Archief van berichten uit januari

Waarom vraagt de Kamercommissie Landbouw in godsnaam prinses Irene om haar licht te laten schijnen over ‘natuur en duurzaamheid’?

Ik wil niet de staatsrechtelijke scherpslijper uithangen, en ik weet dat Ireen geen lid meer is van het Koninklijk Huis, maar met elke vorm van handjeklap tussen politiek en Oranje moet je volgens mij constitutioneel uitkijken. Dat Pieter van Vollenhoven twee ministers ten val kon brengen, vond ik indertijd ook al op de rand van het oirbare. Je kunt zo’n man wel demonstratief professor blijven noemen, maar eerst en vooral is hij natuurlijk de gemaal van prinses Margriet, en die is wél lid van het Koninklijk Huis.

lees verder

Omdat het Amsterdam International Fashion Week is besluit ik te gaan kijken bij de show Collectie Arnhem, gemaakt door derdejaars modestudenten van de kunstacademie in Arnhem. Nu weet ik niets van mode. Ik zeg dat niet om koket te doen, als in: ‘Oh ik weet echt niéts van mode’, om vervolgens in een panterjumpsuit op kistjes weg te schrijden (zie je, ik kan dit niet eens geloofwaardig verzinnen). Maar ik koop mijn kleren liefst in een manische bui bij H&M (niet in een klein winkeltje waar zo’n kledingjuffrouw je als een sfinx met haar ogen volgt), en als het gaat om trends: het viel me laatst op dat bij Noorse oorflapmutsen van nu de touwtjes gevlochten zijn, als twee guitige dirndl-vlechten. Ik ben oprecht trots dat ik die trend heb gespot. Ik denk niet dat het in Collectie Arnhem voorbij gaat komen.

Bezweet van het harde fietsen kom ik aan. Ik ben nog nooit bij een show geweest en alles wat ik weet komt van het tv-programma Project Catwalk. Even lijkt dat te kloppen: ik zie Ruud van der Peijl (als hij in beeld komt staat er altijd onder zijn naam ‘King of Style’) en Bastiaan van Schaik (bij hem: ‘überstylist’). Maar ik had niet gedacht dat het zo chic zou zijn. Het publiek ziet er prachtig uit, overal zie ik duur uitziende trenchcoats, hoge hakken en strakke gezichten. Plots voel ik me in mijn verkreukelde trui (het is elf uur ’s ochtends) en bezwete lichaam (ik stapte tien voor elf pas op de fiets) nogal misplaatst. Iedereen hier lijkt totaal gespeend van enige ontsierende menselijkheid. Ik krijg een druipneus.

De kleding bestaat uit veel hoekige vormen, wijde broeken die strak toelopen en snoepkleurtjes. Er komt een meisje voorbij in een wollige zwart-witte catsuit, een soort panda-pakje dat ik meteen wil hebben. Maar ik ben ook behoorlijk gefascineerd door de modellen, die er heel naakt uitzien onder het felle licht: witte huid, schuddende billen, een jongen met een tapijtje aan borsthaar. Ik voel me schuldig dat ik zo op hun lijven aan het letten ben (dat lijkt me precies wat onervaren mensen doen. En viezeriken) maar hoor later dat meer mensen dat opvallend vonden. Een van de ontwerpsters vertelt me: ‘We hebben onder andere okselhaar als inspiratie gebruikt. En oervormen. Zoals een driehoek, die ook aan een vagina doet denken. Seksualiteit is kracht. Onze collectie draait om acceptatie van het lijf, om de krachtige oermens.’ Ik haal luidruchtig mijn neus op: zo zie je maar. Menselijkheid is juist de toekomst.

Renske de Greef

Luisteropdracht: zet de radio aan. Wacht dertig seconden. De kans is groot dat je het dan al voorbij hebt horen komen: ‘Heel erg.’

Er zijn mensen die in elke zin graag een keertje ‘heel erg’ willen zeggen. Niet omdat het allemaal zo erg is. ‘Het was gewoon heel erg confronterend, maar we hebben heel erg gepraat, nou, heel erg heftig.’ Wie maar vaak genoeg ‘heel erg’ zegt, maakt er één woord van: ‘heeuwerg’.

Het handige aan ‘heel erg’ is dat je wat meer tijd krijgt om te bedenken wat je in godsnaam wilt zeggen. Laatst hoorde ik iemand in een interview het volgende kunststukje afleveren: ‘Die periode was gewoon, best wel, heel erg, die heeft me gewoon best wel heel erg gevormd.’

