Aaf Brandt Corstius: Heeft beige ooit gekund? Dat soort levensvragen

Op het moment dat jij rustig aan je ontbijttafel zit en deze column leest, ben ik een huis aan het kopen. (Niet elke ochtend hoor, alleen vandaag.) Dat is een stressverwekkende bezigheid, een huis kopen, want je moet urenlang bij een notaris zitten terwijl hij teksten voorleest over ‘overslagafkoopschuld’ (en dat is nog het leukste gedeelte), waar je niets van begrijpt maar waarbij je alwetend en kritisch moet kijken, waarna je je ‘paraaf’ onder al die voorgelezen bladzijden moet zetten, terwijl je eigenlijk geen ‘paraaf’ hebt, want toen je zes was en je handtekening bedacht (eigenlijk idioot dat mensen op hun zesde een handtekening moeten bedenken – voor de Pennyrekening, nota bene! – die ze de rest van hun leven onder elk contract, hoe belangrijk en groot ook, moeten zetten), toen had je geen paraaf bedacht, dus nu zet je op elke bladzijde maar op niks af een impressionistisch tekeningetje van een soort vlaggetje waarin je op kunstige wijze je initialen verwerkt, dat doet alsof het een heel officiële paraaf is.

Maar wat nog meer spanning opwekt dan het paraferen van bladzijden, is dat luttele uren na het tekenen van het koopcontract de schilder voor de deur van mijn nieuwe huis zal staan. En ik weet al maanden niet welke kleuren de muren moeten worden.

Als je mij voor zo’n aantrekkelijk Histor-bord met allerlei voorbeeldkleuren neerzet, raak ik eerst in trance (wat een mooie kleuren herbergt deez’ aard toch!) en vervolgens in paniek. Is het grijs dat ik mooi vind niet de kleur van een kantoor waar alle medewerkers om duistere redenen zelfmoord plegen? Zal dat appeltjesgroen mijn huidskleur doen uitslaan in een onaantrekkelijke teint? En kan beige eigenlijk nog, these days? Sterker nog: heeft beige ooit gekund?

Dat soort levensvragen.

Ik heb geen idee, en daarom heb ik gisteren binnen vijf minuten in een kleine verfwinkel besloten wat het moest worden. Zonder nadenken. (Of, zoals sommige mensen ‘zonder nadenken’ liever noemen: intuïtief.) Daarbij heb ik mij meer laten leiden door de absurdistische naamgeving van de kleuren dan door de kleuren zelf, want de wereld van de kleur ga ik toch nooit bevatten.

Mijn woonkamer wordt de kleuren Uitermate en Zeepaardje (al was het bijna Onbevangen Zeepaardje). De slaapkamer wordt Levendig en Roos. En de werkkamer wordt Beer en Compact.

Uitermate Zeepaardje, Levendige Roos en Compacte Beer. Een huis als een sympathieke Indianenstam.