Aaf Brandt Corstius: Haruki’s uit de hand gelopen hardloophobby

Niks kon me tot hardlopen aanzetten; de kleine rode iPod niet, mijn buikje niet, en het abonnement op de sportschool al helemaal niet.

Maar Haruki Murakami wel. Door het lezen van zijn boek What I Talk About When I Talk About Running ben ik weer gaan hardlopen.

Ik was al jaren fan van Haruki, nadat ik een hele zomer had besteed aan zijn boek The Wind-Up Bird Chronicle. In dat boek gaat de hoofdpersoon een paar honderd bladzijden lang in een gat onder de grond zitten.

Je moet als schrijver van heel goeden huize komen als je je lezers dan nog weet te boeien.

Haruki komt van heel goeden huize.

What I Talk About When I Talk About Running is het verhaal van Haruki’s uit de hand gelopen hardloophobby, met als hoogtepunt een ‘ultramarathon’ van honderd kilometer waarbij hij tot allerlei inzichten komt en als snacks zure pruimen eet (alsof honderd kilometer rennen niet genoeg afzien is).

Door dit boek ging ik ook rennen. Een van de inzichten was namelijk dat, als je altijd als een dode amoebe achter een computer zit, het goed is om ook eens buiten rond te rennen. Haruki verwoordde dit beter, zodat het minder als een wijdopen deur klonk. Iets met gif, reiniging, lichaam en geest.

Gisterochtend was het stralend weer, ik rende over een brug over de Amstel, en zag daar een enorme zwaan. Hij was even lang als een klein, tandeloos mannetje met een bakfiets dat bij de zwaan stond. Het mannetje had de dierenambulance gebeld, want de zwaan kon niet wegvliegen.

Zwanen kunnen alleen met een aanloopje opstijgen – het zijn tenslotte KLM-vliegtuigen – en op die brug, met alle auto’s, fietsers en relingen, kon hij geen aanloop nemen.

De dierenambulance kwam, een medewerker pakte de zwaan bij zijn hals, propte hem in de auto en reed weg naar een zwanenopstijgbaan.

Het mannetje met de bakfiets fietste ook weg. Hij zei: ‘Hierin!’ en wees op zijn bakfiets. Ja, knikte ik, dat was leuk geweest, als hij die zwaan in zijn bakfiets had vervoerd.

Maar even later fietste hij weer langs me en riep ‘Hierin! Hierin!’

O, dit was een flirt. Ik moest in de bakfiets van het kleine mannetje.

Normaal had ik dit allemaal erg opdringerig en onfris gevonden, maar nu zwaaide ik vriendelijk en rende verder, in een opperbest humeur. Haruki had gelijk.

Aaf Brandt Corstius