Jan Blokker:
De kerstboodschap van mevrouw Ploumen
Moet Leiden het hoofd van negentiende-eeuwse Ghanese koning Badu Bonsu II teruggeven aan Ghana?
Het staat nu nog op sterk water in het Anatomisch Museum van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), en weliswaar weet niemand hoe het daar terecht is gekomen, maar zeker schijnt te zijn dat de koning in 1838 door z’n eigen volk is afgezet, en vervolgens uitgeleverd aan Nederlanders (altijd bereid om een klusje op te knappen) die er korte metten mee maakten: kop d’r af. Dan is Leiden niet ver meer.
Maar waarom zou minister Verhagen (CDA) honderdzeventig jaar na dato ineens ‘een ondersteunende rol’ moeten gaan spelen ‘bij de behandeling van het Ghanese verzoek’?
Misschien zouden er vervolgens nog allerlei volkenrechtelijke haken en ogen aan blijken te zitten maar ik zou om te beginnen met m’n gezonde Hollandse boerenverstand redeneren: Wie hebben die man nou onthoofd? Dus van wie is die kop?
De CDA-Tweede Kamerleden Ormel en Haverkamp vroegen evenwel aan hun minister Verhagen of die ‘een ondersteunende rol’ wilde gaan spelen bij de behandeling van een Ghanees verzoek om dat hoofd uit het water te halen en naar Accra te transporteren, waar het zonder enige twijfel nog dezelfde avond uit elkaar zal vallen.
Wat dreef Ormel en Haverkamp? Dat blijkt het Ghanese verhaal dat de overledene geen rust in het Afrikaanse hiernamaals kan vinden zolang z’n kop d’r niet op zit, dus dat hij het hoofd nodig heeft om eindelijk tot zichzelf te komen.
Sinds 1838 heb ik nog nooit één Ghanees horen klagen dat Badu Bonsu II incompleet was. Maar de uitgekookte Derde Wereld speelt tegenover het schuldbewuste Westen weer eens het zielige slachtoffer, en Verhagen schiet in de oude cultuurrelativistische kramp ‘Ik heb begrip voor het Ghanese verzoek’, antwoordde hij zijn partijgenoten, ‘en heb het verzoek om het hoofd van de koning, doorgeleid naar het LUMC’.
Dus niet een sms’je naar Ghana om namens de christen-humanistische, door de Verlichting gelouterde blanke beschaving te vragen waar hun verstand is gebleven, maar begrip, en net doen alsof we in ’s Gravenhage óók geloven dat Badu Bonsu tussen z’n mededoden voor gek loopt omdat hij die kop mist. Hoe vaak moeten Paul Scheffer, Pim Fortuyn en Geert Wilders nog waarschuwen dat het multicultureel nooit wat kan worden als we de dingen niet durven benoemen?
En is het niet te dol voor woorden dat mevrouw Ploumen van de Partij van de Arbeid eindelijk bij zinnen is gekomen en toegeeft dat de tolerantie het integratiedossier geen millimeter vooruithelpt – terwijl tegelijkertijd de christen-democraten het animisme van donker Afrika omhelzen?
Dat doen ze hoop ik toch niet omdat het Contactorgaan Moslims en Overheid ineens het initiatief heeft genomen om samen met de Raad van Kerken en het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom, een dialoog op te zetten? ‘Waardigheid, vrijheid, rechtvaardigheid, respect en solidariteit’, heet het in de mohammedaanse verklaring, ‘zijn door religie en levensbeschouwing gestuurde grondwaarden’.
Wat verbeelden die lui zich wel? Dat ze de kersttoespraak van Trix moeten overtreffen? Of dat ze ons met een paar van die grote woorden kunnen verleiden om academisch zeldzame en onbetaalbare negerhoofden gratis terug te sturen?
Begrijp me goed. Ik zal altijd een pleitbezorger blijven voor wat in de jaren zeventig internationale solidariteit heette. Als kleuter al spaarde ik het zilverpapier van m’n chocoladereep, en gooide het in de speelgoedmolen van de bewaarschool om het Lambarene van Albert Schweitzer draaiende te houden. Maar mevrouw Ploumen heeft gelijk. Het is heel leuk om goeie maatjes met landen als Ghana te blijven, maar belangrijker is de kerstgedachte die zij als voorzitster van de Partij van de Arbeid uitzond: eigen vrede eerst.