Vandaag verscheen er weer een, net als gisteren, eergisteren en morgen: een literaire roman. Jaarlijks komen daarvan driehonderdvijftig in Nederland op de markt. Onze literatuur staat er dus uitzinnig goed voor, zou je zeggen.
Helaas: het overgrote deel van die immense romanstapel raken boekhandelaren aan de straatstenen niet kwijt. Het merendeel verdwijnt in de papierversnipperaar, soms met een tussenstop in het riool van de boekenwereld, antiquariaat De Slegte.
Waarom laten uitgevers al die boeken dan toch met onvermoeibare ijver van de persen rollen? Het antwoord is tweeledig. Eén: omdat het heel kleine percentage boeken dat wél verkoopt, vaak in gigantische aantallen over de toonbank gaat en alle verliezen compenseert. Twee: omdat niemand vooraf kan voorspellen welke boeken dat zijn. Harry Potter is eerst door twaalf uitgevers geweigerd; van Joe Speedboot kochten boekhandels aanvankelijk maar een handjevol in.
Dat blijft niet zonder gevolgen. Ieder boek, ook dat van schrijvers die beweren alleen voor een ‘klein publiek’ te schrijven, moet in dit crisisklimaat als potentiële bestseller gepresenteerd worden. Aanbiedingscatalogi spreken daarom louter nog als door de megafoon: ‘Peilloos diep boek’, ‘bloedstollend autobiografisch verhaal’, ‘wereldschokkend’.
Heeft een boek geen etalageplaats (vaak door uitgevers gekócht), zit de auteur niet bij Pauw en Witteman of De Wereld Draait Door (zendtijd waar ‘keiharde afspraken’ moeten worden gemaakt), of doet hij niets ‘om het boek heen’ (zoals boekhandelaren willen, voor wie de inhoud kennelijk allang niet meer van belang is), dan bestaat het boek domweg niet.
Serieuze boeken moet je dus vermommen als populaire. Inhoudelijk betekent dit dat ze steeds meer naar vaste formule neigen: er is sprake van een herkenbaar maatschappelijk decor (meestal een familie, gezin, dorp of vriendenkring) waarin iets gebeurt dat de normale orde verstoort (meestal een ziekte, vaak ook een moord, ontvoering, sterf- of incestgeval) waarna de orde weer herstelt, of er op z’n minst een verzoening met de nieuwe situatie ontstaat – meestal na een proces van rouw of verwerking , na een zoektocht of na een grote reis naar een exotische bestemming .
Kwalijker nog is dat de functie van literatuur voor de samenleving door de bestsellercultuur onder druk staat. Met afgunst kijk ik naar de Klassieke Oudheid, waar literatuur een beschavende rol had, naar de Renaissance, waar het schrijverschap als ethische opgave gold, naar de Romantiek, die het alledaagse wilde poëtiseren en verheffen.
Deze tijd houdt die principes alleen nog in schijn overeind. Zo is literatuur tegen de platte marktwerking beschermd door een vaste boekenprijs en een laag btw-tarief van 6 procent, net als voedingsmiddelen.
Moet literatuur per se beschaven? Misschien niet. Even jaloers ben ik namelijk op Flaubert als hij stelt: ‘Ik schrijf om de mensheid te beschadigen’ of op Michel Houellebecq als hij schrijft: ‘Elke samenleving heeft haar zwakke punten, haar wonden. Leg uw vinger op de wond en druk goed hard.’ Maar wie Houellebecq goed leest, merkt dat zijn inktzwarte diagnosen impliciet een verlangen inhouden naar een betere, mooiere wereld. Ze zijn er het fotonegatief van en getuigen langs die omweg alsnog van het beschavingsideaal.
De moderne bestseller moet echter binnen de herkenbare kaders blijven, slechts tijdelijk ontregelen met een belofte van troost aan het slot. Als de boekenbranche de hypecrisis niet kan keren, en de macht van het getal boven dat van het woord blijft staan, zullen schrijvers meer en meer geneigd zijn een knieval te maken voor publiekssucces.
Hugo Claus beweerde eens: ‘Als ik schrijf ben ik een asceet, daarna een groenteboer.’ Nog even, en schrijvers moeten zich al tijdens het schrijven verkleden als groenteboeren.