Aaf Brandt Corstius: Want dan zou hij een hartgrondig ‘BOK!’ van mij horen

Er zijn mensen die denken dat je op een gegeven moment in je leven de volwassenheid bereikt. Die mensen hebben geen broers en zussen. Het hebben van broers en zussen is een garantie dat je je hele leven bij tijd en wijle zult vervallen in ongebreidelde, ongecensureerde kinderachtigheid.

Dit weet ik omdat ik een broer en een zus heb.

Wat is kinderachtig? Nou, bijvoorbeeld van alles een wedstrijd maken. Daar zijn mijn broer en ik vrij goed in.

De laatste tijd spitst onze competitiedrang zich toe op laptops. Wie heeft de beste laptop, de snelste, de lichtste, de hipste? Ik, vond ik, want ik heb een laptop van het merk waarvoor ik in deze column inmiddels genoeg reclame heb gemaakt. (Hij is wit en er staat een aangevreten appel op.)

Mijn broer vond dat hij daar overheen kon. Hij weigerde, toen hij een paar maanden geleden toe was aan een nieuwe laptop, heel broerachtig om dezelfde te kopen als ik. Dus hij ging naar de winkel en kocht een andere.

Die liet hij trots aan mij zien. Het was een flink ding, ongeveer zo groot en zwaar als een koffietafel. De basiskleur was hoogglimmend bruin. En het ergste was: op dat bruin stonden slierterige tekeningen, van een soort slingerplant.

Het was de lelijkste laptop die ik ooit had gezien. Dit verkondigde ik natuurlijk onmiddellijk, en luid, en het gekibbel daarover nam een volle week in beslag. Daarna ging ik zeggen dat de laptop te zwaar was. Mijn broer had dit inmiddels ook gemerkt, want hij had milde rugklachten ontwikkeld van het gesleep. Dat kon hij niet toegeven, want dan zou hij een hartgrondig ‘BOK!’ van mij horen. Zoals gezegd, ik ben 33, maar ook zus.

Gisteren belde hij me op met een nogal opgetogen ondertoon in zijn stem. Hij had het allerlichtste laptopje van de wereld gekocht. Het allerkleinste, ook. Even later zag ik het op internet, een koddig kaboutermachientje. Het woog nog geen kilo. En het kostte weinig.

Ik probeerde het met: ‘Dat lijkt me moeilijk typen’, maar daar was hij al op voorbereid. ‘Ik heb net zulke priegelvingers als jij, Aaf.’ O ja. Daar ben je ook broer en zus voor.

Toen gaf ik me gewonnen. ‘Ik wil er ook een’, zei ik. Een doorbraak in onze relatie.

De tweede doorbraak was dat mijn broer toen niet ‘BOK!’ zei.

Misschien worden we toch volwassen.