Het was zo’n hippige jongen die dat zei, zo iemand met veel gevoelens maar ook de juiste nonchalante houding om de meisjes niet af te schrikken. Kijk maar naar de afzwakkingen: als ‘heel erg’ toch ineens te heftig klinkt, dan kun je er van alles omheen zeggen: gewoon, best wel, ‘ergens’, op een bepaalde manier, in die zin, nou ja, en noem maar op.

‘Heel erg’ heeft trouwens niets meer te maken met negativiteit – wat je op grond van ‘erg’ zou verwachten. Het wordt alleen gebruikt om een mededeling wat extra aan te zetten. Bewijs hiervoor is dat je gerust kunt zeggen: ‘De verjaardag van tante Ans was echt heel erg erg.’ De eerste ‘erg’ is versterkend bedoeld, alleen de tweede ‘erg’ heeft de oorspronkelijke betekenis.

In sommige kringen is ‘heel erg’ echt te kinderachtig of te populair. Mensen met macht gebruiken het bijvoorbeeld liever niet te vaak. Toch moeten ook zij hun mededelingen kracht bij zetten.

De volgende luisteropdracht is: spoor het ‘heel erg’ van politici op. Goed, alvast een tipje van de sluier: het ‘heel erg’ van Wouter Bos is ‘ontzaggelijk’. Hij zegt het ongeveer een keer per minuut.

Het gerechtshof in Den Haag veroordeelde vorige week een winkelier die een T-shirt verkocht met het politielogo erop met daaronder het woord ‘corrupt’. Belediging van het openbaar gezag.

Opmerkelijk in het vonnis is de volgende zin: ‘[Het Hof] gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven T-shirts met de term „poep” en het gespiegelde politielogo.’ Die waren kennelijk niet beledigend.

Als VVD’er Mark Rutte zijn wetsvoorstel erdoor krijgt om de vrijheid van meningsuiting ongelimiteerd te maken (behalve oproepen tot geweld), dan wordt in elk geval de dunne scheidslijn tussen corruptie en poep opgeheven en kun je beide T-shirts straffeloos dragen.

In dezelfde categorie: waarom wordt Geert Wilders wél vervolgd als hij de Koran met Mein Kampf associeert, maar is het destijds nooit tot een vervolging gekomen van linksekerkleden (zoals Marcel van Dam) die Pim Fortuyn met Adolf Hitler associeerden? Om nog maar te zwijgen van de inconsequente moraal van advocaat Gerard Spong, die zowel aangifte deed tegen Wilders áls tegen Van Dam cum suis. Gaat Spong nu ook aangifte doen tegen de mensen die Wilders een fascist noemden?

Het antwoord vinden we in artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht: ‘Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.’

De motivering is dat het bij Fortuyn ging om een politieke overtuiging, en die komt niet in het rijtje van 137d voor.

Maar is de scheidslijn tussen politieke overtuigingen en levensovertuigingen niet even dun als die tussen ‘corrupt’ en ‘poep’?

Aan Ruttes voorstel mogen dan bezwaren kleven (zo is er een gevaar dat hij de deur openzet naar discriminatie), het is wel een goede voorzet tot een grondig debat over artikel 137. Want zoals het nu geregeld is, leidt het artikel tot een onaanvaardbare rechtsongelijkheid.

Christiaan Weijts

Toen ik ongeveer tien jaar oud was, las ik dat een vampier alleen je huis in kan komen als je hem zelf een keer hebt binnengelaten. Vanaf dat moment was ik bang om mensen uit te nodigen. Ik vond het net iets voor mij om argeloos de deur te openen voor de buurman en hem daarna ’s avonds terug te vinden op mijn bed, zorgvuldig flossend, omringd door bebloede plukjes vacht die aangaven dat konijntje Knabbel alvast als voorgerecht had gediend.

Nu, veertien jaar later, ban ik alle knoflook uit mijn huis, doe mijn vampiergebitje in, hang knipperende neonborden buiten waarop staat: ‘VAMPIER HIER’ en zit nachtenlang voor open ramen, terwijl ik met een gelakte nagel uitnodigend over mijn ontblote hals strijk, verlangend naar een hissende vampier op mijn vensterbank. Dat komt doordat ik de film Twilight heb gezien.

Ik was laatst aan het zappen en viel in een serie met de zin: ‘Maar betekende het dan niets voor je, dat jij mijn bloed dronk in de woestijn?’ (Dat vond ik een intrigerend begin. Alsof ze bij As The World Turns opeens snikkend uitriepen: ‘Je wás er gewoon niet voor me toen ik die alien baarde!’) Deze serie heette Moonlight en het was een soort CSI met hoektandjes. Ik herinnerde me dat ik ook iets gelezen had over een tienerfilm met vampieren, en dat een vriend van me een nieuwe Amerikaanse serie volgde: True Blood, over de sociale acceptatie van vampieren na de uitvinding van synthetisch bloed. Er was maar één conclusie mogelijk: vampieren zijn weer helemaal de shitbom.

