Aaf Brandt Corstius: Braken in de stijl van een machinegeweer

Het is altijd fijn om te weten welke ziekte je hebt, vooral als je van het ene moment op het andere verandert in een brakend vaatdoekje. In mijn geval – en schijnbaar dat van 4,5 miljoen andere Nederlanders per jaar – is dat het norovirus. Een betere naam voor dezelfde ziekte vond ik op internet: de winter vomiting disease, de winterse kotsziekte. Dat klopt: het is winter, en ik kots de hele tijd. Bij deze omschrijving trof ik nog een extra dimensie van mijn winterse aandoening aan: bij het norovirus doe je niet alleen aan kotsen, maar ook aan ‘projectielbraken’. Braken in de stijl van een machinegeweer, zeg maar. En ook dat symptoom wordt mij niet bespaard.

Zo, nu weten jullie weer alle ins, of vooral alle outs, van mijn leven. Even over naar een wat frisser onderwerp: hoe stuur je een schilder en een klusjesman aan die fulltime aan het werk zijn in je gloednieuwe huis, terwijl je zelf in je oude huis aan het projectielbraken bent en de deur niet uit kunt?

Het antwoord: gewoon heel veel vertrouwen hebben in de mensheid.

Mijn schilder en klusjesman, twee goede en montere vaklieden, hebben volgens mij al vriendschap gesloten. Ze bellen me af en toe op en schreeuwen dan jolijtig door elkaar heen dat de ander er niets van bakt. Daar voegen ze dan nog hikkend van de lach aan toe dat ze vandaag eerder naar huis gaan, omdat ik er toch niet ben.

Maar ik weet hoe het echt zit: zij doen daar heel goed hun werk. De schilder schildert de kleur Zeepaardje op de muren, en de klusjesman is dingen aan het repareren waarvan ik niet eens wist dat ze gerepareerd moesten worden. En straks, als ik weer beter ben, is het huis klaar, en prachtig, en kan ik daar zonder medeneming van de norobacil een gezond nieuw leven beginnen.

De schilder en de klusjesman doen trouwens ook aan medische adviezen. Eerst belde de klusjesman me op om te zeggen dat mijn ziekte ‘zeker drie weken’ zou duren. Vervolgens vernam ik de prognose ‘één tot vier dagen’ van de schilder. Even later ging de telefoon weer: opnieuw de schilder. Met een serieuze stem, dit keer. Dat ik een medicijn moest halen dat Parablin heette, bij de apotheek in Amsterdam-Zuid. Ontroerd hing ik op en nam nog een droog beschuitje.