‘Dalbajob! Delphin!’ Een kortgeschoren kop gebaart door de patrijspoort dat we moeten komen kijken. Het is 12 uur ’s middags en we bevinden ons ergens tussen Batumi in Georgië en Illichevsk in Oekraïne: midden op de Zwarte Zee.
De diesels van de Geroite na Sevastopol, een Bulgaarse vrachtferry vol goederentreinen en trucks, stampen monotoon. Wij leggen onze boeken weg, kijken elkaar even aan en pakken dan toch maar de camera. Dolfijnen willen we nog wel graag zien, maar we verdenken Kleine Beer – want die waarschuwde ons net – ervan weer eens grappen te maken.
Drie nachten, vier dagen lang zijn wij de minderheid. Samen met een Pools stelletje zijn wij de enige toeristen op dit immense schip. De rest van de passagiers bestaat uit Oekraïense, Russische en Azerbeidzjaanse truckchauffeurs: leuk volk! Echt. Fijne mensen.
Toen we aan boord kwamen en wachtten op vertrek was de stemming nog afwachtend en verkennend. Maar de volgende dag was alles anders.
Het gebrek aan land in zicht had de opvarenden nader tot elkaar gebracht. Wij ontmoetten een tweetal uit Oekraïne (‘Grote en Kleine Beer’), een gedrongen en erg harige vijftiger uit Georgië (‘Ishak’ – ‘de Ezel’), een kleine Azeri (‘de Rat’) en een grote, zwijgende Azeri (‘de Stille’). Het ontbijt werd weggespoeld met cognac, gevolgd door een fles wodka. ‘Kom mee!’, zeiden de mannen daarna, ‘nú gaan we gaan drinken…’






