2008 zou de annalen in gaan als het jaar waarin eenvoud nieuwe glans kreeg. Wat niemand voor mogelijk had gehouden was daadwerkelijk gebeurd. Het ongebreidelde marktkapitalisme had zijn langste tijd gehad. Het streven naar meer was abrupt een halt toe geroepen.
Het ging ook al jaren veel te hard. De wereld was overspannen. En de ongelijkheid die daarmee gepaard ging had zulke vormen aangenomen dat de haat een vaste plek in de samenleving had gekregen.
Wapens werden gehanteerd als visitekaartjes voor simpel ongenoegen. Andermans welvaart was er om op te blazen. De werkelijkheid een te vermijden plek: zo zalvend was internet.
Toch was het niemand opgevallen. Het casino deed nu eenmaal niet aan sluitingstijden. De spelers waren verslaafd. Natuurlijk kenden de uitbaters de zetten. Die rekenden zich rijk. Maar het publiek was er stiekem trots op. Wat de gokbazen konden, konden zij ook. Het hield de vaart er in. Iedereen deed immers mee. En wat niet uitkon, werd bijgedrukt. TomTom en Dow Jones wezen de weg.
Het was geen benijdenswaardig bestaan. Thuis was apegapen. Koken deed Albert, het gesprek Witteman en zorg de opvang. Spiritualiteit werd het verwrongen alternatief. De vrije dag het heilmiddel. Geluk was daar waar het dagelijkse niet was, want waar het dagelijkse was, was geen geluk.
Niet dat iemand eraan wilde, maar achteraf was het een zegen. Een aanslag kon je het niet noemen, maar verontrustend was het wel. Alles ging in vlammen op. De vlucht was niet te stuiten. Speculeren was voor levensmoeien. Alleen de paniek was groter dan de crisis. De moeite voor het niets.
Toen de rook ging liggen, stonden alleen de mensen nog. Ontredderd, maar ongedeerd. Ze hadden lijf en leden, en opeens elkaar.
Was het niet zo geweest dat weinig altijd simpel was? Dat minder lasten minder lastig was? Geen mens die het zich kon heugen, maar onprettig was het niet. Zo kreeg in dat bewuste jaar de eenvoud een nieuwe kans.