Voor sommige mensen is oorlog een diep verlangen. Neem de Britse prins Harry. Toen hij begin dit jaar werd betrapt in Afghanistan was het meteen uit met de pret. Tot groot ongenoegen van de prins: „Ik heb geen zin om rond te hangen in Windsor”, zei hij na zijn ontmaskering. „Dat komt omdat ik niet erg van Engeland houd. En het is prettig uit de buurt van de media te zijn.”
Een oorlogsepos verkiezen boven een kasteelroman. Arme Harry. Het ging goed zolang het hem werd gegund. Zodra de haviken (de Britse pers, niet de Talibaan) hun prooi hadden getraceerd en dat breed hadden uitgemeten, liep de eenheid van de prins zoveel gevaar dat hij werd teruggehaald naar veiliger haven.
Heldhaftige prinsen die ten strijde trekken. Met drie kandidaten in de strijd om het Amerikaanse (vice-)presidentschap die een kind onderweg naar oorlog hebben, is het koningsdrama een hit. Geen beter bewijs van vaderlandsliefde dan een onschuldig kind naar een verloren strijd te sturen. McCain had nog de fijnbesnaardheid om niet te reppen over de detachering van zijn zoon. Maar voor Biden en Palin stond er niets in de weg. Vooral de laatste heeft van het vertrek van haar zoon naar Irak een heuse campagnestunt gemaakt. Terwijl zoonlief zich groot hield, repte mama over „de goede zaak”. Zo trots was ze op zoveel manhaftigheid. Biden hield zich bij het vertrek van zijn zoon iets meer op de vlakte, maar had het tijdens de campagne niet nagelaten er wraakzuchtige kiezers mee te trekken.
Arme prinsen. Ouders die uit zelfzucht hun kinderen aanmoedigen zich in oorlogsgewoel te storten, verdienen professionele hulp. Maar koningen en troonopvolgers houden zich aan andere regels. John Eisenhower, zoon van de president, sprak vlak voordat hij naar Korea vertrok met zijn vader af de hand aan zichzelf te slaan, mocht hij in vijandelijke handen belanden. Het landsbelang, aldus de liefhebbende vader, ging voor. Dat was pas leiderschap. Ja, voor sommigen is oorlog een diep verlangen.