jan blokker: De verwijsindex risicojongeren e tutti quanti
‘De visserij verdient een stabiele toekomst.’
Ik kan me niet herinneren dat ik ooit een mededeling ben tegengekomen waar zo weinig tegen viel in te brengen.
Het was wat mij betreft ook veruit het meest representatieve zinnetje uit de Troonrede van 2008.
Goede tweede in de categorie was natuurlijk deze:
‘Er komt een subsidieregeling voor de aanschaf van warmtepompen en zonneboilers.’
Maar ik bleef aarzelen tussen deze, en nog een andere die er mocht wezen:
‘Om sneller passende hulp te verlenen, wordt de Verwijsindex Risicojongeren geïntroduceerd.’
Zullen we ze ex aequo op twee en drie zetten?
Dan is vier uiteraard de volgende:
‘De regering wil een bloeiende kunst en cultuur stimuleren en alle jongeren vroeg daarmee in aanraking brengen.’
Geen podiumplaats voor Plasterk, maar je moet toegeven dat de boodschap (met dat vroeg en daarmee in die volgorde) ook wel heel krikkemikkig was geformuleerd. Beatrix struikelde er bijna over, ofschoon nog niet zo hoorbaar als een paar alinea’s eerder, toen ze ronduit had gehakkeld over deze:
‘Het vergroten van zelfredzaamheid van burgers en bedrijven bij crisis en rampen krijgt bijzondere aandacht.’
Het was om precies te zijn de achtste hakkel die ze zich in de drie kwartier spreektijd moest laten welgevallen – een zeldzaamheid, want meestal leest ze foutloos.
‘Dat mens is natuurlijk ziek’, riep iemand die ik bij me thuis voor de plechtigheid had uitgenodigd. Al te familiair misschien tegenover een vorstin, maar goedbedoeld, zoals het cabaretliedje Arme ouwe indertijd goedbedoeld was. En ’t klonk in zekere zin vooral ook verontwaardigd, alsof mijn gast eigenlijk had willen vragen: welke onbehouwen vlegel heeft Hare Majesteit de Koningin durven opschepen met louter gemeenplaatsen in het verschrikkelijkste soort Tante Betje Nederlands?
Dat vroeg hij tenslotte ook. Spreekster was intussen toe aan de volgende twee zinnen: ‘Goede taalbeheersing is een basisvoorwaarde om in onze maatschappij te kunnen meedoen. De regering vergroot de mogelijkheden voor het werven van taalcoaches.’
Je moet als schrijver van zulke wijsheden en halve voornemens toch lef hebben om in een staatsstuk dat straks Geschiedenis moet worden, te schoolmeesteren over taalbeheersing en de wenselijkheid van ‘taalcoaches’, als je het zelf voortdurend over kolitiekoord hebt wanneer je co-a-li-tie-ak-koord bedoelt.
Balkenende, wie anders.
‘Fragiele staten’, schreef hij voor Trix op, ‘hebben grote moeite de millenniumontwikkelingsdoelen te halen. Juist daarom investeert de regering extra in deze landen. Ook wil zij de vrijheid van meningsuiting, de mediadiversiteit en de vrijheid van godsdienst in de wereld bevorderen. Er worden meer middelen toegevoegd aan het mensenrechtenfonds.’
Nog praatjes ook: gidslanditis.
Ik ben altijd dol geweest op Troonredes. Er is een boek (uitgegeven in 1964, toen de staatsdrukkerij haar 150-jarig bestaan vierde) waarin ze – inclusief ‘inhuldigingsredes’ – zijn verzameld van 1814 tot 1963; die van daarna heb ik elk jaar trouw uitgeknipt en in mapjes bewaard. Er zitten hilarische tussen, en aandoenlijke. Onvoorstelbaar saaie en niet onaardige. Heel luie (19de-eeuwse vorsten spraken vaak drie of vier minuten, en dan mochten de afgevaardigden alweer naar huis) en redes die niet ophielden, en waarbij talloze toehoorders in slaap moeten zijn gevallen.
Na WO II schreef Drees de correctste, De Quay de sufste, Den Uyl de parmantigste en Kok de meest onttoverde. Maar van de 194 die ik kan overzien zijn die van Balkenende onbetwist de leegste, de nietszeggendste, en vanwege het toontje van de christelijke hoofdonderwijzer die vanachter het kamerorgel de kinderen op hun plichten wijst, ook de irritantste. ‘Wie kan, moet meedoen’, las Beatrix uit zijn tekst voor. Dat was het moment waarop wij op schoolreisjes in de achterste rij altijd linksaf sloegen als de meester naar rechts ging.
Maar de visserij verdient een stabiele toekomst.



