood. Vissen verdienen bescherming tegen pijn en stress, vindt de PvdD. Want, zo zegt ze in het verkiezingsprogramma: ‘Vissen hebben bewustzijn en gevoel’.
Over de vraag of vissen inderdaad een bewustzijn hebben –noodzakelijk om pijn en gevoel te ervaren –zijn wetenschappers het nog altijd niet eens. Maar volgens Hans van de Vis, onderzoeker naar viswelzijn bij Imares, onderdeel van Wageningen UR, neemt de consensus hierover de laatste jaren toe. Lang niet alle 30.000 vissoorten zijn nog onderzocht, maar voor zalm, tilapia en enkele andere soorten is het „vrij zeker” dat die een bewustzijn hebben, al is dat volgens Van de Vis duidelijk anders dan van bijvoorbeeld honden of katten.
Om het gevoelsleven van vissen te lezen, kijken wetenschappers vooral naar gedragsverandering en de activiteit van de kieuwen. Bewustzijn blijkt onder meer uit het feit dat sommige vissen bij laag water van poel naar poel kunnen springen en zich dus bewust zijn van hun omgeving. Ook reageren vissen bij een test ‘opgewonden’ na een lichtflitsje als ze weten hierna een beloning (voer) te krijgen, wat duidt op een verwachtingspatroon. In een ander experiment gingen vissen na een pijnervaring langer dan normaal in het donker of in het licht zwemmen. next.checkt beoordeelt de stelling naar de huidige stand van de wetenschap als waar.
‘Van de oorspronkelijke biodiversiteit is in Nederland nog maar 15 procent over’
Door intensieve landbouw en veeteelt is van de oorspronkelijke biodiversiteit nog maar 15 procent over, vermeldt het verkiezingsprogramma. De PvdD baseert zich op cijfers uit het Compendium voor de Leefomgeving, een samenwerkingsverband van het CBS, Wageningen UR en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Of het percentage klopt is afhankelijk van wat je onder ‘biodiversiteit’ en onder ‘oorspronkelijk’ verstaat, zegt Arjen van Hinsberg, onderzoeker naar natuur bij PBL.
Voor biodiversiteit zijn tientallen indicatoren. Bij vergelijkend onderzoek (internationaal en historisch) zijn twee indicatoren het belangrijkst: ‘natuuroppervlak’ en ‘kwaliteit van het oppervlak in termen van mate van voorkomen van soorten’. Volgens deze indicatoren telt Nederland inderdaad nog circa 15 procent van de oorspronkelijke biodiversiteit. De dichtheid en verspreiding van oorspronkelijke soorten is afgenomen. Dit ondanks dat deze soorten door import en menselijke invloeden worden vervangen door nieuwe soorten – kikkers uit China in de Biesbosch – is de trend dat natuurgebieden steeds meer op elkaar gaan lijken: algemene soorten worden algemener, zeldzame soorten zeldzamer. In deze studies wordt onder ‘oorspronkelijk’ (100 procent biodiversiteit) doorgaans de periode rond 1700 verstaan. De industrialisatie moest toen nog op gang komen en van grootschalige ontginning of inpoldering was nog geen sprake. Omdat het meten van biodiversiteit lastig is, evenals het reconstrueren van de natuur in 1700, verschilt de gemeten biodiversiteit in studies nog weleens met enkele procenten, al komen ze vrijwel allemaal uit rond de 15 procent. next.checkt beoordeelt de stelling daarom als waar.



Op 1 letter na st(i)erven. Is alles dus 100% waar. Of je nu wel of niet achter hun standpunten staat in elk geval dus een betrouwbare partij.
De betrouwbaarheid van de uitkomst verbaast mij ook. Tja.
Miesd.