Het nieuws van de week was natuurlijk dat de meeste Nederlandse mannen (80 procent volgens de humane Leidse geneticus De Knijff) afstammen van jagers die gedurende de latere ijstijd in Europa leefden. Dan praat je weliswaar over 25.000 jaar geleden, maar jachtinstinct schijnt heel traag te slijten. Dat hoeft er in vijfhonderd generaties nog lang niet uit te zijn gemendeld.
Wat waren de voorouders van de twintig procent Nederlanders die niet intuïtief prooi ruiken?
Boeren.
Die zijn als mensensoort een stuk jonger dan de jagers: ze kwamen hier pas zevenduizend jaar geleden. In zekere zin zat er iets burgerlijks aan hun behoefte om zo weinig mogelijk de deur uit te gaan, en liever op eigen erf een moestuintje met kippen te beginnen, dan er voor elk stukje vlees weer op uit te moeten om in het bos een mammoet te schieten. Het tweede is in de literatuur ook meestal voor heroïscher en avontuurlijker aangezien dan het eerste. Thomas Edward Lawrence (geen familie van de vieze schrijver van Lady Chatterley’s Lover) sprak als ere-Arabier over ‘the biting sprit of nomadism’.



