jan blokker: De angstige minuten rond het klokje van half vier
Dat waren gisteren natuurlijk spannende ogenblikken, zo rond het klokje van half vier. Ik had Radio 1 aan gedaan zoals je op oudejaarsavond de televisie aan doet: niet om naar de verschrikkelijke vrolijkheid te kijken, maar om op de seconde af op tijd te weten wanneer de champagne kan worden ingeschonken.
Zou de wereld ten onder gaan, of kregen we nog een sprankje hoop?
Pia Dijkstra, die de omroepbeurt had, sprak in de studio met Dick Pels, die in de beslissende minuten zijn licht mocht laten schijnen. Sociologisch licht natuurlijk, want dat heeft hij indertijd opgestoken. Pia was in de voorgaande middaguren waarschijnlijk door haar voorraad economen, koerskenners, beroepsbeleggers en analisten heen geraakt. Dat zij voor de zekerheid ook nog een socioloog achter de hand had gehouden, kwam dus goed uit.
Maar waarom had Dick de uitnodiging aangenomen? Was het niet onbegonnen werk om nu nog iets nieuws te verzinnen? Het duurde ook tot hij de steeds snellere communicatiemiddelen van het moderne tijdsgewricht had gememoreerd, vóór hem een aforisme ontviel dat inlijsting verdiende. Hij zei: ‘Alles gaat tegenwoordig ook zo flitsend.’
Sociologen herken je altijd uit duizenden.
‘Maar intussen’, moest Pia Dijkstra hem op dat moment onderbreken, ‘is Onno Duyvené de Wit aangeschoven voor het nieuwsbulletin van half vier, dus over tien seconden weten we het.’
Wat is radio toch een gezellig medium.
Maar zouden wij ons de 22ste januari 2008 later moeten herinneren als de 24ste oktober 1929? Van Wall Street moest het antwoord komen.
Jammer genoeg wist Onno nog van niks, en logisch: in New York was het half tien, dus de beurs werd net geopend.
Slopende minuten stonden ons te wachten. We moesten nog door de rest van het nieuws, door het weer, door de files en door de reclame, alvorens Pia eindelijk kon overschakelen naar een correspondent die, zoals ze aankondigde ‘in Wall Street staat’.
Een verslaggever in Wall Street! Dan besef je ineens weer wat een ongelooflijke progressie radio sinds de dagen van Willem Vogt heeft doorgemaakt.
‘Goedemiddag’, wenste Pia de reporter toe, en nadat deze haar had gecorrigeerd (in New York was het immers ochtend), vervolgde ze: ‘Wat zie je?’
Radio is niet alleen ontzettend knus, en niet alleen ontzettend vooruitgegaan, maar ook altijd zichzelf gebleven. De verslaggever die helemaal naar New York is gereisd, en op de dag van de beurskrach zelfs tot in Wall Street is doorgedrongen, moet de luistervink om te beginnen vertellen wat hij ziet. Het is tenslotte geen televisie.
De verslaggever bleek van alles en nog wat te zien, maar hij vertelde nog steeds niet wat ik horen wilde, en wat miljoenen Nederlanders mét mij naar de radio had doen grijpen: zou de Dow Jones ons meeslepen naar de financiële afgrond, of zouden we er dankzij de drastische Amerikaanse renteverlaging op het nippertje toch nog weer bovenop kunnen krabbelen?
Pia praatte nog even door met een insider uit het bankwezen, en met Dick, want die was blijven zitten. Zou hij aandelen hebben? De insider schetste van de geldwereld een realistisch beeld dat Dick deed huiveren. Hadden we, meende hij, niet langzamerhand te maken met het meest onmenselijke casino-kapitalisme waarin voor miljarden om hypotheken wordt gedobbeld alsof het lootjes zouden zijn voor de dorpstombola?
Ik vertel wat hij zei nu maar even in mijn eigen woorden na.
‘Kunnen we de paniek die zich over de wereld verspreidt nog stoppen?’, vroeg Pia angstig. ‘Nee’, dacht Dick.
Leefde mijn oude vader nog maar. Die heeft z’n leven lang aandelen verkocht waarvan de koers de volgende dag spontaan omhoogschoot, en ze altijd geruild voor fondsen die nog dezelfde avond kelderden. En toch nooit in paniek geweest.



