Oké, over de gedichten. Je hebt nog ongeveer een dag. Sinterklaasfetisjisten hadden ze vorige week al af, maar als je een normaal mens bent, begin je vandaag.
Tijd om even na te denken over wat er je er allemaal mee kunt, met zo’n sintgedicht.
In sommige intellectuele families is het de gewoonte helemaal over de top te gaan met sintgedichten („Doen jullie alleen surprises? Neeeeee, bij óns maakt íédereen voor íédereen een gedicht!”). In zulke families wordt gegruwd over ‘Sint zat te denken’. De vraag is hoe je hiermee om moet gaan. Je kunt meedoen aan de gekte en elk jaar een nieuw episch gedicht in jambische hexameter afscheiden. Je kunt je ook verzetten en juist met iets heel simpels komen (‘Het wordt steeds gekker, hier is een nieuwe wekker.’). Of zoek, heel verfrissend, de middenweg. Ik ken iemand die zich chronisch geïntimideerd voelt door zijn broer, die Neerlandicus is. Dit jaar heeft hij een gedicht bedacht dat zo begint: ‘Oote, oote, oote… nee, dit begin is klote.’
Sinterklaasgedichten zijn trouwens lang niet zo onschuldig als ze lijken. Vaak worden ze gebruikt om allerlei onderhuidse grieven eens lekker te uiten, en wel anoniem. Die bende onderaan de trap, dat dikdoenerige gedrag in restaurants: afserveren in een gedicht!
Een unieke kans, want verder wordt anonimiteit meestal niet zo gewaardeerd, behalve op internetfora waar GeileJantje43 ongebreideld mag schrijven wie hij graag dood wil hebben/plat wil neuken.
Het rare aan het sintgedicht is dat die anonimiteit nooit lang duurt. Degene die het geschreven heeft lacht bescheiden en neemt complimentjes in ontvangst – maar is zogenaamd niet de auteur, dat is Sinterklaas. Het is een gespeelde anonimiteit waar iedereen in mee gaat.
Vanwege dit collectieve toneelstukje geldt helaas de regel dat je niet mag zeuren als je een trap onder de gordel krijgt. Het is dus zaak te blijven glimlachen. En ondertussen alvast na te denken over een revanche, volgend jaar.