Er zijn weinig werkjes zo bevredigend als het inruimen van een nieuwe boekenkast. Drie jaar geleden deed ik dat voor de laatste keer. Alles moest op alfabet en ik bedacht allerlei categorieën waar ik mij aan moest houden. Ik had fictie en non-fictie, en non-fictie was onderverdeeld in eten, reizen, breien-annex-knutselen, kinderboeken en interieurboeken over kleine woningen. (Het klein-wonen-interieurboek is een genre op zich, en ik heb alle boeken in dat genre in de loop der tijden opgekocht. Zo is er een fantastisch boekje over de ingenieuze manieren waarop Japanners de kasten en laden waarin zij wonen inrichten, compleet met foto’s van zitbaden waarboven een cd-kast is gemonteerd. Onontbeerlijke lectuur.)
Archief van berichten op 31 januari 2008
Ik sluit niet uit dat het een lokaal verschijnsel is. Randstedelijk. Maar wel wijdverbreid. Het zou kunnen dat het er altijd al geweest is, maar het stomme met dit fenomeen is, dat je het pas merkt als iemand je erop gewezen heeft. En dat fenomeen is: nuuw. In plaats van nieuw. Luister een half uur naar radio of televisie (of naar de klandizie in een willekeurige horecagelegenheid), en je hoort iemand zeggen (bijvoorbeeld): „Nee, die drinkyoghurt, die is helemaal nuuw.”
Waarom? Geen idee. Er zit een ‘i’ in ‘nieuw’, maar er zijn hele volksstammen die daar blijkbaar vanaf willen. ‘Nuuw’.
Ook zo’n uitspraakverandering: de ‘v’, die eerst een tijd een ‘f’ was (‘ferrekijker’), wordt nu in sommige gevallen een ‘w’. Misschien uit een soort overcompensatie. Het viel voor het eerst op bij het woord ‘voice-mail’; dat werd niet ‘foice-mail’ maar ‘woice-mail’. Inmiddels ook gehoord: ‘bewolking’ in plaats van bevolking. Je vraagt je af waarom we hier in Nederland überhaupt een ‘v’ willen zeggen als we er alles aan doen om hem tot iets anders te verbasteren.
Hoe dan ook. Het verandert, en voordat iemand denkt dat dat erg is: dat is niet erg. Want taal vernuuwt zichzelf nu eenmaal.
Het is nu zaak te gaan voorspellen wat de volgende verandering gaat zijn, zodat we over een paar jaar kunnen zeggen: ‘Dit zag ik dus al héél lang aankomen.’
Ik heb nu al verschillende malen gehoord dat ‘mensen’ eerder wordt uitgesproken als ‘minsen’. Ik denk dat het komt door Beau van Erven Dorens, die doet dat namelijk van nature.
En wat te denken van het modewoord ‘bizar’? Bizar kan gebruikt worden voor allerlei situaties die helemaal niet bizar zijn. Zoals deze: ‘We hadden een proefwerk. Echt bizar’.
Maar de uitspraak wordt nog moderner als je niet ‘bizar’ zegt, maar ‘bi-ZOR’. De a wordt een o. Zeg het een paar keer hardop en besef: dit wordt groot, heel groot.
Voorpret gonsde reeds door Oeteldonk, waar ik afgelopen zaterdag was. Want komend weekend begint het carnaval, daar in Den Bosch, en in heel dat deel van Nederland dat gespaard is gebleven van calvinisme en aanverwante terreur.
Hoe komt het toch, dat elk land een noorden en een zuiden heeft, waarbij die laatste altijd meer Bourgondisch en bon vivant is? En liggen die verhouding op het zuidelijk halfrond misschien precies omgekeerd?
Hoewel ik boven de rivieren ben geboren, voel ik meer sympathie met het zuiden. Misschien omdat ik een oudoom had die carnavalswagens ontwierp in ’t Krabbegat (Bergen op Zoom). Volgens de geschiedenisboeken introduceerde hij als eerste bewegende elementen in de wagens. Een kleine stap voor de mens…
Politici zijn ook humaner in het zuiden. „Ge hebt allemaal een heel grote, dikke, frisse pint verdiend”, sprak Yves Leterme, vice-Eerste Minister van België, toen hij met zijn CD&V veel stemmen won. Had zijn noordelijke partijbroertje Balkenende zoiets geroepen, dan zou zijn refo-achterban hem direct tot aftreden dwingen. Alcohol? Maar dat is van de duivel!
Waarschijnlijk danken we ons noord-zuidverschil aan de katholieken, die een verkapte vorm van polytheïsme in stand wisten te houden, met Maria, tomben vol heiligen en al die andere tralalalaria. Monotheïsmen zijn starre en achterlijke religies, die steevast tot bloedvergieten leiden.
Carnaval siert de polytheïstische ziel. De Romeinen hadden de saturnaliën, waarbij de rollen van slaaf en meester zich omkeerden, als herinnering aan de Gouden Tijd onder Saturnus, toen er nog geen onderscheid was tussen de mensen. In ’t Krabbegat trekt iedereen om die reden een boerenkiel aan.
Toegegeven: het heeft ook iets mallotigs, en mij zult u dan ook niet zien meedweilen of -hossen, maar voor een samenleving zijn zulke rituele ontladingsmomenten heilzaam. En in zijn soort is het carnaval nog altijd nobeler en creatiever dan de proletenfeestjes met Heinekenblikjes en oranje opblaaskronen. Over dat laatste gesproken: van harte, Majesteit! Bestonden de saturnaliën nog maar. Dan mocht u dit weekend bij mij de keuken komen dweilen.
Christiaan Weijts



