jan blokker: Waren uw voorouders jagers of boeren?
Het nieuws van de week was natuurlijk dat de meeste Nederlandse mannen (80 procent volgens de humane Leidse geneticus De Knijff) afstammen van jagers die gedurende de latere ijstijd in Europa leefden. Dan praat je weliswaar over 25.000 jaar geleden, maar jachtinstinct schijnt heel traag te slijten. Dat hoeft er in vijfhonderd generaties nog lang niet uit te zijn gemendeld.
Wat waren de voorouders van de twintig procent Nederlanders die niet intuïtief prooi ruiken?
Boeren.
Die zijn als mensensoort een stuk jonger dan de jagers: ze kwamen hier pas zevenduizend jaar geleden. In zekere zin zat er iets burgerlijks aan hun behoefte om zo weinig mogelijk de deur uit te gaan, en liever op eigen erf een moestuintje met kippen te beginnen, dan er voor elk stukje vlees weer op uit te moeten om in het bos een mammoet te schieten. Het tweede is in de literatuur ook meestal voor heroïscher en avontuurlijker aangezien dan het eerste. Thomas Edward Lawrence (geen familie van de vieze schrijver van Lady Chatterley’s Lover) sprak als ere-Arabier over ‘the biting sprit of nomadism’.
Uit de Leidse ontdekking zou tevens blijken dat de binnentrekkende boeren in het Nederland van zeven millennia terug niet erg welkom waren. Bij de Duitsers lag dat anders. Daar konden ze op het land – Heimat! Heimat! – meteen aan de slag. We weten trouwens ook dat ze hun settelersmanieren hadden meegenomen uit het Midden-Oosten. Je zou ze daarom de allochtonen van die jaren kunnen noemen, zonder dat we overigens kunnen bewijzen dat de jagers hun grenzen om die reden voor ze hadden willen sluiten. Je had toen ook nog niet zoveel grens.
Aardig is het Y-chromosomenonderzoek van professor De Knijff natuurlijk vooral omdat het uitnodigt tot gissingen over het mensentype. Bij ons thuis deden we vroeger al het spelletje raden-of-die-en-die rooms, gereformeerd, SDAP, en verder schoolmeester, kunstenaar of bankier was. Er was toen nog geen televisie, dus we behielpen ons met foto’s uit de krant. Colijn zag je meteen. Kardinaal De Jong was ook geen twijfelgeval. Maar socialistische kopstukken begonnen in die dagen misschien nog niet hun ideologische veren, maar in uiterlijk wel al de knoestigheid van hun politieke afkomst te verliezen. Je zag ook steeds minder schillerhemd en steeds meer stropdas in hun kring.
Maar kun je volhouden dat je aan het gedrag van Balkenende nog altijd ogenblikkelijk de ijstijdjager kunt herkennen, en aan Wilders – ik noem maar een willekeurig iemand – de uitgesproken boer van achttienduizend jaar later? Lastig. Maar de speculaties over de 80-procenters en de nagekomen agrariërs, zouden misschien wel een bijdrage kunnen leveren aan de telkens opnieuw oplaaiende discussie over de nationale identiteit, en de noodzaak om Sinterklaas tegen elke prijs te verdedigen tegen het onbegrip van een miljoen domme moslims.
In die kwestie is de grondvraag altijd: heeft mijn zelfbeeld te maken met de jacht, of met de ploeg? Als je dat aan de verzamelde Nederlandse mannen voorlegt, heb je grote kans dat je na afloop zessenhalf miljoen jagers en anderhalf miljoen boeren hebt geturfd. En identiteit noemen we vervolgens het quotiënt dat je krijgt als je al die zelfbeelden door acht miljoen hebt gedeeld.
Tot de Leidse onderzoekers ook de afstamming van de vrouw hebben ontdekt, kunnen we in ieder geval opgelucht vermoeden dat de Nederlandse identiteit al bestond in de ijstijd.
Jan Blokker



