Hedy d’Ancona heeft als minister van Cultuur (Lubbers-III, ’89-’94) eens geopperd dat je voor de kunsten ook een onafhankelijke ijkmeester kon benoemen, die zonder last of ruggespraak gedurende een periode van twee, of hooguit vijf jaar de voor zijn sector bestemde overheidsmiljoenen mocht uitdelen onder muzikanten, theatermakers en dansers die hij, en hij alleen, de moeite waard vond.
De bewindsvrouwe had het nog niet hardop gedacht, of ze had al weer spijt van haar eeuwige loslippigheid. Weinig wereldjes zijn zo vervuld van haat, nijd, kift en de neiging om elkaar beentje te lichten, dan dat der kunsten. En de enige manier om je daar staande te houden was van meet af aan een cultureel soort poldermodel waarbij je je beurtelings in mekaars jury’s en mekaars beoordelingscommissies liet benoemen.



