Twan Huys zei afgelopen maandag in Nova: „De separeercel. Klinkt als de hel.” Dat klopt natuurlijk wel; als je in een separeercel moet zitten, weet je waarschijnlijk vrij goed hoe de hel voelt. Toch klonk Twans uitspraak een beetje raar, en dat komt doordat het woord ‘hel’ de laatste jaren aan een ongekende betekenisinflatie onderhevig is geweest. „Fuck, het regent. Wat een hel.” Of: „Ik moet naar het feestje van Natasha, nou, dat is dus echt De Hel, want daar gaat het gegarandeerd de hele avond over fiscaal recht.” De hel betekent inmiddels ‘iets waar ik geen zin in heb’ of ‘iets wat een beetje tegenviel’. Toch iets anders dan een vlammenzee waarin je terecht komt na een zondig leven.
Je kunt het tegenwoordig trouwens ook hebben over ‘de complete hel’ (je vraagt je af wat de incomplete hel dan is; een lauw-warme vlammenzee?), of ‘een totale hel’ („Dat zeilweekend was echt een totale hel. Drie dagen liggen kotsen.”)
Dat Twan Huys de separeercel ‘de hel’ noemde, kwam dus eigenlijk te casual over. Ik betrapte me op de gedachte: „De hel, Twan? Die separeercel is echt wel iets erger dan de hel, hoor!”
Zoals voor de meeste uitspraken geldt, is de betekenis ervan nogal afhankelijk van wie hem uit, en met welke intentie. ‘De hel’ is dus alleen maar ongevaarlijk als de spreker er iets ongevaarlijks mee bedoelt. Dat de hel ook heel ongezellig kan zijn, bleek laatst in het onvolprezen tv-programma Puberruil XL. Daarin werd een heel lieve puber tijdens een christelijk kringgesprek toegevoegd dat zij in haar huidige, heidense staat zéker in de hel terecht zou komen. De klassieke hel, welteverstaan, inclusief duivel. Er werd natuurlijk heel blij-christelijk en warm-menselijk overheen gepraat, want bekering zou een hoop oplossen, maar toen was de sfeer helaas al helemaal naar God.