Archief van berichten op 11 december 2008

Ik heb gisteren het boek met de meeste uitroeptekens in de geschiedenis van de boekdrukkunst gekregen: Help, ik val af! van Erica Terpstra.

Zoals iedereen heeft gezien, is Erica Terpstra van gedaante veranderd. Ze draagt nog steeds fluwelen gewaden met daaronder een trainingsbroek en zwarte lederen schoenen, maar onder die kleding zit een rank lichaam. Een ramp voor middelmatige cabaretiers, deze metamorfose.

Over de veertig kilo die Erica is afgevallen, gaat Help, ik val af!, dat zij in zes weken geschreven en uitgegeven heeft. Ik ging naar de presentatie in het Olympisch Stadion. Ergens liep Erica rond, maar ze was niet herkenbaar. Ze was namelijk niet alleen dun, ze had ook ineens platinablond, hoog haar. Gelukkig was ze aan haar stemgeluid te herkennen. ‘Dít is mijn broertje!’ klonk het uit een hoek. Een oude, keurige heer werd aan iedereen voorgesteld. Toen klonk het: ‘Ik vind het zó’n feestje, man!’ En toen ging Erica speechen.

lees verder

Toen Wendy van Dijk afgelopen zondag ‘in de hoofdrol’ was, verscheen natuurlijk meteen haar moeder vanachter de schuifdeurtjes.

„Wat voor kind was Wendy?” vroeg warm mensen-mens Frits Sissing. De moeder van Wendy antwoordde: „Nou… Wendy was een, eh, best wel… spontaan kind… lief, aardig, had ook altijd wel iets verrassends.”

Spontaan, dat snap ik. Dat is al jaren het mooiste compliment dat je meisjes schijnt te kunnen geven. Maar ‘iets verrassends’? Is dat nou positief? Als iemand je wordt aangeprezen met ‘hij heeft wel iets aantrekkelijks’, dan denk je toch ook: wegwezen?

Waardoor ik ineens ging nadenken over dat ‘best wel’, vlak voor ‘spontaan’. Betekende dat misschien dat Wendy eigenlijk niet zo spontaan was? Zoals je van vies eten uit beleefdheid kunt zeggen dat het ‘best wel lekker’ was? Nee, dat is een brug te ver. Waarschijnlijk was Wendy oprecht verschrikkelijk spontaan. ‘Best wel’ fungeert hier louter als stoplap. De moeder van Wendy had tijd nodig om haar zin goed te formuleren, en vulde die tijd met ‘best wel’. Dit is iets wat de hele familie Van Dijk doet, zo bleek de rest van de avond. Het was ‘best wel een moeilijke tijd’ dit en ‘best wel heel heftig’ dat.

Dit ligt niet aan de Van Dijkjes. Heel Nederland is verslaafd aan ‘best wel’. En het is ook niet iets van de laatste tijd. Ik schat dat ‘best wel’ alweer sinds de jaren zeventig onder ons is, want het heeft iets hippie-achtigs. Dat je best wel stoned in iemand z’n studentenkamer best wel diep zit te discussiëren over best wel belangrijke dingen in de maatschappij, weetjewel. En dat alles in redelijke, gemoedelijke sfeer.

Met best-wellers is het moeilijk ruzie maken, want wat kun je doen tegen iemand die ‘best wel teleurgesteld’ is? Die kun je alleen maar ‘best wel begrijpen’. Een stoplap die gladstrijkt. Ideaal.

Geert Wilders en Ehsan Jami zijn sterke regisseurs. Niet van hun filmpjes, maar van de berichtgeving eromheen, die veel spannender was. Ze hanteerden daarvoor dezelfde techniek: suggereren dat in de film weleens een koran verscheurd of verbrand kan gaan worden (Wilders), een tekenfilm aankondigen waarin de profeet een meisje van negen verkracht, schetsen ervoor laten zien met hakenkruizen, de première beramen op de verjaardag van Hitler (Jami), en dan, als iedereen met bonkend hart, ingehouden adem en samengeknepen billen zit te wachten, tevoorschijn komen met een onschuldig, secuur binnen de grenzen getemd filmpje vol meligheid (Jami) en montage (Wilders).

Een langgerekte suspense, gevolgd door een abrupte anticlimax: dat is de formule voor de films die Wilders en Jami eigenlijk, als vaardige regisseurs van de media, hebben gemaakt. Dit is ofwel een publicitaire tactiek, ofwel een aanwijzing dat de regering meer invloed als censor heeft dan de heren willen toegeven.

Beide is waarschijnlijk het geval, maar laten we er even van uitgaan dat publicitaire redenen overheersten. Welk oogmerk had dat pr-circus dan? Discussie losmaken, zeggen de filmmakers. We kunnen constateren dat dat mislukt is. Van Wilders’ discussiebijeenkomsten met moslims is niks terechtgekomen, en alle moslimorganisaties reageren unaniem schouderophalend op Jami.

De enige die een negatief inhoudelijk oordeel over de film van Ehsan Jami uitsprak, was – ironisch genoeg – Geert Wilders, die de film een ‘utopisch karakter’ verweet. „Het zelfreinigend en veranderend vermogen van de islam en de barbaar Mohammed is pure fictie.”

De cynische islamverlichter versus de idealistische. In hun kielzog zullen denkers als de rechtsfilosoof Afshin Ellian, de arabist Hans Jansen en de diva van het islamdebat Ayaan de kranten- en weblogkolommen vullen en aanschuiven aan de tv-borreltafels. Louter niet- of ex-moslims, in een voorspelbare discussie die weer eens óver moslims gaat, niet mét moslims, wat toch de opzet was.

Zo krijgen ook de in-de-media-geregisseerde films een onbevredigende afloop, en zijn de makers ervan bij nader inzien toch niet zulke sterke regisseurs.

Christiaan Weijts