Archief van berichten op 2 oktober 2008

Een tijdje geleden kocht ik een prachtig kussen. Het is rood, en er staat een witte hond met een rode sjaal op. Dat kussen is er inmiddels slecht aan toe.

Dat komt natuurlijk door Broer en Zus, mijn nieuwe katjes, die zich schuw opstellen, maar in hun vrije tijd, als ik weg ben, het kussen aanvallen. Als ik thuiskom, zie ik ze altijd net wegvluchten van de stoel waarop het kussen normaal gesproken ligt. Het kussen ligt dan op de grond, toegetakeld door de nageltjes van Broer en Zus.

Het is een raar duo. Als ik een hand naar ze uitsteek, vluchten ze weg alsof ik een bekende kattenmishandelaar ben. Maar tegelijkertijd volgen ze me overal. Als ik op de bank zit, zitten zij op de stoel tegenover me met zijn tweeën naar me te kijken. Als ik aan tafel zit, staan zij ernaast met een afwachtende houding.

lees verder

Ga er op letten en je hoort het overal. Want het is een virus. Het ‘ik merk dat ik’-virus. Wie besmet is door het ‘ik merk dat ik’-virus, kan mededelingen van persoonlijke aard alleen maar doen als die beginnen met ‘ik merk dat ik’. Je zegt dus niet: ‘Ik ben de laatste paar jaar veel meer van countrymuziek gaan houden.’ Nee, je moet zeggen: ‘Ik merk dat ik de laatste paar jaar veel meer van countrymuziek ben gaan houden.’

Een raadselachtige ontwikkeling. ‘Ik merk’ geeft mededelingen iets vaststaands, alsof er verder niet over gediscussieerd kan worden. Je vindt niet iets, maar je merkt iets op. Het klinkt empirisch en daarom waar. Tegelijkertijd kun je niet worden aangevallen, want we hebben het hier over een constatering, niet over een mening. Zeg eens: ‘Ik vind Rita Verdonk eigenlijk een heel leuke vrouw’, en kijk wat er gebeurt. Zeg dan eens: ‘Ik merk dat ik Rita Verdonk eigenlijk een heel leuke vrouw vind.’ Bij de eerste zin moet je jezelf (afhankelijk van het gezelschap) verdedigen. In het tweede geval mag je lekker over je eigen interessante innerlijk gaan wauwelen, en krijg je empathische reacties van het type ‘dat heb ik ook heel sterk’.

Vanwege dat gewauwel is het niet opmerkelijk dat ‘ik merk dat ik’ zich nu nog een beetje in de softe hoek bevindt. Maar dit is de route die nieuwe uitdrukkingen vaak volgen: Chakra-healer, bedrijfstrainer, politicus, voetballer. Eerder is dat bijvoorbeeld gebeurd met de uitdrukking ‘een stukje’ (‘Even een stukje terugkoppeling…’)

Politici zeggen wel al veel ‘ik merk’ (‘Ik merk dat opiniepeilingen ook niet alles zeggen’), maar nog niet ‘ik merk dat ik.’ En pas als we een of andere Robin van Persie ineens horen zeggen: ‘Ik merkte dat ik positief reageerde op de aandacht vanuit het team’, dan weten we dat we er voorlopig niet vanaf komen.

Als ik inlog op mijn bankpagina, zie ik dat er twee nachten eerder 760 euro van mijn rekening gepind is. Uit een automaat in Constanta, Roemenië. Goed, het was dan ook weekend. Had ik me na een paar drankjes teveel per taxi naar een Roemeens bordeel laten vervoeren, in een overmoedige impuls? Ik herinner me niets van dien aard, en bel dus de meldkamer van mijn bank.

In gesprek. Al dagenlang bellen rekeninghouders natuurlijk in blinde paniek met hun banken. De stem die me uiteindelijk te woord staat, heeft de onverstoorbaarheid die zich in alle hectische omgevingen ontwikkelt, van luchthavens tot politiebureaus. Als reactie daarop geef ik mijn woorden een overdreven radeloosheid mee.

„En u weet zeker dat u niet in Roemenië bent geweest?”

Mijn alibi is waterdicht: ik had die avond een optreden. Voor een zaaltje met tweehonderd man potentiële getuigen. Net als ik een lachkramp onderdruk bij het beeld dat de politie alle bezoekers verhoort, komt het verlossende woord: „U bent slachtoffer van pinpasfraude.” Een dag later een brief: ik krijg de ‘frauduleuze transacties’ vergoed en hoef „zelf geen actie te ondernemen”.

Kopieerfraude van pinpassen blijkt aan de orde van de dag. Hoeveel geld banken ermee verliezen, houden ze angstvallig geheim. Ook de uitgekiende standaardbrief van de bank straalt uit dat ik er vooral geen ruchtbaarheid aan moet geven: we regelen dit stilletjes onderhands.

Toch zit het me dwars. Volgens schattingen kost het de banken jaarlijks miljoenen aan fraudevergoeding. Linksom of rechtsom zijn het uiteindelijk de klanten van de bank die hier, ongemerkt, gezamenlijk voor opdraaien.

De Nederlandse Vereniging van Banken beschouwt pasfraude als een acceptabele schadepost, zo blijkt uit uitspraken in de media. Op een totaal van transacties ter waarde van een paar honderd miljard euro, is er voor een paar miljoen geskimd. „De fraude per transactie komt daarmee op 0,0021 euro.” Dus laat men het maar lekken.

Bankiers: meesters in geruststellen. Zoals Fortis-baas Verwilst vlak voor zijn aftreden zei: „U kunt op beide oren gaan slapen.”

Christiaan Weijts