Een van de bizarste nieuwe programma’s is Het mooiste meisje van de klas. Het programma, vanavond weer op tv, is bizar om twee redenen. Ten eerste gaat het ervan uit dat in elke middelbare schoolklas één meisje objectief gezien de mooiste is, terwijl in mijn oude klas bijvoorbeeld wel acht meisjes zaten die een internationale modellencarrière hadden kunnen nastreven (maar ik zat dan ook op een heel elitair schooltje, waar alle rijke vaders met mooie moeders waren getrouwd om kroost op te leveren dat zich na de geboorte onmiddellijk kon inschrijven bij een modellenbureau). De andere bizarriteit is dat het programma, waarin elke keer het levensverhaal van een ander mooiste meisje wordt verteld – op zich een niet al te spannend idee – een hijgerige Vermist-aanpak heeft, met veel naarstige zoektochten en al dan niet betraande herenigingen. Alsof dat mooiste meisje niet gewoon een mooi meisje is, maar een heel moeilijk te lokaliseren Indonesische moeder die jarenlang op een klein eilandje als kluizenares in de holte van een bananenboom heeft geleefd. Die Vermist-vibe komt doordat Jaap Jongbloed het programma presenteert, en die heeft als beroepsdeformatie dat hij denkt dat iedereen altijd spoorloos is en herenigd dient te worden.
Archief van berichten op 17 januari 2008
De smurfen zijn vijftig geworden. Ze hebben Abraham gezien, of in hun geval: vader Abraham – sorry voor deze grap. De smurfen hebben ons veel geleerd, over alternatieve gezinsvormen bijvoorbeeld. Waarom zouden we ons allemaal in stelletjes moeten opsplitsen als we ook gewoon één lekker wijf in een paddestoel kunnen zetten? Ik bedoel maar.
Maar vooral op het gebied van taal zijn ze natuurlijk van onschatbare waarde gebleken. Waren het niet de smurfen die ons leerden dat werkwoorden helemaal niet nodig zijn? Dat mensen je toch wel smurfen als je overal ‘smurfen’ zegt?
‘Smurfen’ is hét werkwoord dat helemaal niets betekent, en daarmee tegelijkertijd alles.
Jammer dat het woord al sinds de jaren tachtig uit is. Want er is niet echt iets voor in de plaats gekomen. ‘Vogelen’ is natuurlijk ook redelijk betekenisloos, ‘frutten’ ook, maar die woorden roepen toch nog iets onhandigs of nutteloos op (‘Nee, ik zat maar wat te frutten’). Smurfen is daarentegen helemaal neutraal. Eigenlijk is ‘smurfen’ voor de werkwoorden wat ‘dinges’ voor de zelfstandige naamwoorden is. En ‘dingetje’ voor mensen van wie je de naam vergeten bent. ‘Dingetje, die ene, die met die dinges, die is weggesmurft van zijn vrouw.’ Dat klinkt goed.
Mensen hebben blijkbaar behoefte aan taal die niets zegt. ‘En alles,’ is ook zo’n voorbeeld. ‘En toen gingen we zwemmen, en alles.’ Niemand weet wat ‘en alles’ betekent, en niemand is er ook echt in geïnteresseerd. ‘Enzo’: dat drukt helemaal niets uit. ‘Nou ja, hoe dan ook…’ en er dan niets achter zeggen. Volkomen leeg, maar helemaal geaccepteerd.
‘Als de hemel naar beneden valt, hebben we allemaal een blauw hoedje.’ Dat betekent zo goed als niets, of anders is iedereen de betekenis allang vergeten.
We leven in een tijd van less is more, dus het is alleen maar logisch om ook in de taal die Zenhouding aan te nemen. Hoog tijd dat ‘smurfen’ teruggesmurft wordt.
Het beste zou zijn er gewoon mee op te houden.
Vorige week was het weer die demonstratie, waarbij Geert Wilders als extremist werd opgevoerd in een persiflage van sigarettenwaarschuwingen. Terwijl GroenLinkser Tofik Dibi daar wat extra hits op Google News mee verzamelde, gaf het Wilders een kans zijn meer tolerante kant in het zonnetje te zetten (hij vond het abject, maar wees de arrestatie af, met een beroep op de vrijheid van meningsuiting). Waren het louter moslimdemonstranten geweest, dan zou zijn reactie vermoedelijk een tikkeltje agressiever zijn geweest.
Iedereen, behalve de hoofdrolspeler, is het een beetje beu, die Daily Wilders Show, maar de media zitten nu eenmaal in een onvermijdelijke en een onstuitbare positie: het nieuws niet brengen zou ze een belachelijk figuur doen slaan tegenover de concurrentie die het wél brengt, onder luid applaus van lezers- en kijkcijfers. De mediamachine is achter de schermen al in opperste paraatheid voor het nieuwe bedrijf in de komedie, dat aanvangt met de lancering van de nu al overal besproken maar nog niet bestaande Geert Wilders-film.
We kunnen er dus niet gewoon mee ophouden. Maar is dat zo erg? Misschien wel, als we het in een wat ruimer perspectief bekijken.
De manier om het internationale terrorisme succesvol te stoppen is verbijsterend simpel: over geen enkele aanslag waar dan ook meer berichten. Daarmee sla je de terrorist zijn sterkste wapens uit handen, namelijk de middelen om collectieve angst te verspreiden. Niettemin botst deze ethisch toe te juichen oplossing tegen de muur van de journalistieke ethiek, volgens welke het een misdrijf is over misdrijven te zwijgen.
De rol die de media op het wereldtoneel gedoemd zijn te spelen, is daarom in de kern dieptragisch, en vergelijkbaar met friendly fire.
Naar Nederlandse proporties vertaald levert dit het volgende onaangename plaatje op. De media zijn er, tegen wil en dank, toe veroordeeld de huidige polarisering te bevorderen en op de spits te drijven, als een organisme dat lijdzaam toeziet hoe een virus zich effectief verspreidt in haar bloedbanen.
Ze zijn Wilders’ tragische mediamaatjes.
Christiaan Weijts



