Archief van berichten op 5 januari 2009

Toen het Verenigd Koninkrijk in het begin van de negentiende eeuw z’n laatste oorlog tegen Napoleon had gewonnen, viel er ineens vrede over het eiland. Allerlei jong adelsvolk had net hoopvol een eigen regiment aangeschaft en in schilderachtige kleren gestoken, maar wie moesten ze nu nog op het slagveld ontmoeten? Speelziek en wishful als Engelsen nou eenmaal zijn, begonnen ze onder mekaar te wedden over het tijdstip dat er weer wat beleefd kon worden. In het Weddenschapsboek van de Engelse Adel kun je lezen dat een earl al in 1822 voor 10 guineas gokte dat Engeland binnen drie jaar in een nieuwe oorlog betrokken zou zijn. Kort daarna wedde hij met iemand voor 50 guineas dat er nog binnen één jaar een vijand zou zijn opgestaan.

lees verder

Zaterdag liep ik op natuurijs. Dat deed ik natuurlijk geheel tegen mijn zin, maar ik was in het gezelschap van kleine kinderen en ik wilde de lulligste niet zijn, dus ging ik testen of het ijs dik genoeg was. Hierbij moet ik wel vermelden dat er al een stuk of tien mensen druk aan het rondschaatsen waren op dat ijs, dus zo’n heldendaad was het niet.

Maar voor mij was het wel een heldendaad. Volgens een goede vriendin van mij beschik ik over weinig ‘performale intelligentie’. In gewone mensentaal betekent dat dat ik niet kan schaatsen. En niet kan rolschaatsen, niet kan bokspringen, niet kan balanceren op een evenwichtsbalk, en eigenlijk al veel moeite heb om binnen de lijnen van een vrij breed fietspad te rijden. Het is dus ook gevaarlijk voor mij, en voor eventuele omstanders, om me zelfs op de meest platte, brede winterlaarzen op ijs te begeven, want ik zou zomaar kunnen omvallen en mijn nek kunnen breken.

lees verder

Ik probeerde me voor te stellen hoe het zou zijn als de dorpen weer vol zouden lopen. Niet omdat het hip was om in een boerderij te wonen, maar omdat het lucratief was. Boerenarbeid als nieuw economisch alternatief. Die gedachte bekroop mij toen ik afgelopen week door het achterland van Frankrijk reed. Lege dorpen, stille straten. Een prettig gevoel van eenzaamheid, maar ook van onbehaaglijkheid – waar waren de mensen?

Net als overal in de geïndustrialiseerde wereld, is ook hier het platteland alleen nog aantrekkelijk voor stedelingen met een tweede huis, of met de lust om te forenzen. De boerderette viert er hoogtij. Huizen die niet passen in het landschap. Aangeharkte tuinen en hoge hagen die nieuwsgierige provincialen het zicht ontnemen. Veel leegstand. Dichtgeplakte winkelruiten. De luiken voor de ramen. En stilte. Ook hier sterven de dorpen.

Ooit deed ik verslag vanuit het middenwesten van de Verenigde Staten. Taylor in Loup County was volgens de boeken het armste gehucht van het land. Maar in het dorp hing beslist geen naargeestigheid. Het nieuws over de status van het dorp was ingeslagen als een bom, maar het had de mensen weerbaar gemaakt. Was het niet zo dat de dorpen nog konden bieden wat de stad al decennia liet afweten? Allicht, de jeugd vond er moeilijk een toekomst en de verveling had er bepaald een plek, maar de verhalen gingen vooral over de deur die niet op slot ging en het gemeenschapsgevoel. Langzamerhand zochten mensen dat weer op.

En in Taylor, dat de bodem al had geraakt, heerste diepe overtuiging dat de gemeenschap haar plek in de samenleving weer zou hervinden. Iedereen probeerde zich voor te stellen hoe het zou zijn als de dorpen weer vol zouden lopen.

Dat de economische crisis die voorstelling binnen handbereik zou brengen, had niemand durven dromen. Opeens is het platteland aantrekkelijk geworden. Dalende koersen ja, maar een nieuw leven voor boerenarbeid dat met de hoge voedselprijzen nieuwe relevantie heeft gekregen.

Dorpen waar weer wat te doen valt.

Floris-Jan van Luyn