next.checkt: ‘Slechts twee op de duizend huwelijken zijn tussen een hoger en lager opgeleide’

Columnist Rutger Bregman op volkskrant.nl, 23 oktober 2012

stoplicht_ongefundeerd-200x165 next.checkt: ‘Slechts twee op de duizend huwelijken zijn tussen een hoger en lager opgeleide’
Vorige maand schreef historicus en publicist Rutger Bregman op de website van de Volkskrant over de „meningenkloof” tussen hoog- en laagopgeleid Nederland, onderdeel van een bredere en groeiende kloof tussen hoger- en lageropgeleiden. Mensen met verschillende opleidingsniveaus komen elkaar steeds minder tegen in de kerk of het verenigingsleven, aldus Brugman, en „slechts twee op de duizend huwelijken zijn tussen een hoger- en een lageropgeleide”. next.checkt-lezer Floris Haisma vroeg de redactie dit na te gaan.


Waar is het op gebaseerd?
Het Nederlandse onderwijslandschap wordt doorgaans ingedeeld in drie niveaus: laag (basisonderwijs, vmbo, mbo1), middelbaar (havo, vwo, mbo2, 3, en 4) en hoog (hbo bachelor, hbo master, wo master, doctor). De vraag is dus of bij slechts twee van de duizend huwelijken, of 0,2 procent, de ene partner basisonderwijs, vmbo of vmbo1 als hoogst genoten opleiding heeft en de andere hbo of wo. Bregman laat weten dat het cijfer uit een opinieartikel komt in Trouw van Mark Bovens en Anchrit Wille, bestuurskundigen aan de Universiteit Utrecht en Universiteit Leiden. In 2011 waarschuwden zij voor een „nieuw soort klassenmaatschappij” die in Nederland dreigt te ontstaan op basis van opleiding: „Slechts in twee op de duizend huwelijken trouwt een hoger met een lager opgeleide”, schreven zij.

En, klopt het?
Het stuk van Bovens en Wille had geen voetnoten; de tekst van een oratie die Bovens eerder dit jaar gaf op de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft die wel. In die lezing wordt het cijfer echter met meer detail gepresenteerd: „Slechts bij twee op de duizend huwelijken trouwt een academicus met iemand die alleen maar basisschool als hoogste opleiding heeft.” Bovens verwijst weer naar een rede uit 2005 van hoogleraar demografie en CBS-onderzoeker Jan Latten.
„Je kunt met liefde rekenen”, zegt Latten in die oratie. Waren in Nederland alle partners van 65 jaar of jonger ‘toevallig’ verliefd op elkaar geworden, dan „hadden zij een kans van 27 procent gehad op een partner met gelijk opleidingsniveau”. In werkelijkheid „heeft 42 procent een partner met dezelfde opleiding”; partnerkeuze berust dus op meer dan louter toeval. Slechts bij twee op de duizend paren komt een „combinatie van uitersten, een academisch geschoolde en een partner met een basisopleiding” voor. Latten heeft het dus niet alleen over huwelijken maar ook over ongehuwd samenwonende partners. Zijn bron is het Jaarboek Onderwijs in Cijfers uit 2005, de meest recente CBS-publicatie waarin het opleidingsniveau van partners wordt gemeten.
Een relatie tussen een academisch geschoolde en iemand met alleen een basisschooldiploma is er inderdaad een tussen een hoger- en een lageropgeleide, maar er zijn ook andere combinaties denkbaar: een hbo’er met vmbo’er bijvoorbeeld, of een academicus met iemand die het vwo niet heeft afgemaakt. Hoe vaak zulke minder extreme combinaties voorkomen, is niet precies bekend. Uit de cijfers in het Jaarboek , die overigens niet over 2005 gaan, maar over 2002, blijkt dat naast de 42 procent van de getrouwde of samenwonende partners met hetzelfde opleidingsniveau ook nog eens ruim 40 procent van de mensen een partner had met „één onderwijsniveau hoger of lager dan zijzelf”. Een kleine 20 procent had meer dan één niveau verschil met zijn of haar partner.
Betekent dit dat 20 procent van de stellen hoog- en laagopgeleid combineert? Dat ook weer niet, want in het Jaarboek werden geen drie maar vijf onderwijsniveaus onderscheiden: basisonderwijs; mavo en vbo; havo/vwo en mbo; hbo; en wo. Het kan voor die 20 procent dus om een combinatie van basisonderwijs en mbo gaan, of van mbo en wo. Maar ook combinaties tussen hoog- en laagopgeleid die minder extreem zijn dan basisschool en academisch geschoold, zijn mogelijk. De combinatie van hoog- en laagopgeleid komt dus bij minimaal 0,2 procent van de stellen voor en zal voor niet meer dan een kleine twintig procent van de koppels gelden; die marge is groter dan de stellige „twee op de duizend” van Bregman, Bovens en Wille doet vermoeden.

Conclusie
Volgens Bregman is slechts twee op de duizend huwelijken er een tussen een hoger- en lageropgeleide. Hij baseert zich op een artikel van Mark Bovens en Anchrit Wille. Die bestuurswetenschappers verzuimen echter te vermelden dat die 0,2 procent een combinatie van uitersten betreft: de combinatie ‘basisschool’ en ‘universiteit’ – een belangrijke nuancering. Ook gaat dat cijfer niet alleen over huwelijken, maar ook over niet-gehuwde samenwonende stellen. Ruim 80 procent van de stellen heeft geen of weinig verschil in opleidingsniveau; hoezeer de partners van de overige 20 procent in opleiding uiteenlopen, is echter niet te zeggen. We beoordelen de stelling daarom als ongefundeerd.

3 reacties op "next.checkt: ‘Slechts twee op de duizend huwelijken zijn tussen een hoger en lager opgeleide’"rss-icon

“een hoger- en een lageropgeleide”. 
 
lijkt me een vorm van hypercorrectie

Voor wie is dit interessant?

Mijn besluit en dat van mijn Catalaanse Carmen heeft ons tot een stevig huwelijk gebracht. Dat is de moeite méér dan waard. Wij zijn er beiden heel blij mee.