Dus ik ging naar Twilight, die alweer een tijdje draaide. Een film waarin een meisje verliefd wordt op een jongen die vampier blijkt te zijn. Hij houdt van haar, maar verlangt ook naar haar bloed. En zo ontdekte ik dat ik geboren ben in een verkeerd lichaam: ik wil vampier worden. Vampieren zijn séxy. Ik vond Twilight een van de meest erotische films ooit (en dat is enigszins verontrustend, aangezien je als twaalfjarige de film ook mag zien). Alles aan de vampieren was sensueel: hun zwoele blik, hun bewegingen in zinnelijk slowmotion en bloedzuigen, oh bloedzuigen. En het allerbelangrijkste: de praktische gemakken van bovenmenselijke kracht en snelheid (vampier zijn = nooit uitgeput aankomen bovenaan de trap).

Dus ik wacht op de mooie dag dat ik gebeten word. Tot die tijd nodig ik alle buurmannen thuis uit: mijn reputatie mag best op het spel staan als er superkrachten te winnen zijn.

Renske de Greef

Aaf heeft tot 8 februari vakantie. Renske de Greef (24) is columniste en auteur van onder andere ‘Was alles maar konijnen’.

Dat we de laatste weken op zondagavond bij de EO naar Maarten van Rossem hebben kunnen kijken, was wat mij betreft een dubbel, misschien zelfs wel een driedubbel mirakel.

Wie had om te beginnen in de jaren vijftig of zestig de Nederlandse gereformeerdheid überhaupt met kijken durven associëren? Het Woord, ja. Maar het Beeld? Nooit. We weten allemaal wanneer en hoe het fundament van ons volksbestaan is gelegd: in 1566, toen de roomse kerken bestormd, en de heidense beelden vernietigd werden. Er zijn op Tholen, in Spakenburg en op de Veluwe nog steeds principiële calvinisten die liever op een brandstapel zouden sterven dan dat ze een televisie in de huiskamer moesten dulden.

lees verder

Terwijl ik jonglerend met boodschappentas, fietssleuteltjes en enorme Peruaanse wollen wanten de supermarkt uitliep, stond er opeens een jongetje buiten de zoevende schuifdeuren te wachten. Hij stond pal naast de straatkrantenverkoper, en ze keken me allebei aan alsof ik hun verlossing ging brengen (daar hield de gelijkenis wel op: de straatkrantenverkoper had een baard waar een stokstaartjesfamilie in zou kunnen wonen). Het jongetje deed een stap naar voren en keek me vanonder zijn blauwe muts haast wanhopig aan. ‘Mevrouw’, zei hij. ‘Heeft u ook voetbalplaatjes?’

Ik had geen voetbalplaatjes. Ik wist zelfs nauwelijks dat er voetbalplaatjes waren, laat staan dat de verzamelkoorts zo hoog was dat er verhitte en verwilderde jongetjes voor supermarkten rondhingen om nietsvermoedende mensen te bespringen. Dit jongetje wenste waarschijnlijk zijn album welterusten voor het slapen gaan, besteedde uren aan het minutieus op volgorde leggen van Het Beste Linkerbeen, nam plaatjes mee in een envelop naar school om daar bikkelhard de beste deals te sluiten („Ik doe Dani Fernández alleen tegen Timmy Simons, een Vitesse-logo én Mark de Man.” „Mij best, ik heb Mark de Man toch lekker driedubbel”), om ze daarna geconcentreerd, met uitgestoken tong, perfect netjes in het album te plakken. Ik verzamelde vroeger Panini-plaatjes van De Kleine Zeemeermin. Het boek kwam nooit vol en ik hield een la vol halve snavels van de zeemeeuw Jutter over. Misschien maar goed ook, want er is vast geen grotere anticlimax dan het voltooien van een verzameling.

Ik beloofde het jongetje dat hij voortaan al mijn voetbalplaatjes mocht hebben, en toen ik de volgende dag mijn fiets voor de supermarkt parkeerde stond hij er weer, rode wangen van de kou. ‘Ik ga ze voor je halen’, riep ik, en ik deed snel mijn boodschappen. Trots met het pakje zwaaiend liep ik naar buiten, om daar abrupt stil te blijven staan. Voor mij stonden twéé jongetjes. Het jongetje met de blauwe muts en een ander jongetje, nog kleiner en met bruin piekhaar, die als een ware Dickens-figuur met nauwelijks verholen honger en verlangen naar het pakje keek. Op dat moment griste de jongen met de blauwe muts het uit mijn hand. ‘Sorry?’ vroeg ik beduusd. ‘Nee, maakt niet uit’, zei hij, en liep weg. Het kleine jongetje keek me met grote ogen aan. Ik zuchtte. En haalde voor 10 euro boodschappen die ik niet nodig had.

