
De moskee bij mij tegenover, die me iedere ochtend maant me te haasten voor het gebed (Foto: Femke van Zeijl)
Vijfeneenhalf, zes uur slaap op zijn hoogst. Aan meer kom ik niet in de tropen. Zodra mijn lijf richting evenaar reist, verandert het radicaal zijn bioritme en daar heb ik geen woord over te zeggen. Ik kan proberen in mijn bed te blijven liggen na zonsopgang en woest mijn ogen dichtknijpen om de slaap weer te vatten, maar het werkt niet. Ook in Bobo loop ik zo langzamerhand een chronisch slaaptekort op. En dat ligt echt niet alleen maar aan de moskee aan de overkant die me iedere morgen iets na vijven maant me te haasten voor het gebed. ‘Hajje allel salat!’
Als het nachtleven hier net zo suf zou zijn als in Ibadan, de vorige stad waar ik verbleef, dan was er nog niet zoveel aan de hand. Daar lag ik met enige regelmaat – net als het overgrote deel van de stadsbevolking – om half elf in bed. Maar in Bobo Dioulasso kun je iedere avond wel gaan dansen als je zou willen, en ik doe dat minstens drie avonden in de week. Dat kort mijn nachten ook aan de voorkant stevig in. Zo danste ik gisteravond tot ver na enen onder het rieten dak van de dansvloer van Tharkay, maar zat ik evengoed om half zes vanochtend weer te tikken.
Hoe het komt dat mijn bioritme zo rebelleert, weet ik niet precies. Misschien is het de zon die zo vroeg en opkomt en vanaf dat moment niet meer te negeren is, of zijn het de antimalariamedicijnen die ik slik. Zeker is dat ik continu voel dat ik hier te veel heb om te zien, te voelen en te doen om tijd te verliezen aan slaap. Dat gevoel van urgentie als ik op reportagereis bent, laat me nooit los. Of ik na mijn dansles nog even een koud Brakina-pilsje drink in een kroeg op weg naar huis of dat ik een blokje omloop voor een vers stokbrood, continu ben ik aan het observeren.
Mijn leven is de laatste anderhalf jaar in die zin een combinatie van extremen geweest, sinds ik het Afrikaanse stadsleven ben ingedoken. Één tot twee maanden op reportage, voor alles openstaand, registrerend, analyserend, luisterend. En dan naar huis naar mijn studeerkamer één hoog achter waar ik dit alles in mijn eentje verwerken moet.
Na de overvloed aan indrukken van de reis bevalt dat zelfverkozen literaire kluizenaarschap me, maar na een tijdje kriebelt het weer en denk ik aan reizen. Nog vier dagen, dan zit mijn tijd in de laatste stad van mijn stedenboek erop. Dan zal ik een hele tijd in Utrecht bij de kachel zitten schrijven, opdat het boek uit kan komen volgend najaar. Maar ik betrap mijn hoofd erop dat het weer broedt op mijn volgende bestemming.

Zwaar hoor, dat journalist wezen. Al dat verplichte uitgaan en dansen. Verschrikkelijk.
KJ op 6 December 2009 om 13:51