Dinsdag schreef minister van Cultuur Ronald Plasterk (PvdA) op dit blog het volgende over de Nederlandse taal: „Het gaat mij niet om mooi of lelijk, het gaat erom of het correct is.”
Een begrijpelijk standpunt voor een minister. Zodra een gezagsdrager zich gaat bemoeien met de esthetiek van een taal, is het einde zoek – en het begin van een dictatuur nabij.
Maar kan Plasterk niet voor één woord een uitzondering maken? Kan hij het woord ‘risicovol’ verbieden? Zelfcensuur helpt ook. R******** is niet alleen lelijk, het is bovendien overbodig. Want wat betekent r******** volgens de Van Dale, waar het woord pas sinds de laatste, veertiende editie uit 2005 in staat? Riskant.
Zo zie je maar hoe riskant sommig taalgebruik is. Hoe vaker de term r******** in de loop der tijd werd gebezigd, hoe meer het een echt woord werd. Lexicograaf Rob Tempelaars van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie zegt desgevraagd dat hij het woord voor het eerst tegenkwam in 1988. R******** heeft dus een vreselijk lang inburgeringsproces achter de rug.
Het gebruik van r******** is sinds 2005 alleen maar toegenomen. Nekslag voor de goede smaak was de kredietcrisis. Sindsdien heeft het woord de wind pas echt in de zeilen. Al anderhalf jaar lang staan de krantenkolommen vol met financieel-economische termen die van de lezer een groot inlevingsvermogen vergen: subprimehypotheken, Alt A-constructies, liquiditieitsvallen en se

Minister Plasterk. Foto Vincent Mentzel
curitizatietechnieken. Voor het woord r******** wil de lezer dan heus wel een oogje dichtknijpen. En het lot wil dat r******** juist in dat soort kredietcrisisstukken veel voorkomt. Immers, zonder risico geen kredietcrisis. En zo kregen de lezers constructies te verstouwen als ‘r********** handelsactiviteiten’, ‘r********** banken’ en zelfs ‘r******** geld’. Tsja, dacht de lezer, als ‘securitizatietechniek’ een woord is, dan zal r******** ook wel een woord wezen.
Genoeg is genoeg. Mijd dat riskante woord. Tijd voor een cordon vocabulaire.