Archief van berichten op 18 september 2008

Aan de vooravond van mijn eerste gitaarles (elektrische gitaar, linkshandig te bespelen, doel: over een jaar mijn eigen band) zei iemand tegen mij: ‘Jij bent verslaafd aan cursussen.’

En daarna zei hij: ‘En je maakt ze nooit af.’

Ik wilde tegenpruttelende geluiden maken, maar ook dat gaf ik gauw op. Voor de herfst van 2008 staan namelijk de volgende cursussen op het programma: breiles, gitaarles en quilts maken (quilts zijn enorme dekens van oude lapjes, het liefst lapjes met emotionele waarde – ik bezit geen lapjes met emotionele waarde, dus ik ga hele rationele quilts maken). Ik kan dus niet beweren dat het een cursusluw seizoen wordt.

lees verder

Ik heb altijd diep respect voor mensen die meteen een mening klaar hebben over de Troonrede. Want hoe kun je in godsnaam begrijpen wat er gezegd wordt? Het luisteren naar de Troonrede vergt een bijna onmenselijke concentratie. De rede wordt onnatuurlijk neutraal voorgelezen, is expres ongrappig, en elke zin is zó ver uitonderhandeld dat er alleen maar algemeenheden over blijven. De Troonrede is, kortom, een avant-gardistisch toneelstuk.

Gevolg: je dwaalt af naar je eigen miezerige leven terwijl de majesteit doordreint. Af en toe is er een kort moment van verwarring: ‘Zei ze nou warmtepompen? En zonneboilers? Wat zijn dat eigenlijk?’ Waarna het grote wegdromen weer kan beginnen.

Wat zou het fijn zijn als de koningin normaal zou mogen praten. Als ze erin zou kunnen knallen met een anekdote uit huiselijke kring, iets over de kleinkinderen ofzo.

Ook zou het gebruik van de directe rede wat meer schwung aan het geheel kunnen geven. Meestal geldt: hoe hoger opgeleid, hoe minder directe rede. Ik weet niet hoe het komt, maar een hogeropgeleide gebruikt liever de indirecte rede: „Ik heb mijn advocaat gebeld en die zei dat we er wel een zaak van kunnen maken.” Zet je deze zin in de directe rede, dan krijg je: „Ik heb mijn advocaat gebeld, en die zei: ‘We kunnen er wel een zaak van maken!’” Dat klinkt een stuk platter. Maar ook leuker. Je kunt citaten vervalsen en stemmetjes nadoen, dus je verhaal wordt er beter van. Sommige mensen houden zó van de directe reden dat ze eindeloos kunnen variëren op het thema: „Ik zeg hij zegt ik zeg ik zeg: ‘Hoezo?’”

Het zou zo mooi zijn: „Dus ik zeg nog tegen Jan Peter, ik zeg, ‘Jan Peter’, zeg ik, ‘we moeten ons er wel allemáál een beetje prettig bij voelen’, dus hij zegt, hij zegt: ‘Tuurlijk, is ook zo’, zegt-ie…”

Waarna wij zouden losbarsten in een spontaan: „Hoera! Hoera! Hoera!”

Iedere crisis creëert zijn eigen emblemen. Die van de jaren dertig: rijen sjofele mannen voor arbeidsbureaus. Die van de kredietcrisis: verslagen mannen in pak die een bankgebouw uit lopen met een doos onder hun arm. Wat daarin zit, laat zich raden: ingelijste foto’s van gezinsleden, de koffiemok, de presse-papier die dochterlief beschilderde voor vaderdag.

Ach, Amerika. Terwijl wij hier steggelen over een mogelijk begrotingsgaatje en een fooitje aardgasbaten, hebben beide presidentskandidaten daar een astronomisch zwart gat van enkele honderden miljarden dollars in hun begrotingen. Protest of zelfs maar lichte verontwaardiging hierover blijft uit in het land dat schaamteloos op de pof leven accepteert als een vanzelfsprekendheid, en dat volledig draait op gedroomde, fictionele vermogens. The American Dream.

Allemaal de schuld van De Medici in de vijftiende eeuw. Vóórdat zij in Florence de eerste banken oprichtten, was geld uitlenen tegen rente door de kerk verboden. Dankzij De Medici ontstond er een wereldeconomie die neerkomt op het verplaatsen van schuldenbergen tussen de deelnemende spelers. Hoewel zelfs ingewijde economen er moeite mee zullen hebben om uit te leggen in welk opzicht die handelswijze verschilt van het illegale piramidespel, leeft over het algemeen de opvatting dat het wereldeconomiespel zich eindeloos voort kan zetten. The Dream Lives On.

In de Renaissance zorgde de leeneconomie ervoor dat ook arme burgers zich een adelbestaan konden aanschaffen, totdat decadentie de boel onvermijdelijk liet ontploffen. Nu, vijfhonderd jaar later, staat de nieuwe adel, strak in het pak, in het centrum van New York op straat met een kartonnen doos.

Ik blijf het een even mooi als komisch beeld vinden. Lehman Brothers gebruikte de beurs alsof het een casino was, zo blijkt. Goed dat de overheid niet bijsprong. Zo worden die kartonnen dozen een waarschuwing tegen al te hebzuchtig bankieren met te hoge risico’s.

Dante Alighieri plaatste de verkwisters en hebzuchtigen in de vierde kring van de hel, waar zij, samen met Sisyphos, een zware last zinloos heen en weer moesten sjouwen. Zo zullen de New Yorkse yuppen hun kartonnen dozen van werkgever naar werkgever zeulen.

Christiaan Weijts