Aaf Brandt Corstius: Dat is natuurlijk ongezellig, smetvrezig en kil
In de liefde mag alles, maar één ding kan ik niet goed verdragen: als mijn vriend aan mijn gezicht zit.
Natuurlijk, als we gezellig op de bank zitten, en hij is al een tijdje in mijn huis, en ik heb gezien dat hij zijn handen heeft gewassen, met antibacteriële zeep, of met een schuursponsje, of het liefst met allebei, dan vind ik het geen enkel probleem als hij me een aai over mijn wang geeft. Dat vind ik zelfs fijn.
Maar als hij net uit de metro komt, waar hij zich heel lang aan een warme stang heeft vastgehouden, waar eerder die dag misschien, of eigenlijk hoogstwaarschijnlijk, een oude man met handeczeem en overmatig zweet ook aan heeft gezeten, dan vind ik het niet zo prettig als hij me een aai over mijn wang geeft.
Dat is natuurlijk ongezellig, smetvrezig en kil van me, maar ik kan er niks aan doen. Als iemand aan mijn gezicht zit – ook als ik het zelf ben – krimp ik ineen en krijg ik visioenen van enorme, kloppende pukkels die onmiddellijk ontstaan.
In het begin van onze relatie liet ik dat allemaal niet zo merken, van die visioenen, maar nu ben ik al een paar keer zichtbaar ineengekrompen als hij een pluisje van mijn voorhoofd haalde of voor de grap in mijn neus kneep. ‘Ik krijg er een heel slechte huid van als je aan mijn gezicht zit’, verklaarde ik maar. ‘Sorry.’
Hier nam hij geen genoegen mee. Hoezo zou ik daar een slechte huid van krijgen? Zouden eventuele bacteriën uit een metro, van een wc of van een deurklink, na contact met mijn huid acute acne veroorzaken? Geloofde ik dat écht?
Ja.
Waar ik die dermatologische kennis vandaan had, wilde hij weten.
Nou. Dat had ik een keer in de Vogue gelezen. Wanneer? In 1988, schatte ik in, rond mijn dertiende. In de Vogue van mijn stiefmoeder. In dat artikel stond dat je nooit je gezicht moest aanraken. En ook dat je constant schone slopen om je kussen moest doen. Vanwege pukkelgevaar.
‘Dus dat heb je uit een Vogue uit 1988’, zei hij, op een toon die aangaf dat hij de Vogue van 1988 niet al te hoog had zitten.
Ja.
Sindsdien raakt hij ongebreideld mijn gezicht aan. Mijn protesten neemt hij niet meer serieus. Maar de kussenslopen verschoon ik nog steeds. Daar merkt hij niks van.