Goedemorgen. Dit is het nieuws van dinsdag 27 januari. Oorlogen, overstromingen, doden, gewonden, genociden, gevechten, recessies, depressies, aanslagen, aardbevingen, bommen, bosbranden, ongelukken, orkanen, terroristen, tsunami’s, daklozen, dictators, racisten, fascisten, demonstraties, arrestaties, drugsverslaafden, dieven, radicalen, rebellen, oplichters, ontslagen, kernbommen, krakers, hooligans, haatzaaiers, wachtlijsten, werklozen, beurscrashes en babycrèches.

Fijne dag nog.

En dan nu: reclame. Koop dit, bestel dat, kies bewust, snoep verstandig, eet biologisch, investeer duurzaam, consumeer groen, geef je mening, doe de enquête, sms je favoriet, stem op ons, bel nu, doe mee, blijf kijken, ga naar de site, geef je op, maak kans, blijf aan de lijn, check je mail, surf het web, word lid, neem een abonnement, profiteer nu, betaal later, neem een lening, lease een auto, bel prepaid, verbouw op afbetaling, blijf jezelf, geef om een ander – en kijk voor meer informatie op:

lees verder

Gisteren was het Chinees Nieuwjaar. Nu was dat zaterdag al gevierd, compleet met vuurwerk, soepel dansende draken en tv-commentaar als: ‘Voor ons lijkt het herrie, maar voor de Chinezen heeft het slaan op de pauken echt betekenis.’ Maar, zo dacht ik: misschien is dat wel het commerciële feest, voor de onwetenden, vol lantaarns en draken met lange snorharen zodat mensen aan Chinese restaurants gaan denken. Misschien is het ware feest wél op de juiste datum, met eeuwenoude tradities zoals ‘het Temmen van de Pekingeend’ en stemmig gezang in het Mandarijn, alleen voor ingewijden. Ik ging lunchen bij een Chinees restaurant, in de hoop mee te mogen doen.

Het is stil in het restaurant. Ik ben de enige. Niets wijst op feest. Een licht gerimpelde man met een grote bril komt zwijgend naast mijn tafeltje staan. Zijn gezicht wijst ook niet op feest. ‘Hallo’, zeg ik. Hij knikt. ‘En een gelukkig nieuwjaar’, voeg ik er nadrukkelijk aan toe. Hij knikt weer. ‘Het is het Jaar van de Os, toch?’ hoor ik mezelf vragen (inmiddels lichtelijk wanhopig). ‘Van de koe’, antwoordt de man. ‘Oh. En heeft dat nog een betekenis?’ ‘Dat moet je in het Chinese boek opzoeken’, zegt hij, en vraagt wat ik wil drinken.

Ik bestel thee en bedenk dat ik dan tenminste authentiek Chinees moet eten, om zo toch het Nieuwjaar te vieren. Ik kies het poëtische gerecht Chinese rijstebrij, variant ‘Fishing Boat’. De serveerster die mijn bestelling opneemt vindt echter van niet. ‘Nee’, zegt ze ferm. In gebrekkig Nederlands voegt ze daaraan toe: ‘Dat vind jij niet lekker.’ ‘Maar… vind jij het lekker?’ vraag ik. ‘Ja, ik wel. Jij niet.’ ‘Maar…’, zeg ik. Ze schudt resoluut haar hoofd. Het is even stil. Ik kijk haar verward aan, en klink een beetje schor als ik zeg: ‘Ik wil het toch wel, geloof ik.’ Ze haalt haar schouders op in een ‘wie niet luisteren wil moet maar proeven’-gebaar en loopt weg.

De rijstebrij bestaat uit een soort wit-doorzichtige gelei met stukjes vis erin, en is eigenlijk best lekker als je niet te veel nadenkt over waar het op lijkt. Ik neem steeds dapper een extra grote hap als ik denk dat de serveerster kijkt. Op dat moment komt er een grote groep Chinezen binnen, en meteen is alles anders: de oude man ontpopt zich tot een aimabele oude heer, de serveerster tot een koket giechelend meisje, Mandarijn vliegt over en weer. Ik betaal. Misschien kan ik volgende keer lange snorharen opdoen om erbij te horen.