Archief van berichten op 22 januari 2009

Er zijn maar weinig uitspraken die iets concreets veranderen in de wereld.

De eed bij de inauguratie van een Amerikaanse president is zo’n soort uitspraak. Pas als de tekst is uitgesproken, kan de spreker beginnen aan het uitoefenen van zijn ambt. Sterker: Obama kon aan de slag doordat hij de tekst, hakkelend en wel, uitsprak. Zo’n uitspraak heet in de taalkunde een performatief. Mensen houden van performatieven, omdat ze woord en daad in één zijn.

Er zijn ook uitspraken waarmee iets wordt beoogd, maar waarmee juist het omgekeerde wordt bereikt. Een voorbeeld. Als een dokter zegt: „Er is geen enkele reden tot paniek,” is het effect bij de patiënt natuurlijk altijd: blinde paniek. Voor zover ik weet bestaat voor zulk soort uitspraken geen officiële term, dus laten we het bij deze noemen: de ‘had nou je mond gehouden’-uitspraak. Ik ben een verzamelaar van ‘hnjmg’-uitspraken.

Tot nu toe in mijn verzameling:

„Trek je van mij niets aan” – dat is dan meteen niet meer mogelijk.

„Lekker stil hè?” – totdat jij je mond open deed wel.

(lijkt op de vorige) „Slaap je al?”

Een man die om wat voor reden dan ook zegt: „Je hoeft voor mij niet bang te zijn,” wordt daar juist heel erg eng van.

Iemand probeert het familiediner te redden door te zeggen: „Gezellig he? Vinden jullie het ook zo gezellig?” Het resultaat is dat het laatste restje gezelligheid heel snel de kamer uitrent.

„Doe geen moeite” zorgt er vaak voor dat er juist wel moeite gedaan wordt, ook als je echt bedoelde dat er geen moeite gedaan moest worden.

Iemand vertelt iets gênants. De hele kamer valt stil. De spreker zegt: „Hé, nu valt het ineens stil!” De bedoeling is dat dat de spanning verbreekt, maar vaak wordt de sfeer dan alleen maar ongemakkelijker.

Als de performatief een perfecte Sachertorte is, is de ‘hnjmg’-uitspraak een ingezakte kaassoufflé. De eerste is lekkerder, de tweede krijg je vaker op je bord.

Inmiddels is Jan Peter Balkenende (CDA) zo’n beetje de enige Nederlander die géén onderzoek naar de steun voor de inval in Irak wil. Zoals iemand die na een misdrijf halsstarrig weigert zich aan het grootschalige DNA-onderzoek in de omgeving te onderwerpen, zo is de premier nu pijnlijk verdacht.

En zoals dat gaat met zwijgende weigeraars: ze genereren een wildgroei aan gissingen, geruchten, gestaafd met halve feiten en verwarrende bewijzen. Rond het zwijgen van de premier zijn inmiddels aangekoekt: een geheime nota (van adviseurs die twijfelen aan de volkenrechtelijke basis), een brief aan een burger (waarin de premier de massavernietigingswapens als casus belli opvoert) en het radioprogramma Argos dat claimt dat Nederland zelfs militaire steun verleende (commando’s en verkennende F-16’s).

Als dat allemaal waar is, is het heel ernstig. Dan was Nederland fout in de oorlog. Alleen al alle mist die er nu omheen hangt, maakt het onderzoek absoluut noodzakelijk.

Waarom verdween het Irak-onderzoek ook alweer van tafel? Omdat Balkenende in de coalitieonderhandelingen zijn poot stijf hield: als tolgeld tot de coalitie moest Wouter Bos (PvdA) het Irakonderzoek laten schieten. Toenmalig formateur Herman Wijffels (nota bene van CDA-huize) wil nu zelfs dat het onderzoek er komt.

Balkenende houdt zijn poot nog altijd even stijf. Daarmee lijkt hij op iemand die nog steeds geen DNA wil afstaan, terwijl er getuigenverklaringen opduiken, wapens in zijn tuinhuisje gevonden worden en er drommen mensen voor zijn hek samenkomen met pek en veren. Balkenende blijft onvermurwbaar. „Ik heb er kennis van genomen,” zegt hij met verkrampte glimlach. Waarom zoveel halsstarrigheid? Alleen zo’n onderzoek kan Balkenendes geloofwaardigheid redden.

Of juist breken. Daarvan heeft het nu alle schijn. Zal Irak dan JP’s Waterloo worden? Wel sneu dat Bush hem dan zo snel vergeten is. Op een bijeenkomst met wereldleiders wist Bush niet eens meer wie hij was (‘Mister Balkenende returned to… ehm… his country’). En in zijn rondje afscheidstelefoontjes belde Bush met de leiders van Denemarken, Italië, Rusland, Georgië. Alleen in huize Balkenende bleef de telefoon doodstil.

Christiaan Weijts

Mijn vriendin heeft een konijn. Toen dat konijn na een tijdje droef door het gaas begon te staren en zuchtte naar voorbijdrijvende wolken in de vorm van twee oren, had ze het idee dat hij misschien wat eenzaam was. Hoewel ze wist dat konijnen liever met zijn tweeën waren, twijfelde ze of ze er zelf wel twee wilde. Dus stopte ze elke avond schuldbewust een extra worteltje in zijn hok. Toen ze me echter opbelde en paniekerig vertelde dat hij haar zo verwijtend aankeek, en ze zeker wist dat hij ‘sadist’ naar haar had gehist toen ze hem oppakte, vonden we allebei dat het beter was (voor de mentale gesteldheid van beiden) dat er een nieuw konijn zou komen.

Ik heb een voorliefde voor konijnen, dus ging graag mee naar de fokkerij om er eentje uit te zoeken. Bovendien moest het eerste konijntje mee, om te kijken of het samen goed zou gaan. Ik zat in de auto met het pluizige bolletje op schoot en hoopte dat de fokkerij een konijnenwalhalla zou zijn, met een stralende wei en een goedlachse boer die een niezend babykonijntje in zijn pet zou dragen. Dat het januari was en het weer het best omschreven kon worden als ‘je nurkse oom in een grijze wollen trui’, vergat ik voor het gemak even.

Er stapte een man op ons af die eruit zag alsof hij als hobby koeien uitbeende. Hij heette Benny. Zwijgend leidde hij ons naar een schuur waar een rij konijnenhokken stond en opende er eentje. Binnen was het een wirwar van nieuwsgierige oortjes, snuffelneusjes en wiebelstaartjes. Althans, dat zagen wij. Benny de konijnenfokker zag waarschijnlijk zakjes geld op poten. Hij pakte er één ruw bij zijn nekvel. ‘Deze?’ Mijn vriendin knikte, lichtjes geïntimideerd. ‘Je kan de ander ook nog ruilen hoor’, zei Benny. ‘Maar dat is mijn konijn’, zei mijn vriendin gekwetst. ‘Die heb ik al vijf maanden.’ Benny haalde zijn schouders op en zette de konijntjes bij elkaar, waarop ze onmiddellijk begonnen te vechten. De vriendin schrok, maar boer Benny wist raad. Hij pakte de dieren op en liep weg. Toen hij met ze terugkwam keken ze ons verdrietig aan. ‘Wat heeft u gedaan?’ vroeg ik. ‘Oh, gewoon. Even de tanden afgeknipt.’

In de auto terug zat ik met de twee tandeloze konijntjes op schoot. Terwijl mijn vriendin probeerde te rijden en aaien tegelijkertijd, zei ik troostend: ‘Stil maar. We zullen hele lekkere wortelmousse voor jullie maken.’